id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.824 Rolnummer: A. 230811/XIV-38352 Zaak: Cassatiebeschikking 13824 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-21 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-13 21:20 Fiche Beschikking nr 13.824 van 27 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.824 van 27 juli 2020 in de zaak A. 230.811/XIV-38.352 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. é.055 van 24 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de verzoekers voor de eerste rechter hebben laten gelden dat ingevolge de geboorte van hun kind op 19 februari 2019 in België een terugkeer naar Venezuela geen optie is, gelet op het door de verzoekers uiteengezette ernstig gebrek aan medische zorg, voedsel enz. Verzoekers hebben aangevoerd dat een vestiging elders in Venezuela of Latijns-Amerika evenmin een optie is, gelet op de verslechterde situatie van immigrerende Venezolanen die het risico lopen in een irreguliere XIV-38.352-1/3 situatie terecht te komen, zonder garanties voor basisrechten doch met gevaar voor uitbuiting en misbruik. De verzoekers hebben nog opgemerkt dat zwangere vrouwen en vrouwen die borstvoeding geven een nog hoger risico lopen op misbruik en uitbuiting en dat hun baby nog geen twee maanden oud is en eveneens borstvoeding krijgt.
- De verzoekers richten hun cassatiemiddel kennelijk enkel tegen de beoordeling in het bestreden arrest van hun situatie in het licht van artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Zij betrekken de geboorte van hun kind immers niet op hun ongeloofwaardig bevonden voorgehouden vrees voor vervolging door de colectivos in Venezuela omwille van de activiteiten van de moeder van eerste verzoeker. In het bestreden arrest wordt overwogen dat de verzoekers zich hoe dan ook aan eventuele toekomstige problemen kunnen onttrekken door zich elders in Venezuela, buiten Caracas, te vestigen. Er wordt gewezen op de vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissing dat eerste verzoeker zich na het bewuste schietincident zonder enig probleem in Petare heeft gevestigd en er professionele activiteiten zou hebben gevoerd, revalidatie zou hebben gevolgd, familiebezoek zou hebben afgelegd en stappen zou hebben ondernomen om een paspoort te krijgen. Verzoeker heeft na het incident in Venzuela auto’s en moto’s gekocht en verkocht, hij heeft in de Dominicaanse Republiek gewerkt als hoogtewerker en hij heeft in Brazilië gewerkt voor een telecommunicatieproject. Volgens het bestreden arrest wijzen de verzoekers wel op algemene informatie doch brengen zij “geen enkel concreet element aan dat van aard is afbreuk te doen aan de redelijke verwachting dat zij zich met hun kind elders in Venezuela (bij familie van verzoekster) vestigen om problemen met verzoekers belagers in de toekomst te vermijden”. Anders dan de verzoekers voorhouden, betrekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dus expliciet de geboorte van het kind van de verzoekers in zijn beoordeling. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt verder, wat de door de verzoekers voorgehouden algemene voedsel- en gezondheidssituatie betreft, dat uit de verklaringen over hun profiel en hun familiale en financiële situatie in Venezuela niet kan worden afgeleid dat er in hunnen hoofde ernstige problemen van socio-economische aard bestaan of dat zij bij een terugkeer naar Venezuela een bijzonder risico op onmenselijke of vernederende behandeling zouden lopen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst in XIV-38.352-2/3 dit verband op de vaststellingen met betrekking tot het in Venezuela aanwezige familiale netwerk en de mogelijkheid van eerste verzoeker om in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin te voorzien. Hij merkt uitdrukkelijk op dat “niet [kan] worden ingezien in welke zin het gegeven dat zij thans een kind zouden hebben hier een ander licht op werpt” en dat de verzoekers niet verder komen dan louter te verwijzen naar algemene informatie die geen betrekking heeft op hun persoonlijke situatie. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn beoordeling van de zaak wel degelijk rekening heeft gehouden met de geboorte van het kind van de verzoekers. De verzoekers tonen geen enkel element aan dat op onwettige wijze buiten beschouwing zou zijn gelaten. Tot slot hoefde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet in te gaan op het argument dat het kind nog borstvoeding kreeg en twee maanden oud was, vermits het op het ogenblik van het bestreden arrest al een jaar oud was. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.352-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.824 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.