← België

Cassatiebeschikking 13825 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.825 Rolnummer: A. 230413/XIV-38304 Zaak: Cassatiebeschikking 13825 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-19 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-13 21:21 Fiche Beschikking nr 13.825 van 27 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.825 van 27 juli 2020 in de zaak A. 230.413/XIV-38.304 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hajarpi Chatchatrian kantoor houdend te 8000 Brugge Langestraat 46/1 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 9 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 232.171 van 3 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker acht het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 160.371 van 19 januari 2016 geschonden omdat daarmee verzoekers halfbroer I.M. wel als vluchteling werd erkend op grond van de ook thans aangevoerde bloedwraak. In het bestreden arrest wordt niet getwijfeld aan de bloedvete waarop verzoekers verzoek om internationale bescherming is gesteund. De door verzoeker XIV-38.304-1/3 geciteerde punten 4.8 en 4.9 van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 160.371 van 19 januari 2016 bevatten echter geen beoordeling van het gedrag van verzoekers vader. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat I.M. destijds tijdens zijn gehoor op het commissariaat-generaal ook verklaringen heeft afgelegd over het gedrag van zijn vader. Verzoeker maakt derhalve geen schending aannemelijk van het gezag van gewijsde van het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 160.371 van 19 januari
  2. Bovendien kan de beoordeling van een door verschillende personen aangevoerde vrees, al is deze gesteund op dezelfde aangevoerde grond, evolueren in het licht van het tijdsverloop, dat te dezen niet minder dan 4 jaar bedraagt tussen de beide arresten. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  3. Verzoeker acht het “bijzonder vreemd dat het thans bestreden arrest herhaaldelijk stelt dat de bloedwraak, waarvan het bovendien het bestaan zelf ontkent, daarnaast ook stelt dat het niet actueel meer zou zijn”, hetgeen er volgens hem toe leidt dat hem “ten onrechte het vluchtelingenstatuut, minstens subsidiaire bescherming wordt ontzegd”. Verzoeker gaat met zijn algemene kritiek en de verwijzing naar een andere zaak in een krantenartikel volledig voorbij aan de omstandig ontwikkelde motieven van het bestreden arrest. Hij vraagt in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd is. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.304-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.304-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.825 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.