← België

Cassatiebeschikking 13827 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 27 juli 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.827 Rolnummer: A. 230358/XIV-38296 Zaak: Cassatiebeschikking 13827 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 27/07/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-08-17 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-13 21:22 Fiche Beschikking nr 13.827 van 27 juli 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.827 van 27 juli 2020 in de zaak A. 230.358/XIV-38.296 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Pierre Robert kantoor houdend te 1000 Brussel Sint-Quentinstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 2 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 231.828 van 27 januari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de aanvankelijk bestreden beslissing uitdrukkelijk vermeldt dat “in uitvoering van artikel 51/5, § 4, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen […] aan [verzoeker] die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, het verblijf in het Rijk [wordt] geweigerd”. Verzoekers kritiek dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de voornoemde bepaling als wettelijke grondslag van de aanvankelijk bestreden beslissing vermeldt terwijl die XIV-38.296-1/5 bepaling niet in de aanvankelijk bestreden beslissing zou voorkomen, mist feitelijke grondslag. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  2. Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat verzoeker in zijn eerste middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft aangevoerd dat “de Dublin III Verordening is opgedeeld in negen hoofdstukken” en dat het antwoord op de vraag “welke lidstaat verantwoordelijk is, […] dus [wordt] vastgesteld op basis van de criteria die in hiërarchische wijze opgesomd staan in hoofdstuk III van de Dublin III Verordening” (dit is verordening (EU) 604/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 ‘tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat door een onderdaan van een derde land of een staatloze bij een van de lidstaten wordt ingediend (herschikking)’ (hierna: verordening 604/2013). Verzoeker heeft verder laten gelden dat “verantwoordelijkheid […] enkel [kan] toegewezen worden aan een lidstaat op basis van de in hoofdstuk III genoemde criteria, opgenomen in artikel 7 t.e.m. 15” en dat, indien “dit onmogelijk [is], dan […] de verantwoordelijkheid [valt] bij de lidstaat waar de asielaanvraag het eerst ingediend werd, overeenkomstig artikel 3.2 van de Dublin III Verordening”. Hij heeft vervolgens besloten dat “enkel op basis van artikels 3.2 en 7 tot en met 15 van de Dublin III Verordening […] een lidstaat als de verantwoordelijke aangewezen [kan] worden”. Verzoeker achtte artikel 3 van de voornoemde verordening geschonden omdat “de [aanvankelijk] bestreden beslissing […] Zwitserland aanduidt op basis van artikel 18, § 1, d), van de Dublin III Verordening”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt in punt 2.1.2 van het bestreden arrest op dat verzoeker “[zelf] verwijst […] naar de criteria, bepaald in de artikelen 7 tot en met 15 en naar artikel 3 van de Dublin III-Verordening”, dat verzoeker niet ontkent een eerste verzoek tot internationale bescherming te hebben ingediend in Zwitserland dat werd afgewezen, dat hij naar Nederland vertrok om vervolgens terug te keren naar Zwitserland, dat hij naar Duitsland trok om een verzoek tot internationale bescherming in te dienen en vervolgens weer terugkeerde naar Zwitserland, dat verzoeker uiteraard weet dat hij in Zwitserland zijn eerste verzoek tot internationale bescherming heeft ingediend en dat hij het tegendeel niet voorhoudt, dat de Zwitserse autoriteiten onmiddellijk hebben ingestemd met de terugname en dat verzoeker niet duidelijk maakt op welke wijze de XIV-38.296-2/5 artikelen 3.1 en 3.2 van de meergenoemde verordening zou zijn geschonden noch wat zijn belang is bij zijn grief. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat de in de aanvankelijk bestreden beslissing niet moest worden verwezen naar de te dezen niet van toepassing zijnde criteria van hoofdstuk 3 van verordening 604/
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgt verzoeker niet in diens argumentatie dat hij niet in staat zou zijn de juridische bepaling te begrijpen die de aanvankelijk bestreden beslissing staaft, de toepassing ervan na te gaan en de beslissing nuttig aa n te vechten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in punt 2.1.3 van het bestreden arrest nog dat verzoeker niet aantoont noch voorhoudt dat Zwitserland niet verantwoordelijk is, dat verzoeker niet uiteenzet op basis van welke criteria een andere lidstaat verantwoordelijk zou zijn en een schending van artikel 3 van verordening 604/2013 aanvoert terwijl hij weet dat een overdrachtsbesluit is genomen omdat zijn eerste verzoek tot internationale bescherming in Zwitserland was ingediend. Verzoeker heeft wel degelijk gesteld dat de verantwoordelijkheid “enkel” kan worden toegewezen op basis van de in hoofdstuk 3 van verordening 604/2013 gestelde criteria en dat, slechts indien dit niet mogelijk is, artikel 3 van die verordening geldt. Zoals uit het bovenstaande blijkt, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk ingegaan op de door verzoeker aangevoerde schending van artikel 3 van verordening 604/
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft derhalve geen betekenis gegeven aan het verzoekschrift tot nietigverklaring die in strijd is met de inhoud of de bewoordingen ervan. Het eerste onderdeel van het tweede middel is kennelijk ongegrond.
  5. Zoals uit de behandeling van het eerste onderdeel van het tweede middel blijkt, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel dat verzoeker uit de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing kan begrijpen dat Zwitserland als verantwoordelijke staat wordt aangeduid omdat verzoeker er zijn eerste verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, omdat verzoeker zulks niet betwist, omdat er geen sprake is van andere criteria en omdat Zwitserland zich ook akkoord heeft verklaard met de terugname. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kan verzoeker daaruit ook begrijpen dat toepassing is gemaakt van artikel 3 van verordening 604/
  6. XIV-38.296-3/5 Het tweede onderdeel van het tweede middel is kennelijk ongegrond.
  7. Zoals uit de behandeling van het tweede middel blijkt, geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan dat verzoeker uit de overwegingen van de aanvankelijk bestreden beslissing kan afleiden dat toepassing is gemaakt van artikel 3 van verordening 604/
  8. Als administratieve cassatierechter is de Raad van State niet bevoegd om de beoordeling door de annulatierechter over te doen of de aanvankelijk bestreden beslissing al dan niet afdoende is gemotiveerd. Verzoeker gaat er thans nog aan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers belang bij zijn grief ontzegt, net omdat verzoeker niet betwist dat hij zijn eerste verzoek om internationale bescherming in Zwitserland heeft ingediend en hij ook niet aanvoert dat op grond van enig ander criterium enig ander land de verantwoordelijke lidstaat zou zijn. Het eerste onderdeel van het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  9. Uit de behandeling van het eerste onderdeel van het derde middel blijkt dat de overweging dat de aanvankelijk bestreden beslissing kon worden genomen op basis van artikel 3.2 van verordening 604/2013 geen a posteriori motivering is. Het tweede onderdeel van het derde middel is kennelijk ongegrond.
  10. Verzoeker heeft niet voorgehouden en houdt ook thans niet voor dat te dezen enig criterium van toepassing zou zijn op grond waarvan een andere lidstaat dan Zwitserland, waar hij zijn eerste verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, verantwoordelijk zou zijn. Zoals uit de behandeling van de vorige middelen blijkt, toont verzoeker niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op onwettige wijze heeft vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing op die grond is genomen en dat verzoeker kennis heeft van die grond. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn kritiek dat artikel 18.1, d), van verordening 604/2013 betrekking heeft op de “verplichtingen” van de verantwoordelijke lidstaat maar niet op de criteria om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is. XIV-38.296-4/5 Het vierde middel is, in zijn geheel genomen, kennelijk niet- ontvankelijk.
  11. Anders dan verzoeker voorhoudt, spreekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich niet tegen in het bestreden arrest. Zo blijkt uit de behandeling van de vorige middelen reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wèl op wettige wijze heeft vastgesteld dat de aanvankelijk bestreden beslissing ook artikel 51/5, § 4, eerste lid, van de vreemdelingenwet als rechtsgrond vermeld. Verder heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aangegeven dat de grond om de aanvankelijk bestreden beslissing te nemen ligt in verzoekers eerste verzoek om internationale bescherming in Zwitserland, dat verzoeker hiervan op de hoogte is, dat verzoeker geen ander criterium aanhaalt noch aanvoert dat een andere lidstaat verantwoordelijk zou zijn en dat niet eens blijkt welk belang verzoeker dan bij de voorgehouden schending van artikel 3 van verordening 604/2013 zou hebben. Hierin zijn geen tegenstrijdige motieven te bekennen. Het vijfde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  12. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  13. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zevenentwintig juli tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.296-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.