id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 20 augustus 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.865 Rolnummer: A. 230728/XIV-38338 Zaak: Cassatiebeschikking 13865 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 20/08/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-14 04:14 Fiche Beschikking nr 13.865 van 20 augustus 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.865 van 20 augustus 2020 in de zaak A. 230.728/XIV-38.338 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hendrik Camerlynck kantoor houdend te 8900 Ieper Cartonstraat 14 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 232.237 van 4 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 juni 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De bescherming op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), houdt te dezen in dat, wanneer zou worden vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoekster een reëel risico loopt om in Griekenland een behandeling te ondergaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, zij niet naar dat land mag worden teruggeleid. Deze bescherming heeft, zoals verzoekster terecht laat gelden, een absoluut karakter, hetgeen inhoudt dat er onder meer XIV-38.338-1/3 geen afbreuk aan kan worden gedaan indien de betrokkene zich zelf zou hebben schuldig gemaakt aan feiten in strijd met artikel 3 van het EVRM, zou moeten worden uitgesloten worden van de vluchtelingenstatus of een gevaar voor de openbare orde zou vormen. In die zin mag inderdaad geen rekening worden gehouden met verzoeksters eigen gedrag. Het voorgaande sluit echter niet uit dat bij een toetsing aan artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht of er een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico bestaat aan blootstelling van de betrokkene aan een behandeling of bestraffing in strijd met die verdragsbepaling. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle specifieke feiten en omstandigheden van de zaak, ook in hoofde van de betrokkene zelf.
- In het bestreden arrest wordt verzoeksters individuele situatie in Griekenland mede in het onderzoek betrokken om na te gaan of zij er een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. Mede op grond van verzoeksters individuele situatie en persoonlijk gedrag, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat verzoekster geen reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Er wordt in het bestreden arrest echter geen rekening gehouden met verzoeksters gedrag om haar de bescherming tegen een vastgesteld risico te ontzeggen. Verzoeksters kritiek als zou met het bestreden arrest afbreuk worden gedaan aan het absolute karakter van de door artikel 3 van het EVRM verleende bescherming, berust derhalve op een verkeerde lezing van dat arrest. De door verzoekster voorgestelde prejudiciële vraag is dan ook niet relevant voor de oplossing van het geschil.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.338-2/3 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op twintig augustus tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Silja Doms, griffier. De griffier De voorzitter Silja Doms Carlo Adams XIV-38.338-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.865 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div