← België

Cassatiebeschikking 13927 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.927 Rolnummer: A. 230729/XIV-38339 Zaak: Cassatiebeschikking 13927 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-14 08:07 Fiche Beschikking nr 13.927 van 17 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.927 van 17 september 2020 in de zaak A. 230.729/XIV-38.339 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Zouhaier Chihaoui kantoor houdend te 1080 Brussel Louis Mettewielaan 9/38 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 13 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 232.605 van 14 februari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 24 juni 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In een eerste onderdeel van het enige middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) heeft geschonden “door zonder meer de verklaringen van verzoeker te betwisten, zonder de gebeurtenissen te beoordelen die verzoeker daadwerkelijk heeft meegemaakt in Griekenland, en geen rekening te houden met XIV-38.339-1/5 zijn extreme kwetsbaarheid (persoonlijke situatie), noch met de algemene toestand in Griekenland zoals omschreven in, door verzoeker tijdens de beroepsprocedure neergelegde, internationale rapporten (niet alleen betreffende het probleem van toegang tot huisvesting en werk maar meer in het bijzonder met betrekking tot de toegang tot de gezondheidszorg (algemene situatie)”. Verzoeker verwijst ook naar de door hem ingediende “medisch- psychologische attesten”. De bescherming op grond van artikel 3 van het EVRM, houdt te dezen in dat, wanneer zou worden vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker een reëel risico loopt om in Griekenland een behandeling te ondergaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, hij niet naar dat land mag worden teruggeleid. Bij een toetsing aan artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht of er een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico bestaat op blootstelling van de betrokkene aan een behandeling of bestraffing in strijd met die verdragsbepaling. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle specifieke feiten en omstandigheden van de zaak, ook in hoofde van de betrokkene zelf. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is in het bestreden arrest van oordeel dat uit de door verzoeker aangehaalde en voorhanden zijnde landeninformatie niet blijkt dat de algemene situatie van die aard is dat eenieder die internationale bescherming geniet in Griekenland en die kampt met een aantal psychische en fysieke klachten, dreigt terecht te komen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie die kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling. Vervolgens gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in op verzoekers persoonlijke situatie. Hij overweegt hierbij dat verzoeker ervoor koos om gedurende twee jaar en vier maanden in Griekenland te verblijven en dat, “zo verzoeker zich gedurende deze periode werkelijk in een toestand zou hebben bevonden die kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling, kan worden aangenomen dat hij zich hieraan, dit eventueel met de steun van het Ethiopisch netwerk waarover hij beschikte, eerder zou hebben onttrokken en Griekenland eerder zou hebben verlaten”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat verzoeker niet het minste materiële bewijs bijbrengt van zijn beweringen dat hij, in een poging om zijn levensomstandigheden in Griekenland te verbeteren, heel wat plaatsen, instellingen, organisaties en agentschappen zou hebben aangedaan, zowel private als van de overheid. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat verzoeker, wanneer hij nader werd ondervraagd over concrete stappen, steevast verviel in “bijzonder vage, algemene XIV-38.339-2/5 en ontwijkende verklaringen” en dat het voorgaande “ernstige vraagtekens [plaatst] bij de waarachtigheid van verzoekers beweerde precaire leefomstandigheden in Griekenland”. Omwille van het voorgaande worden “ernstige vraagtekens [geplaatst] bij de waarachtigheid van verzoekers beweerde precaire leefomstandigheden in Griekenland”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst er vervolgens op dat verzoeker hoe dan ook over minstens enig netwerk ter ondersteuning bleek te beschikken in Griekenland vermits hij aangaf dat dit netwerk hem soms aan onderdak hielp en hem financieel ondersteunde, en dat verzoeker blijkens zijn verklaringen met tussenkomst en financiële hulp van dit netwerk zijn vliegreis van Griekenland naar Frankrijk op legale wijze met een Grieks reisdocument bewerkstelligde. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt bijgevolg aan dat dit netwerk verzoeker ook kon ondersteunen voor de nodige hulp en medische verzorging in Griekenland. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert dan de omstandige motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing betreffende het verloop van verzoekers procedure in België, waarin wordt vastgesteld dat verzoeker al sinds begin november 2018 in België bleek te zijn, dat hij na vier administratieve controles, twee bevelen om het grondgebied te verlaten en een beslissing tot vasthouding met het oog op verwijdering slechts op 13 december 2019, één dag vóór de voorziene repatriëring naar Griekenland, een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, waarbij hij voor het eerst melding heeft gemaakt van zijn Ethiopische nationaliteit, zijn bezwaren tegen Griekenland en bepaalde medische problemen. Verzoeker heeft gedurende één jaar geen aanstalten gemaakt om zijn verblijf in regel te stellen doch hij heeft zo lang een valse nationaliteit voorgehouden, zijn verblijf en erkenning als vluchteling in Griekenland verzwegen, enkel aangegeven zich naar het Verenigd Koninkrijk te willen begeven en, behoudens “pijn in rechts been”, geen gezondheidsproblemen laten optekenen. Ook die houding vormt voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een negatieve indicatie voor verzoekers voorgehouden nood aan internationale bescherming ten gevolge van zijn situatie in Griekenland. Daarna citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - en sluit hij zich aan bij - de omstandig en concreet ontwikkelde motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing dat verzoeker niet kan volstaan met een loutere algemene verwijzing naar de socio-economische verschillen in verschillende EU-lidstaten, dat verzoeker met het voorbeeld dat lokale Grieken in Athene niet naast vluchtelingen willen komen zitten in een bus geen dermate systematische en ingrijpende discriminatie aannemelijk maakt waardoor zijn fundamentele rechten zouden worden aangetast, dat verzoeker verklaart meerdere publieke gezondheidsinstellingen te hebben bezocht voor zijn medische problemen waar men hem wel een afspraak gaf op langere termijn, doch dat verzoeker ervoor heeft gekozen XIV-38.339-3/5 om Griekenland te verlaten en dat niet blijkt dat, wat verzoekers gezondheidssituatie betreft, een “bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid” zou zijn bereikt. Op die wijze wordt ook ingegaan op de door verzoeker bijgebrachte medische attesten. Verzoeker beperkt zich in het verzoekschrift tot cassatie tot algemene kritiek en hij gaat voorbij aan de voormelde uitgebreide en concrete motivering. Verzoeker toont daarmee, in het licht van de voornoemde omstandige en concrete motieven, geen schending aan van artikel 3 van het EVRM. Voor zoveel als nodig wijst de Raad van State erop dat hij als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
  2. Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt dat in het bestreden arrest wel degelijk uitgebreid en concreet wordt ingegaan op verzoekers situatie, zowel wat zijn verblijf (en de mogelijkheid van bijstand door een Ethiopisch netwerk) betreft, als wat de socio-economische toestand betreft, verzoekers langdurig verblijf in Griekenland, de wijze waarop hij Griekenland heeft verlaten, zijn houding in België alvorens in extremis een verzoek tot internationale bescherming in te dienen en wat verzoekers medische attesten betreft en zijn mogelijkheid om in Griekenland medische hulp te krijgen. Daaruit blijkt dat in het bestreden arrest is voldaan aan de vereisten van de in artikel 149 van de Grondwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Er blijkt eveneens uit dat verzoeker te dezen geen schending van artikel 3 van het EVRM heeft aangetoond. Net omdat rekening wordt gehouden met de specifieke omstandigheden van de zaak, wordt hieraan geen afbreuk gedaan door het feit dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het verleden anders heeft geoordeeld over verzoeken tot internationale bescherming na een eerdere erkenning als vluchteling in Griekenland. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
  3. Het zorgvuldigheidsbeginsel is als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest, waarin de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, te dezen met hervormingsbevoegdheid, uitspraak heeft gedaan. XIV-38.339-4/5 Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.339-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.