← België

Cassatiebeschikking 13928 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.928 Rolnummer: A. 230789/XIV-38346 Zaak: Cassatiebeschikking 13928 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-14 08:07 Fiche Beschikking nr 13.928 van 17 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.928 van 17 september 2020 in de zaak A. 230.789/XIV-38.346 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 15 april 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 234.801 van 2 april 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in het bestreden arrest naar en citeert uit de verklaringen van de verzoekers en van hun zoon op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen met betrekking tot de vraag of de verzoekers internationale bescherming hebben gekregen in Griekenland. Hij bevestigt dat de commissaris-generaal in het kader van artikel 57/6, § 3, eerste lid, 3°, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en XIV-38.346-1/3 de verwijdering van vreemdelingen’ “de verplichting heeft om aan te tonen dat een verzoeker om internationale bescherming internationale bescherming geniet in een andere lidstaat van de Europese Unie” doch dat “in casu blijkt dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op grond van de verklaringen van verzoekers heeft kunnen besluiten dat hen een internationale bescherming werd toegekend in Griekenland” en dat “ook verzoekers zoon aangaf dat zijn ouders, reeds voordat hij in november 2018 werd erkend als vluchteling in Griekenland, een statuut verkregen aldaar”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt verder op grond van de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing dat, zelfs indien het aan de verzoekers op basis van de hen in Griekenland verleende internationale beschermingsstatus uitgereikte verblijfsdocument niet meer geldig zou zijn, niets erop wijst dat hun status van persoon die internationale bescherming geniet, niet meer geldig zou zijn. Op grond van de concrete gegevens van de zaak is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen derhalve van oordeel dat er zekerheid bestaat over het bestaan en de actuele geldigheid van de in Griekenland verkregen internationale beschermingsstatus van de verzoekers. In het licht daarvan zijn een samenwerking met de verzoekers, een verder onderzoek naar of een verificatie in Griekenland van de status van de verzoekers niet aan de orde. Om die reden is ook de door de verzoekers voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil. Uit de supra aangehaalde motivering voorgaande blijkt ook dat en waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het standpunt van de verzoekers niet volgt als zouden nader onderzoek en verificatie van hun statuut in Griekenland nodig zijn. Daarmee is voldaan aan de in artikel 149 van de Grondwet vervatte motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Tot slot kan verder worden opgemerkt dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt en derhalve niet zelf vermag na te gaan of de voorhanden zijnde gegevens al dan niet voldoende zekerheid bieden over de internationale beschermingsstatus van de verzoekers. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.346-2/3 BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.346-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.928 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.