id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.929 Rolnummer: A. 230816/XIV-38355 Zaak: Cassatiebeschikking 13929 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-11 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-14 08:08 Fiche Beschikking nr 13.929 van 17 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.929 van 17 september 2020 in de zaak A. 230.816/XIV-38.355 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Charlotte Verkeyn kantoor houdend te 8400 Oostende Kaïrostraat 85 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 28 mei 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 235.554 van 27 april 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 1 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Het eerste middel heeft enkel betrekking op de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker, meer bepaald wat de in artikel 48/4, § 2, c), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) bedoelde situatie van “ernstige bedreiging van het leven of de persoon van een burger als gevolg van willekeurig geweld […]” betreft. Met verwijzing naar rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie is verzoeker van oordeel dat de Raad voor XIV-38.355-1/6 Vreemdelingenbetwistingen in zijn beoordeling dienaangaande ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de persoonlijke omstandigheden van verzoeker die voor hem het risico, verbonden aan het willekeurig geweld, zouden verhogen. Verzoeker heeft in zijn eerste middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat zijn afkomst uit Afghanistan niet wordt betwist, dat hij op minderjarige leeftijd naar het Westen in gevlucht en hier de procedure heeft doorlopen als niet-begeleide minderjarige “waarbij hij hier ook reeds jaren naar school gaat en niet enkel bij terugkeer zal worden beschouwd als ‘verwesterd’ waardoor hij een effectief en ernstig risico loopt, maar ook daadwerkelijk de westerse normen opgenomen heeft en ‘verwesterd’ is”. Dit middel had uitsluitend betrekking op de vluchtelingenstatus en er werd enkel de schending van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet in opgeworpen, niet van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet. In zijn tweede middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verzoeker wel de schending opgeworpen van artikel 48/4 van de vreemdelingenwet en heeft hij letterlijk de hoger aangehaalde argumentatie betreffende zijn leeftijd, zijn schoolgaan en zijn “verwesterd” zijn herhaald. Verzoeker heeft wat dat betreft enkel laten gelden dat hij omwille van zijn persoonlijke situatie en de objectieve informatie een “ernstig risico […] loopt in het geval hem bescherming wordt ontzegd” en dat hij “wel degelijk nood aan bescherming [heeft]”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft de beide middelen, wat verzoekers supra aangehaalde argumentatie betreft, samen behandeld. Hij heeft hierbij overwogen “dat het Vluchtelingenverdrag en de bepalingen inzake subsidiaire bescherming niet inhouden dat een westerse levensstijl die in het gastland door louter tijdsverloop werd ontwikkeld, zondermeer aanleiding geeft tot de verlening van internationale bescherming”, dat “het gegeven dat men in zijn land van herkomst niet op dezelfde of vergelijkbare manier kan leven en dat rechten en vrijheden anders worden ingevuld, […] op zich onvoldoende is om als vluchteling te worden erkend”, dat “een zekere mate van verwestersing […] immers niet automatisch gelijk[staat] met een politieke of godsdienstige overtuiging of het behoren tot een bepaalde sociale groep omdat het niet steeds gaat om kenmerken die zo fundamenteel zijn voor de identiteit of morele integriteit van de vreemdeling, dat niet zou mogen worden verlangd dat hij deze laat varen”, dat “van een vreemdeling die bepaalde aspecten van een westerse levensstijl heeft overgenomen, mag worden gevraagd dat deze zich bij terugkeer naar het land van herkomst aanpast aan de daar geldende normen en waarden” en dat “het […] aan de verzoeker om internationale bescherming toe[komt] om aannemelijk te maken XIV-38.355-2/6 dat de verwestersing dermate fundamenteel is dat men niet redelijkerwijs van hem kan verlangen dat hij zich hiervan distantieert”. Specifiek met betrekking tot de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 48/4, § 2, a) en b), van de vreemdelingenwet wordt overwogen dat, “zoals hierboven reeds werd gesteld, […] omwille van het loutere gegeven dat verzoeker als minderjarige op het Belgische grondgebied is toegekomen en zijn voorgehouden verwestersing niet [kan] worden besloten dat er een reëel risico op ernstige schade bestaat bij terugkeer naar Afghanistan”. Uit de voornoemde motieven blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk verzoekers verblijf in het Westen en het voorgehouden “verwesterd” zijn in zijn beoordeling heeft betrokken om na te gaan of de subsidiaire beschermingsstatus al dan niet kan worden toegekend aan verzoeker. Verder blijkt dat verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts op algemene wijze naar zijn voornoemd profiel heeft verwezen om internationale bescherming te verkrijgen, maar nergens heeft aangehaald, laat staan nader heeft uiteengezet, dat hij door die persoonlijke omstandigheden een groter risico zou lopen indien hij het slachtoffer zou worden van willekeurig geweld. In die omstandigheden en rekening houdend met de algemene beoordeling van de door verzoeker aangevoerde persoonlijke omstandigheden, hoefde de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voor de beoordeling op grond van artikel 48/4, § 2, c), van de vreemdelingenwet niet meer uitdrukkelijk in te gaan op die persoonlijke omstandigheden. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen komt in punt 2.5.15 van het bestreden arrest op omstandig gemotiveerde wijze tot de conclusie dat Chamyar, het dorp waarvan verzoeker verklaart afkomstig te zijn en dat in het district Behsud ligt, tot het grootstedelijk gebied van Jalalabad moet worden gerekend. Daartoe wordt zowel ingegaan op de informatie in het administratief dossier als op de verklaringen en de stukken van verzoeker. Uit niets blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich heeft gesteund op bronnen buiten het rechtsplegingsdossier, waarvan het administratief dossier deel uitmaakt. Verzoeker betwist de bevinding dat Chamyar tot het grootstedelijk gebied van Chamyar mag worden gerekend, doch de Raad van State is als administratieve cassatierechter niet bevoegd om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. XIV-38.355-3/6 In het bestreden arrest staat niet te lezen dat de door verzoeker bij zijn aanvullende nota van 4 maart 2019 gevoegde film van een bij de overheid werkzaam familielid onduidelijk is. Wel overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.5.8 eerst dat de bij het verzoekschrift tot beroep gevoegde foto’s en video’s van een persoon in een militair uniform niet toelaten vast te stellen wie precies wordt afgebeeld, dat de foto van een persoon met een verband om zijn kin geen informatie bevat over de identiteit van de afgebeelde persoon, dat er geen familieband uit kan blijken tussen verzoeker en de afgebeelde personen en dat de foto’s niet van aard zijn om het uiterst vage profiel van verzoekers oom te herstellen. Verder stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat op de bij verzoekers aanvullende nota van 4 maart 2019 gevoegde video-opnames “een donkerharig individu een uiteenzetting geeft in het Pashtou en een politiedocument toont” doch dat deze opname niet als bewijs kan gelden van verzoekers asielrelaas “omwille van het gesolliciteerd karakter ervan én omwille van de onduidelijkheid over de persoon die de boodschap inspreekt en de inhoud ervan”. Onduidelijkheid over de persoon betekent niet dat de film op zich onduidelijk is. Het vormt geen tegenstrijdigheid om te oordelen dat een opname een gesolliciteerd karakter heeft, dit is op vraag van verzoeker lijkt te zijn gemaakt, en dat het onduidelijk is wie de betrokken persoon is. Wat verzoekers medicatie betreft, wordt in punt 2.5.12 van het bestreden arrest overwogen dat ter terechtzitting “verzoeker […] een foto neer[legt] van een verpakking van medicatie tegen insomnie die werd voorgeschreven (Circadin) (Aanvullende nota verzoeker IV, bijlage 26), maar [dat] het […] onduidelijk [is] welke invloed dit heeft op de bestreden beslissing”. Daarmee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan dat een foto van een verpakking van medicatie op zich niet volstaat om tot een andere beoordeling van de geloofwaardigheid van het asielrelaas te komen. Uit die beoordeling van de bewijswaarde van een stuk blijkt echter geen schending van artikel 39/76 van de vreemdelingenwet. Verzoeker verwijst naar zijn tweede aanvullende nota van 2 december 2019 waarop in het bestreden arrest niet zou zijn geantwoord. Deze nota vermeldt echter niets over de supra vermelde medicatie. Verder herhaalt verzoeker in die nota dat de supra vernoemde filmopname “een bijkomende opname [is] van het familielid werkzaam bij de overheid waarop hij zich legitimeert en ook een getuigenis aflegt namens verzoeker”. In het licht van de motivering dienaangaande in punt 2.5.8 van het bestreden XIV-38.355-4/6 arrest, maakt verzoeker niet aannemelijk dat zijn argumentatie uit de nota van 2 december 2019 niet zou zijn beantwoord in het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt vast dat verzoeker bij zijn aanvullende nota van 4 maart 2019 “een document toe[voegt] van dr. T.M. waarop gesprekstherapie wordt gevraagd omwille van posttraumatische stress-stoornis maar [dat] dit stuk […] niet gepaard [gaat] met een psychiatrische bevestiging van deze diagnose”. In zijn tweede aanvullende nota van 2 december 2019 merkt verzoeker op dat het de doorverwijzing voor therapie betreft ingevolge vaststelling van een posttraumatisch stresssyndroom, opgesteld door een dokter van het Rode Kruis en dat verzoeker “wel degelijk getraumatiseerd [is] door onveiligheid en vervolging in het land van herkomst”. Verzoeker herhaalt dus slechts zijn eigen standpunt. De voornoemde motivering van het bestreden arrest heeft er net betrekking op dat het slechts om een doorverwijzing gaat die niet is gevolgd door een psychiatrische bevestiging. Of het attest, dat dateert van 26 april 2018, door een arts van het Rode Kruis of door een andere arts is opgesteld, is daarbij niet relevant. Het doktersattest wordt dus niet “zomaar buiten spel” gezet, zoals verzoeker voorhoudt, doch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft als de reden het gebrek aan verdere opvolging op nà de doorverwijzing. Bovendien moet deze beoordeling worden gezien in het licht van de omstandige motieven over de (on-)geloofwaardigheid van verzoekers relaas. Wat de voorgehouden schending betreft van artikel 16 van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging van het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen’, heeft verzoeker volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “terloops” aangestipt dat het tweede gehoorverslag (daterend van 28 juli 2017) niet werd ondertekend door de protection officer, dat het om een substantieel vormgebrek gaat en dat anders elke garantie ontbreekt dat het afnemen van het gehoor gebeurde door de bevoegde persoon. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt hierop dat het voornoemde artikel 16 wat dat betreft geen sanctie voorziet en dat verzoeker geen belangenschade aantoont, nu de initialen “CCH” van de protection officer die het gehoorverslag van 21 april 2017 heeft ondertekend ook voorkomen in het niet-ondertekende verslag van 28 juli 2017 en nu dit laatste verslag vermeldt dat “CCH” verzoeker “opnieuw” welkom heeft geheten. Ingevolge het door verzoeker ingestelde beroep heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen kennis genomen van de zaak in zijn geheel, zonder gebonden te XIV-38.355-5/6 zijn door de motieven van de aanvankelijk bestreden beslissing. Verzoeker had de gelegenheid voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen alle opmerkingen te doen gelden inzake het niet-ondertekende gehoorverslag van 28 juli 2017 en eventuele onjuistheden of onvolmaaktheden aan te kaarten. Hij voert niet aan dat het bestreden arrest steunt op foutieve gegevens uit dit niet-ondertekend gehoorverslag. Verzoeker heeft derhalve geen belang bij zijn kritiek tegen het niet ondertekend zijn van het gehoorverslag van 28 juli
- Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.355-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.929 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div