← België

Cassatiebeschikking 13930 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.930 Rolnummer: A. 230823/XIV-38359 Zaak: Cassatiebeschikking 13930 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-30 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2026-06-14 08:08 Fiche Beschikking nr 13.930 van 17 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.930 van 17 september 2020 in de zaak A. 230.823/XIV-38.359 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Kati Verstrepen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 mei 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 234.836 van 3 april 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 17 juni 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. In het eerste onderdeel van het enige middel voert verzoekster aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet daadwerkelijk heeft geantwoord op haar kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM). XIV-38.359-1/4 De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen betrekt in het bestreden arrest uitdrukkelijk in zijn beoordeling “de ter terechtzitting neergelegde DNA-test, waaruit blijkt dat de heer C.M. met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid de biologische vader is van haar kind”, waarbij hij opmerkt dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging (met C.M.) kan doen en vervolgens overweegt dat verzoekster niet aantoont dat en waarom welke reden C.M. haarzelf en haar zoon niet zou kunnen vergezellen naar Guinee noch dat er hinderpalen zouden zijn om het voorgehouden gezinsleven in beider land van herkomst, dit is Guinee, te beleven. Dit alles betreft de beoordeling van de voorgehouden schending van artikel 8 van het EVRM, zodat verzoekster ten onrechte aanhaalt dat geen rekening is gehouden met haar gezinsleven met C.M. en met het bewijs van het vaderschap van C.M. ingevolge de overgelegde DNA-test. Wat de mogelijkheid voor C.M. betreft om verzoekster en het kind te vergezellen naar Guinee zodat het gezinsleven aldaar kan worden uitgeoefend, merkt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog op dat C.M. “dezelfde nationaliteit heeft en hij zelfs naar Guinee afreisde om daar met verzoekster te huwen, nadat de huwelijksvoltrekking werd geweigerd in België”. Hieruit blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoeksters kritiek dat C.M. slechts een IQ van 46 en een job in een beschutte werkplaats heeft en ook voor zijn moeder in België zorgt, niet aanvaardt als reden waarom C.M. verzoekster niet zou kunnen vergezellen naar Guinee. Wat het hoger belang van het kind betreft, neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in aanmerking dat het kind bij zijn moeder kan blijven en dat niet is aangetoond dat een terugkeer naar verzoeksters land van herkomst een dermate verstorend effect zou hebben op het kind dat dit zou indruisen tegen zijn belangen. Zoals uit het bovenstaande blijkt, betrekt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierbij ook het vaderschap van C.M., de mogelijkheid om gezinshereniging in België te vragen en de mogelijkheid om samen het gezinsleven uit te oefenen in Guinee. Uit het voorgaande volgt dat verzoekster, wat de aangevoerde schending van artikel 8 van het EVRM betreft, geen schending aantoont van de jurisdictionele motiveringsplicht. Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, en spreekt hij zich dus niet uit over de vraag of er al dan niet hindernissen zijn om een gezinsleven in Guinee te beleven. XIV-38.359-2/4 Het eerste onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  2. In het tweede onderdeel van het enige middel voert verzoekster aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet daadwerkelijk heeft geantwoord op haar kritiek tegen de aanvankelijk bestreden beslissing met betrekking tot de voorgehouden schending van artikel 14 van het VN-verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 10 december 1984 (hierna: het VN-verdrag tegen foltering). Verzoekster heeft voor de eerste rechter ter adstructie van de voorgehouden schending van artikel 14 van het VN-verdrag tegen foltering aangevoerd dat zij reeds aan foltering werd onderworpen, dat zij medische en psychologische, volgens haar gynaecoloog intensieve multidisciplinaire behandeling met gespecialiseerde kinesitherapie, nodig heeft en dat zij bij een terugkeer naar Guinee met een inreisverbod niet de nodige toegang zou hebben hiertoe. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen antwoordt dat verzoekster, die zelf erop wees dat geen inreisverbod mag worden opgelegd indien dit ingaat tegen het recht op internationale bescherming zoals gedefinieerd in onder meer artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, geen aanvraag heeft ingediend op grond van het voornoemde artikel 9ter en dat verzoekster in gebreke blijft aan te tonen dat zij thans voor de aangehaalde medische en psychologische problemen in België behandeld wordt en dat dergelijke behandeling voor haar niet beschikbaar of toegankelijk zou zijn in het land van herkomst. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat verzoekster niet méér heeft verklaard dan dat zij pijn heeft omdat ze besneden is, doch in het kader van het voorgaande terugkeerbesluit geen enkele melding daarvan heeft gemaakt. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht artikel 14 van het VN-verdrag tegen foltering niet geschonden. Met de voornoemde motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk aan waarom hij artikel 14 van het VN-verdrag tegen foltering niet geschonden acht, zodat is voldaan aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Verzoekster toont niet aan dat door deze beoordeling het begrip foltering XIV-38.359-3/4 zoals opgenomen in het voornoemde verdrag zou zijn geschonden. Als administratieve cassatierechter is de Raad van State overigens niet bevoegd om zelf in de beoordeling van de zaak te treden en de feitelijke beoordeling door de eerste rechter over te doen. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.359-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.930 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.