id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.931 Rolnummer: A. 231032/XIV-38384 Zaak: Cassatiebeschikking 13931 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-14 08:08 Fiche Beschikking nr 13.931 van 17 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.931 van 17 september 2020 in de zaak A. 231.032/XIV-38.384 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Micholt kantoor houdend te 8000 Brugge Maria van Bourgondiëlaan 7B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 juni 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 235.840 van 13 mei 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Algemeen bekende feiten zijn feiten die ieder ontwikkeld mens kent of uit algemeen toegankelijke bronnen kan kennen. De rechter mag dergelijke feiten steeds betrekken in zijn beslissing, doch het vormt geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht om zich niet ambtshalve, dus zonder dat een partij er melding van heeft gemaakt, te beroepen op dergelijke feiten. Dit daargelaten de vraag of de door verzoeker voorgehouden gevolgen van het COVID-19-virus in de Gazastrook en/of in Griekenland een feit van algemene bekendheid waren en daargelaten de vaststelling dat verzoeker zelf deze XIV-38.384-1/3 kwestie niet heeft aangehaald voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en evenmin een heropening van het debat heeft gevraagd omwille van deze kwestie. Verzoeker vermag er zich dan ook niet voor het eerst op te beroepen in de graad van administratieve cassatie. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Uit de behandeling van het eerste middel blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet verplicht was ambtshalve rekening te houden met de door verzoeker voorgehouden gevolgen van het COVID-19-virus in de Gazastrook en/of in Griekenland. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- De bescherming op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), houdt te dezen in dat, wanneer zou worden vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker een reëel risico loopt om in Griekenland een behandeling te ondergaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, hij niet naar dat land mag worden teruggeleid. Bij een toetsing aan artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht of er een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico bestaat op blootstelling van de betrokkene aan een behandeling of bestraffing in strijd met die verdragsbepaling. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle specifieke feiten en omstandigheden van de zaak, ook in hoofde van de betrokkene zelf. Verzoeker laat gelden dat hij “allerlei objectieve informatie” heeft aangevoerd en “tijdens zijn persoonlijk onderhoud bij de verwerende partij uitgebreide verklaringen [heeft] afgelegd over zijn ervaringen in Griekenland”, die werd “ondersteund met verschillende bronnen”, doch waarmee in het bestreden arrest “onvoldoende rekening [werd] gehouden”. Verzoeker beperkt zich daarmee tot een zeer algemene bevestiging van zijn eigen standpunt, zonder in te gaan op de concrete motieven van het bestreden arrest. In die motieven wordt omstandig en concreet ingegaan op verzoekers persoonlijke situatie en zijn levensomstandigheden in Griekenland, ook aan de hand van verzoekers eigen verklaringen. Verzoeker maakt met zijn algemene kritiek geen schending aannemelijk van artikel 3 van het EVRM noch van een andere door hem aangehaalde bepaling of beginsel. XIV-38.384-2/3 Het derde middel is kennelijk ongegrond.
- Verzoeker haalt in essentie een schending van artikel 8 van het EVRM aan omdat hij in België werd herenigd met zijn broer en vader, die beiden als vluchteling werden erkend, en omdat hij instaat voor de verzorging van zijn vader. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen schending opgeworpen van artikel 8 van het EVRM noch zich beroepen op een gezinssituatie of de noodzaak van hulp aan zijn vader. Hij vermag zich derhalve niet voor het eerst hierop te beroepen in de graad van administratieve cassatie. Het vierde middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.384-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.931 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div