id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 17 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.932 Rolnummer: A. 231324/XIV-38425 Zaak: Cassatiebeschikking 13932 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 17/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-09-30 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-14 08:09 Fiche Beschikking nr 13.932 van 17 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.932 van 17 september 2020 in de zaak A. 231.324/XIV-38.425 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Franz Geleyn kantoor houdend te 1060 Brussel Henri Jasparlaan 109 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.006 van 16 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Op grond van artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging bij de Raad voor vreemdelingenbetwistingen en de schriftelijke behandeling van de zaken’ (hierna: het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020) kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, indien toepassing wordt gemaakt van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging XIV-38.425-1/4 en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), tijdens de in artikel 2, eerste lid, van het voornoemd koninklijk besluit bepaalde periode, uitspraak doen zonder openbare terechtzitting, en dit tot zestig dagen na het verstrijken van die periode. Artikel 3, zesde lid, van het meergenoemd koninklijk besluit voorziet dat, “indien een partij in toepassing van voormeld artikel 39/73 voor de inwerkingtreding van dit besluit heeft gevraagd te worden gehoord en er nog geen zitting heeft plaatsgevonden, […] de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partij bij beschikking uit[nodigt] om een pleitnota over te maken binnen de 15 dagen na de verzending van de beschikking” en dat, “indien de betrokken partij nalaat een pleitnota over te maken […] hij [wordt] geacht afstand te hebben gedaan van zijn vraag tot horen”. De einddatum van deze regeling, oorspronkelijk 18 mei 2020, werd door artikel 1 van het koninklijk besluit van 26 mei 2020 ‘tot verlenging van sommige maatregelen genomen bij het Koninklijk Besluit nr. 19 van 5 mei 2020 met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging bij de Raad voor vreemdelingenbetwistingen en de schriftelijke behandeling van de zaken’ verlengd tot en met 30 juni
- Uit het rechtsplegingsdossier blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met een ter post aangetekende brief van 27 maart 2020 een met toepassing van artikel 39/73, §§ 1 en 2, van de vreemdelingenwet genomen beschikking naar verzoeker heeft gestuurd en dat deze laatste met een ter post aangetekende brief van 3 april 2020, verstuurd op 6 april 2020, heeft gevraagd om te worden gehoord. Met een e-mail van 12 mei 2020, dezelfde dag ontvangen op verzoekers gekozen woonplaats, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een beschikking van 11 mei 2020 naar verzoeker gestuurd waarin deze laatste met toepassing van artikel 3, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020 wordt uitgenodigd een pleitnota over te maken binnen de 15 dagen. Verzoeker heeft met een ter post aangetekende brief van 18 mei 2020 (en nogmaals per e- mail op 21 mei 2020) een pleitnota gestuurd naar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarin hij verwijst naar de voornoemde met toepassing van artikel 3, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020 genomen beschikking en waarin hij enkel stelt dat hij “door middel van huidige pleitnota, […] zich eraan houdt u te informeren dat hij verwijst naar de integraliteit van de geschreven stukken in zijn procedure en de voortzetting van de procedure verzoekt”. Verzoeker was er dus van op de hoogte dat de procedure verder schriftelijk zou worden behandeld met toepassing van de genoemde bepalingen van het XIV-38.425-2/4 koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei
- Hij heeft daartegen geen enkel bezwaar geopperd of zelfs maar enig voorbehoud laten gelden doch enkel verwezen naar “de geschreven stukken”. Indien verzoeker enige onwettigheid meende te ontwaren in (de toepassing van) die procedure, was hij in de gelegenheid zulks te laten gelden in zijn pleitnota. Nu hij zulks heeft nagelaten te doen, vermag verzoeker niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie een middel of middelonderdeel op te werpen dat is gericht tegen de toepassing van de meergenoemde procedure. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- Verzoeker heeft de in het eerste middelonderdeel voorgehouden omstandigheden, bestaande uit de moeilijkheid ingevolge de COVID-19-crisis om binnen de 15 dagen overleg te hebben met zijn raadsman ter voorbereiding van zijn pleitnota, op geen enkel ogenblik laten gelden, ook niet in zijn pleitnota van 18 mei
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen was er in het kader van de jurisdictionele motiveringsplicht dan ook geenszins toe gehouden, en zelfs niet in de mogelijkheid, daarover te motiveren. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Hoewel verzoeker met de beschikking van 11 mei 2020 op de hoogte werd gebracht van de rechtsgrond voor de uitnodiging om een pleitnota in te dienen en voor de schriftelijke behandeling van de zaak, heeft hij in zijn pleitnota niet het minste bezwaar geopperd daartegen. Hij vermag zich dan ook niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie te beroepen op een schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de toepassing van de in artikel 3, zesde lid, van het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020 voorziene procedure. Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk. XIV-38.425-3/4 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeventien september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.425-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.932 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div