← België

Cassatiebeschikking 13938 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.938 Rolnummer: A. 231379/XIV-38433 Zaak: Cassatiebeschikking 13938 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-01 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-14 08:09 Fiche Beschikking nr 13.938 van 23 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.938 van 23 september 2020 in de zaak A. 231.379/XIV-38.433 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justine Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 24 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.473 van 25 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. Waar de verzoekers aanvoeren dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de “authenticiteit” van de door hen overgelegde stukken had moeten onderzoeken, blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de herkomst of de echtheid van die stukken als dusdanig betwist, maar zich slechts uitspreekt over de bewijswaarde ervan en dit op grond van meerdere motieven. In concreto sluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aan bij de beoordeling in de aanvankelijk bestreden XIV-38.433-1/3 beslissing, waarbij hij overweegt dat het gegeven dat de verzoekers in het kader van hun huidig verzoek om internationale bescherming louter bijkomende verklaringen aanhalen die volledig in het verlengde liggen van iets dat (bij de definitief geworden beoordeling van het vorige verzoek om internationale bescherming) op geen enkele wijze als aangetoond is beschouwd, op zich geen afbreuk doet aan de vastgestelde ongeloofwaardigheid. Hij oordeelt dat geen bewijswaarde kan worden gehecht aan de twee door de verzoekers overgelegde oproepingsbrieven omdat documenten enkel een ondersteunende “bewijswaarde” hebben indien ze gepaard gaan met geloofwaardige verklaringen, die te dezen ontbreken, en dat verder afbreuk wordt gedaan aan de “bewijswaarde” van deze documenten gelet op de vaststelling dat Oekraïne gekenmerkt wordt door een hoge graad van corruptie. Het behoort tot de soevereine beoordelingsbevoegdheid van de feitenrechter, te dezen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen die uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid, om zich uit te spreken over de bewijswaarde van een document. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een aantal andere zaken een grotere bewijswaarde aan bepaalde in die zaken overgelegde documenten zou hebben toegekend, doet hieraan geen afbreuk en kan niet leiden tot de onwettigheid van het bestreden arrest. Evenmin vergt dit een bijzondere motivering, vermits de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich enkel diende uit te spreken over de bewijswaarde van de in de huidige zaak overgelegde documenten. De motieven hiervoor blijken alleszins duidelijk uit het bestreden arrest. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt eveneens soeverein of hij over de nodige gegevens beschikt om de bewijswaarde van de door een partij overgelegde stukken te beoordelen, dan wel of hij met toepassing van artikel 39/76, § 2, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ de aanvankelijk bestreden beslissing vernietigt en ze terugstuurt naar de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. Voor zover de verzoekers het oneens zijn met de door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gemaakte beoordeling van de bewijswaarde van hun documenten uit Oekraïne, maken zij geen schending aannemelijk van de aangevoerde supranationale bepalingen. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter XIV-38.433-2/3 immers niet in de beoordeling van de zaak zelf, te dezen de beoordeling van de bewijswaarde van bepaalde stukken. Het enige middel is in zijn beide onderdelen, voor zover ontvankelijk, ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.433-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.938 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.