← België

Cassatiebeschikking 13939 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.939 Rolnummer: A. 230967/XIV-38375 Zaak: Cassatiebeschikking 13939 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-02 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-14 08:10 Fiche Beschikking nr 13.939 van 23 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.939 van 23 september 2020 in de zaak A. 230.967/XIV-38.375 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Rahim Aktepe kantoor houdend te 2000 Antwerpen Amerikalei 95 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 mei 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 234.831 van 3 april 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De wet van 29 juni 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’, artikel 62 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel en de materiëlemotiveringsplicht als algemene beginselen van behoorlijk bestuur zijn niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Als administratieve cassatierechter vermag de Raad XIV-38.375-1/3 van State niet in de beoordeling van de zaak zelf te treden door te oordelen of de annulatierechter al dan niet terecht heeft besloten dat de voornoemde bepalingen en beginselen niet werden geschonden met de aanvankelijk bestreden beslissing. Dat verzoeker wat die beoordeling door de eerste rechter betreft een andere visie heeft, houdt niet in dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de inhoud van één van de voornoemende bepalingen of beginselen zou hebben geschonden. Het enige middel is in die mate kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. Verzoeker betwist niet dat hij een aanvraag van een verblijfskaart van een familielid van een burger van de Unie heeft ingediend te Antwerpen op 27 augustus 2019, toen hij de leeftijd van 21 jaar reeds had bereikt. Hieraan wordt geen afbreuk gedaan door het feit dat verzoeker reeds voordien een aanvraag voor een visum type C had ingediend, vermits dit visum enkel de toegang tot het grondgebied en een kort verblijf mogelijk maakt doch geen aanvraag tot gezinshereniging inhoudt noch enig recht doet ontstaan wat de gezinshereniging of het verkrijgen van een verblijfskaart betreft. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft artikel 40bis van de vreemdelingenwet niet geschonden door als datum van verzoekers aanvraag van een verblijfskaart van een burger van de Unie 27 augustus 2019 in aanmerking te nemen en te oordelen dat verzoekers aanvraag voor een visum kort verblijf type C met het oog op familiebezoek geen afbreuk doet aan die vaststelling vermits “het toegekende visum kort verblijf met het oog op familiebezoek […] slechts [werd] toegestaan voor een periode van 90 dagen en […] geen enkel verband [houdt] met de bestreden beslissing”. Het enige middel is in die mate kennelijk ongegrond.
  3. In ondergeschikte orde laat verzoeker gelden dat “hij wel degelijk de nodige bewijsstukken heeft overgemaakt – ook al was dit eigenlijk niet nodig en voldeed hij reeds aan de voorwaarden tot gezinshereniging cf. artikel 40bis Vreemdelingenwet op het ogenblik dat zijn visum werd goedgekeurd”. Verzoeker herhaalt hierbij letterlijk zijn kritiek uit het verzoekschrift tot nietigverklaring tegen de beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing van de stukken waaruit zou moeten blijken dat hij ten laste was van zijn vader. XIV-38.375-2/3 Verzoeker vraagt daarmee in wezen dat de Raad van State in de beoordeling van de zaak zelf zou treden door zich uit te spreken over de bewijswaarde van de bijgebrachte stukken wat het ten laste zijn betreft en over de redelijkheid van de beoordeling door de eerste rechter van die stukken. Daarenboven gaat verzoeker volledig voorbij aan de concrete motieven dienaangaande van het bestreden arrest. Hij toont derhalve ook geen schending aan van artikel 40bis van de vreemdelingenwet. Het enige middel is in die mate, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  4. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  5. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.375-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.939 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.