← België

Cassatiebeschikking 13942 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/09/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.942 Rolnummer: A. 230777/XIV-38343 Zaak: Cassatiebeschikking 13942 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-06 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-14 08:11 Fiche Beschikking nr 13.942 van 23 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.942 van 23 september 2020 in de zaak A. 230.777/XIV-38.343 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sonila Tuci kantoor houdend te 1050 Brussel Gulden Vlieslaan 21 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 maart 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 231.013 van 9 januari 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker citeert een fragment uit zijn beroepschrift bij het hof van beroep te Shköder (Albanië) en vertaalt dit vrij dat hij niet akkoord ging met de in eerste aanleg genomen beslissing “die [hij] betwist vermits het een beslissing is in strijd en in overschrijding van de feiten en bewijzen voorgelegd ter zitting”. Hieruit kan echter niet worden afgeleid dat verzoeker in dat beroepschrift gewag zou hebben gemaakt van het feit dat bepaalde getuigen zouden zijn uitgesloten. Verzoeker toont dan ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in punt 2.2.3.2 van het bestreden arrest op onwettige wijze XIV-38.343-1/3 heeft vastgesteld “dat noch in het verzoekschrift waarmee haar advocaat beroep aantekende tegen het vonnis in eerste aanleg […], noch in het cassatieverzoekschrift […] de door verzoekende partij beweerde onregelmatigheden worden vermeld” of op onwettige wijze heeft vastgesteld dat “in tegenstelling tot wat verzoekende partij beweert, […] nergens in de verzoekschriften gewag [wordt] gemaakt van het feit dat bepaalde getuigen zouden zijn uitgesloten en dat een getuige instructies zou hebben gekregen van de procureur”. Verzoeker gaat ook niet in op de diverse concrete elementen uit de aanvankelijk bestreden beslissing, waarnaar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest naar verwijst en waarbij hij zich uitdrukkelijk aansluit. Verzoeker beperkt zich verder tot de algemene stelling dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden “met de stukken van dit dossier en middelen die in het beroepsverzoekschrift aangevoerd werden” doch zonder concreet aan te geven welke elementen op onwettige wijze buiten beschouwing zouden zijn gelaten. Hij maakt daarmee geen schending aannemelijk van één van de in het opschrift van het middel aangehaalde bepalingen, daargelaten de vraag of ze allemaal van toepassing zijn op het bestreden arrest. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  2. In de mate dat verzoeker zich richt tegen de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing, is het tweede middel niet gericht tegen het bestreden arrest en derhalve kennelijk niet-ontvankelijk. Verzoeker gaat er ook aan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen krachtens de devolutieve werking van het beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing kennis heeft genomen van de zaak in haar geheel en uitspraak heeft gedaan met hervormingsbevoegdheid. Verder lijkt verzoeker nog op algemene wijze de beoordeling van de zaak door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan te vechten, doch zonder in te gaan op de concrete motieven van het bestreden arrest. Hij toont dan ook geen onwettigheid aan in het bestreden arrest, daargelaten de vaststelling dat niet alle door verzoeker ingeroepen bepalingen en beginselen van toepassing zijn op jurisdictionele beslissingen zoals te dezen. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.343-2/3 BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.343-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.942 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.