id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 september 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.943 Rolnummer: A. 231205/XIV-38412 Zaak: Cassatiebeschikking 13943 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/09/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-02 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-14 08:12 Fiche Beschikking nr 13.943 van 23 september 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.943 van 23 september 2020 in de zaak A. 231.205/XIV-38.412 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Elisabeth van der Haert kantoor houdend te 1040 Etterbeek Louis Schmidtlaan 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 236.282 van 2 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 22 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- In het verzoekschrift tot beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing heeft verzoekster aangevoerd dat “in de bestreden beslissing, […] verwerende partij van mening [is] dat verzoekster haar herkomst uit het dorp Jacar in het district Ceel Buur van de provincie Galgadud niet aannemelijk maakt” en dat verzoekster “in de loop van de huidige procedure, zal […] proberen om nieuwe documenten neer te leggen die haar herkomst uit deze regio zouden kunnen bewijzen”. Zij heeft zich in dat verzoekschrift tevens beroepen op artikel 48/6 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het XIV-38.412-1/3 grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) en dienaangaande laten gelden dat haar met de aanvankelijk bestreden beslissing het voordeel van de twijfel werd geweigerd ondanks de ernst van de ingeroepen vrees en dat “reeds herhaalde keren werd geoordeeld dat zelfs indien twijfel bestaat omtrent bepaalde omstandigheden in het relaas van een verzoeker, de ingeroepen vrees voldoende aannemelijk kan zijn om de toepassing van het voordeel van de twijfel in hoofde van de verzoek[st]er te rechtvaardigen”. Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens een “aanvullende nota” ingediend waarin zij opnieuw aanhaalt dat “in de bestreden beslissing, […] verwerende partij van mening [is] dat verzoekster haar herkomst uit het dorp Jacar in het district Ceel Buur van de provincie Galgadud niet aannemelijk maakt” en dan stelt dat zij “om haar herkomst uit het dorp Jacar te bewijzen, […] aan haar familie [heeft] gevraagd om video’s te maken in het dorp Jacar” en dat “dit […] de enige manier [is] die verzoekster gevonden heeft om haar herkomst uit Jacar aannemelijk te maken, waarna zij in het kort aangeeft wat er op de bijgebrachte video’s is te zien. In antwoord hierop overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest dat het bij verzoeksters voornoemde aanvullende nota gevoegde beeldmateriaal een uiterst gesolliciteerd karakter vertoont, dat verzoekster de video’s pas op het laatst mogelijke moment van de procedure heeft bijgebracht zonder enige verklaring te geven voor dit tijdsverloop, dat de beelden geen impact hebben op de vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissing, dat dergelijk bewijs gemakkelijk valt te manipuleren, dat uit geen enkel objectief of overtuigend element blijkt dat het beeldmateriaal zou zijn gemaakt in Jacar en dat verzoekster nergens in levenden lijve voorkomt op de beelden. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in navolging van de aanvankelijk bestreden beslissing aanneemt dat verzoekster haar afkomst uit Jacar niet bewijst en vervolgens op grond van de supra aangehaalde motieven oordeelt dat ook het nadien bijgebrachte beeldmateriaal dat bewijs niet levert, heeft hij geen verkeerde lezing gegeven aan artikel 48/6, § 4, van de vreemdelingenwet door op grond van die aangehaalde motieven te besluiten dat niet is voldaan aan de cumulatieve voorwaarden voor de toepassing van deze laatste bepaling en dat dit niet gestaafde aspect van verzoeksters verklaringen (haar afkomst uit Jacar) derhalve niet kan worden aanvaard. XIV-38.412-2/3 Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of hij een beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning als vluchteling en tot weigering van de vluchtelingenstatus kan bevestigen of hervormen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. De beoordeling van de bewijswaarde van door een partij bijgebracht beeldmateriaal behoort eveneens tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. De Raad van State vermag zich als administratieve cassatierechter niet in de plaats te stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te bepalen of al dan niet nader onderzoek nodig is van beeldmateriaal dat volgens verzoekster in Jacar zou zijn genomen en waaruit haar verblijf aldaar zou moeten blijken. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig september tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.412-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.943 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div