← België

Cassatiebeschikking 13986 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.986 Rolnummer: A. 231010/XIV-38383 Zaak: Cassatiebeschikking 13986 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-19 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-14 20:58 Fiche Beschikking nr 13.986 van 6 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.986 van 6 oktober 2020 in de zaak A. 231.010/XIV-38.383 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marie Doutrepont kantoor houdend te 1210 Brussel Haachtsesteenweg 55 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 juni 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 235.796 van 8 mei 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in een eerste middel laten gelden dat zijn vierjarige dochter als vluchteling werd erkend, dat die erkenning impliceert dat haar ouders niet in staat zijn haar te beschermen tegen het risico op vervolging, dat om die reden ook verzoekers echtgenote werd erkend als vluchteling en dat verzoeker zelf behoort tot “de specifieke sociale groep van ouders die gekant zijn tegen [vrouwelijke genitale verminking] op hun minderjarige dochters”. In een tweede middel heeft verzoeker zich beroepen op “het beginsel van hoger belang van het kind en van de XIV-38.383-1/6 gezinseenheid”, hetgeen hij uitgebreid heeft toegelicht in het kader van de aanbevelingen van de Conferentie van Gevolmachtigden van de Verenigde Naties over de status van vluchtelingen en staatlozen en van het Bureau van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de vluchtelingen. Verzoeker is daarbij omstandig ingegaan op de afgeleide vluchtelingenstatus, het nuttig effect van de beschermingsstatus en het begrip “gezinsleden” in richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95). Daarmee heeft verzoeker aanspraak gemaakt op internationale bescherming en heel zijn betoog had daarop betrekking. Verzoeker heeft zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter niet beroepen op de in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), bedoelde bescherming van het privé-, gezins- of familieleven. Verzoeker toont niet aan dat hij niet in de mogelijkheid was een schending op te werpen van artikel 8 van het EVRM en hij vermag die schending derhalve niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie op te werpen. Om dezelfde reden vermag verzoeker niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie een schending van artikel 7 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie op te werpen. Verzoeker werpt tevens een schending op van artikel 13 van het EVRM. Vermits verzoeker daarnaast, behalve een niet-ontvankelijk bevonden schending van artikel 3 van het EVRM, geen schending opwerpt van een ander door het EVRM beschermd recht, kan hij zich niet dienstig op het voornoemde artikel 13 beroepen. Het eerste middel is kennelijk niet-ontvankelijk.
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet XIV-38.383-2/6 relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast “dat noch artikel 23 van de Richtlijn 2011/95/EU noch enige interne of internationale rechtsnorm die door verzoeker wordt ingeroepen, voorschrijft dat aan de familieleden van een persoon die internationale bescherming geniet hetzelfde statuut moet worden verleend dan aan deze laatste”, dat de artikelen 23.2 en 24.1, tweede lid, van richtlijn 2011/95 “net de mogelijkheid voorzien dat gezinsleden van de persoon die internationale bescherming geniet zelf deze beschermingsstatus niet krijgen doch dat hen overeenkomstig de nationale procedures een verblijfstitel wordt gegeven die minder dan drie jaar geldig kan zijn” en dat verzoeker “dient gebruik te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezinssituatie”. Met die overwegingen geeft de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen duidelijk aan dat - en waarom - hij van oordeel is dat de Belgische regelgeving qua verblijfsmogelijkheden voldoet aan de voorwaarden van artikel 23 van richtlijn 2011/
  3. Verzoeker maakt wat dat betreft geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht aannemelijk. Het eerste onderdeel van het tweede middel is kennelijk ongegrond.
  4. Verzoeker houdt voor dat de Belgische wetgever geen sui generis- statuut heeft ingevoerd om artikel 23 van richtlijn 2011/95 specifiek om te zetten waardoor de gezinsleden van een persoon die internationale bescherming geniet aanspraak zouden kunnen maken op de in de artikelen 24 en 25 van de voornoemde richtlijn vermelde voordelen. Verzoeker laat gelden dat de rechter daarom artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) moet interpreteren conform artikel 23 van richtlijn 2011/95 en dat “de toekenning van een internationale beschermingsstatus aan de gezinsleden van een persoon die internationale bescherming geniet, […] het enige mechanisme [is] dat, zoals vereist door artikel 23 [van richtlijn 2011/95] ervoor zorgt dat de eenheid van gezin wordt gehandhaafd en dat de in de artikelen 24 tot en met 35 van dezelfde richtlijn bedoelde voordelen voor de gezinsleden worden gewaarborgd”. XIV-38.383-3/6 In het gedeeltelijk door verzoeker geciteerde arrest merkt het Hof van Justitie van de Europese Unie echter op “dat richtlijn 2011/95 niet voorziet in een dergelijke uitbreiding van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus tot de gezinsleden aan wie deze status is verleend” en dat “uit artikel 23 van deze richtlijn […] immers voort[vloeit] dat deze richtlijn ertoe beperkt blijft de lidstaten te verplichten hun nationale recht zodanig vorm te geven dat gezinsleden in de zin van artikel 2, onder j), van deze richtlijn, van degene die een dergelijke status geniet, indien zij niet individueel de voorwaarden voor verkrijging van de status vervullen, aanspraak kunnen maken op bepaalde voordelen, waaronder met name de afgifte van een verblijfstitel, toegang tot werkgelegenheid of toegang tot onderwijs, die ertoe strekken het gezin in stand te houden”. (HvJ 4 oktober 2018, nr. C-652/16, Ahmedkova, nr. 68) Uit dit arrest blijkt in de eerste plaats dat richtlijn 2011/95 net geen verplichting inhoudt om de hoger omschreven gezinsleden te erkennen als vluchteling of hen de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Dienaangaande oordeelt het Hof immers dat artikel 3 van richtlijn 2011/95 de lidstaten “toestaat” te bepalen dat, indien internationale bescherming wordt verleend aan een gezinslid, het genot van deze bescherming wordt uitgebreid tot andere gezinsleden, mits zij niet onder één van de in artikel 12 van deze richtlijn genoemde uitsluitingsgronden vallen en hun situatie, wegens de behoefte om het gezin in stand te houden, een verband toont met de logica van de internationale bescherming. Er bestaat dus alleszins geen verplichting tot erkenning of toekenning van internationale bescherming aan gezinsleden van een persoon die zelf die bescherming geniet. Vervolgens bevatten de artikelen 23 en 24 van richtlijn 2011/95 geen verplichting tot het verstrekken van een sui generis-verblijfstitel aan gezinsleden van als dusdanig erkende vluchtelingen. In dat opzicht faalt verzoekers kritiek naar recht. Het voornoemde artikel 24 voorziet integendeel dat de aan die gezinsleden af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig en verlengbaar kan zijn. Gezien de duidelijke inhoud van de voornoemde bepalingen enerzijds en van de voornoemde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie anderzijds, dient over het voorgaande geen prejudiciële vraag meer te worden gesteld aan dat Hof. Verzoeker voert nog aan dat de Belgische verblijfsregelgeving niet zou volstaan, doch uit niets blijkt dat hij ooit een aanvraag voor een verblijfstitel heeft XIV-38.383-4/6 ingediend als gezinslid van zijn echtgenote en kind, die wel als vluchteling werden erkend (laat staan dat hem een verblijfstitel zou zijn geweigerd of dat dergelijke verblijfstitel niet zou voldoen aan de door richtlijn 2011/95 gestelde vereisten). Nochtans zet verzoeker zelf uiteen dat zijn echtgenote en kind in 2017 in België werden erkend als vluchteling en dat hijzelf in 1994 naar België was teruggekeerd, er heeft gewerkt tot december 2017 en er in april 2018 (enkel) een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn kritiek dat de mogelijkheden om in België een verblijfstitel te krijgen niet zouden volstaan. De motieven in het bestreden arrest dat “het doel van de asielprocedure niet is om het recht op eerbiediging van het gezinsleven te horen bevestigen”, dat “elk verzoek om internationale bescherming individueel wordt onderzocht”, dat “verzoekende partij zich niet zonder meer kan steunen op de erkenning als vluchteling van haar vader” en dat “verzoekende partij gebruik dient te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezinssituatie” zijn derhalve niet onwettig in het licht van het bovenstaande. Het tweede onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
  5. Wat het antwoord op verzoekers argumentatie betreft dat de weigering van internationale bescherming in strijd zou zijn met het hoger belang van zijn vier kinderen, kan mutatis mutandis worden verwezen naar de behandeling van het eerste onderdeel van het tweede middel. Het eerste onderdeel van het derde middel is kennelijk ongegrond.
  6. Daargelaten de vraag naar de rechtstreekse werking van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind en van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, dient te worden vastgesteld dat met het bestreden arrest enkel uitspraak is gedaan over de vraag of verzoeker voldoet aan de voorwaarden om internationale bescherming te verkrijgen, op het ogenblik dat zijn echtgenote en kinderen reeds zijn erkend als vluchteling. Uit de behandeling van het tweede onderdeel van het tweede middel blijkt dat deze laatste omstandigheid op zich niet volstaat om ook verzoeker als dusdanig te erkennen. XIV-38.383-5/6 Opnieuw blijkt niet dat verzoeker enige aanvraag voor een verblijfstitel, behalve dat verzoek om internationale bescherming, heeft ingediend, waarin hij zich onder meer zou hebben beroepen op de eenheid van het gezin of het belang van zijn kinderen. A fortiori blijkt niet dat hem dergelijke verblijfstitel zou zijn geweigerd of dat de Belgische regelgeving zich zou verzetten tegen dergelijke verblijfstitel. In die mate heeft verzoeker geen belang bij zijn kritiek. Het tweede onderdeel van het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.383-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.986 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.