id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.987 Rolnummer: A. 231111/XIV-38402 Zaak: Cassatiebeschikking 13987 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-14 20:58 Fiche Beschikking nr 13.987 van 6 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.987 van 6 oktober 2020 in de zaak A. 231.111/XIV-38.402 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justine Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 235.969 van 25 mei 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermeldt in het bestreden arrest dat “verzoeker in het kader van zijn tweede verzoek om internationale bescherming vier stukken neer[legde], namelijk een nationaliteitsbewijs, een geboorte-attest, een attest van zijn school en een attest van zijn ‘Mokhtar’ […]”. Dienaangaande overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgens concreet dat “het neergelegde nationaliteits- bewijs en de geboorteakte uit 2014, een schoolattest dat bevestigt dat verzoeker tot 2002 school liep en de getuigenis van de Mokhtar, die een gesolliciteerd karakter vertoont, […] XIV-38.402-1/3 bezwaarlijk als overtuigend bewijsstukken [kunnen] worden beschouwd om aan te tonen dat voor verzoeker het district Sinjar in de provincie Ninewa als relevante regio van herkomst dient te worden beschouwd bij de beoordeling van zijn actuele behoefte aan internationale bescherming”. Slechts daarna wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “verder” op informatie uit het administratief dossier waaruit blijkt dat documenten in Irak makkelijk in vervalste vorm kunnen worden gekocht. Anders dan verzoeker voorhoudt, baseert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich dus niet “uitsluitend op het gebrek aan geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoeker in het kader van zijn eerste verzoek om internationale bescherming, alsmede op de aanwezigheid van corruptie in Irak”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt immers vast dat de verklaring van de Mokhtar een gesolliciteerd karakter heeft en dat uit de andere stukken, die enkel betrekking hebben op de periode tot 2002, niet blijkt welke de “relevante regio van herkomst” is bij de behoefte van verzoekers “actuele” behoefte aan internationale bescherming. Verzoeker geeft een verkeerde lezing aan het bestreden arrest. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Het behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te oordelen of hij een beslissing van de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning als vluchteling en tot weigering van de vluchtelingenstatus kan bevestigen of hervormen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te moeten bevelen. De beoordeling van de bewijswaarde van door een partij bijgebrachte stukken behoort eveneens tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de feitenrechter. De Raad van State vermag zich als administratieve cassatierechter niet in de plaats stellen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om te bepalen of al dan niet nader onderzoek nodig is van de stukken die verzoeker heeft bijgebracht in het kader van zijn tweede verzoek om internationale bescherming. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk. XIV-38.402-2/3 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.402-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.987 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div