← België

Cassatiebeschikking 13988 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 06 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.988 Rolnummer: A. 231083/XIV-38394 Zaak: Cassatiebeschikking 13988 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 06/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-24 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-14 20:59 Fiche Beschikking nr 13.988 van 6 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.988 van 6 oktober 2020 in de zaak A. 231.083/XIV-38.394 In zake : 1. XXXXX 2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 22 juni 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 236.214 van 29 mei 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. In het rechtsplegingsdossier bevindt zich een kopie van het proces- verbaal van de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen (vierde kamer) van 20 mei 2020, waarop vermeld staat dat de verzoekers werden bijgestaan door hun huidige raadsman en dat de tolk de eed heeft afgelegd en Albanees heeft getolkt. Het eerste middel mist feitelijke grondslag en is derhalve kennelijk ongegrond. XIV-38.394-1/4 2. Betreffende de brandstichting in hun huis hebben de verzoekers in het enige middel voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen onder meer aangevoerd, hetgeen in het bestreden arrest wordt geciteerd, dat de verwerende partij volledig verzaakt aan de haar door artikel 48/6, § 1, eerste lid, tweede zin, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) opgelegde samenwerkingsplicht, dat de verwerende partij niet aantoont welke demarches zij zou hebben ondernomen om meer informatie te verkrijgen over de brandstichting zodat zij niet aantoont de samenwerkingsplicht te hebben nageleefd en dat zij alleszins moest motiveren waarom zij niet meer informatie zou kunnen verkrijgen. Na de motieven uit de aanvankelijk bestreden beslissingen betreffende de voorgehouden brandstichting in de woning van de verzoekers te hebben geciteerd, overweegt de Raad voor Vreemdelingbetwistingen dat het geheel niet aannemelijk is dat deze woning jaren later, in 2018, plots in brand zou zijn gestoken om verzoeker te viseren vermits zowel de verzoekers als verzoekers broer deze woning reeds jaren hadden verlaten en deze woning leeg stond en eigendom is van verzoekers vader. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst ook op verzoekers vage en ongeloofwaardige verklaringen van midden mei 2019 waarin hij de brandstichting “enkele maanden geleden, een maand of twee of drie, ik weet het niet meer” situeerde, hoewel deze reeds in 2018 zou zijn gepleegd. Vervolgens wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op verzoekers frappant en verregaand gebrek aan interesse, vermits hij niet bleek te weten wat er verder met zijn klacht bij de politie was gebeurd, of er eventueel verder onderzoek was en hij zelfs aangaf dat dit hem niet interesseerde. Verzoekers gebrek aan interesse voor zijn voorgehouden problemen en situatie doet volgens het bestreden arrest afbreuk aan de ernst en de geloofwaardigheid van de ingeroepen vervolging. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt verder vast dat de verzoekers “de bestreden beslissing an sich niet betwisten of weerleggen waar terecht wordt vastgesteld dat (

  1. i)verzoeker in het geheel niet kon aangeven door wie de brand dan wel gesticht zou zijn; (
  2. ii)het neergelegde proces-verbaal niet vermeldt dat er sprake zou zijn van brandstichting; (iii) uit de neergelegde foto’s niet blijkt dat het om de vroegere woning van verzoekende partijen zou gaan; laat staan dat hieruit zou kunnen worden afgeleid dat deze doelbewust werd platgebrand”, zodat verzoeker “diende […] te erkennen dat hij niet over bewijzen beschikte dat het daadwerkelijk om brandstichting ging”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “[volstaan] de voormelde vaststellingen […] om te besluiten dat niet het minste geloof kan worden gehecht aan de beweerde brandstichting in XIV-38.394-2/4 de woning van verzoekende partijen en aan de hieraan gekoppelde vrees van verzoekende partijen”. Uit de voormelde motivering blijkt dat - en waarom - de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat niet het minste geloof kan worden gehecht aan de voorgehouden brandstichting en de daaraan gekoppelde vrees van de verzoekers. Met die motivering geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook aan waarom hij van oordeel is dat in het kader van de samenwerkingsplicht geen verder onderzoek naar de beweringen van de verzoekers moest worden gevoerd. De verzoekers tonen geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het tweede middel is kennelijk ongegrond. 3. Verzoekers kritiek dat de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen automatisch leidt tot een verwijderingsmaatregel, in beginsel naar het land van herkomst, doet geen afbreuk aan de vaststelling dat dergelijke verwijderingsmaatregel niet wordt opgelegd met het bestreden arrest. Een verwijderingsmaatregel dient te worden genomen met een afzonderlijke beslissing en is afzonderlijk aanvechtbaar. Noch ’s Raads arrest nr. 246.326 van 6 december 2019 noch het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 192.060 van 15 september 2017 hebben betrekking op een verzoek om internationale bescherming. Zij staan een weigering van de subsidiaire beschermingsstatus dan ook niet in de weg. Evenmin houdt het gewijsde van ’s Raads arrest nr. 246.326 in dat geen verwijderingsmaatregel zou kunnen worden genomen, enkel omdat met dat arrest een beslissing tot uitlevering werd vernietigd. Tot slot gaan de verzoekers voorbij de concrete motieven van het bestreden arrest betreffende de actuele toestand in Noord-Macedonië, zowel wat betreft de vraag of verzoeker er over een rechtsmiddel beschikt als over de werking van het gerechtelijk apparaat en de situatie in de gevangenissen, en betreffende de opname van Noord-Macedonië in de lijst van veilige landen. Het derde middel is kennelijk ongegrond. XIV-38.394-3/4 BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zes oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.394-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.988 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.