← België

Cassatiebeschikking 13995 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.995 Rolnummer: A. 231310/XIV-38422 Zaak: Cassatiebeschikking 13995 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-14 21:00 Fiche Beschikking nr 13.995 van 8 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.995 van 8 oktober 2020 in de zaak A. 231.310/XIV-38.422 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX
  3. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominque Andrien en Julie Janssens kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 236.857 van 15 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  4. De verzoekers halen in het opschrift van het enige middel een reeks bepalingen aan waarvan zij vervolgens de inhoud weergeven. Concreet zetten de verzoekers enkel uiteen dat de motivering van het bestreden arrest “niet overeen[komt] met de XIV-38.422-1/6 argumenten en middelen die de verzoekende partij heeft aangevoerd ter ondersteuning van haar verzoek om bescherming”, namelijk doordat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden met de lijst van organisaties die zij in Spanje vruchteloos zouden hebben geraadpleegd om hulp, financiële steun of onderdak te krijgen, terwijl de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerder in het bestreden arrest wel toegeeft dat de verzoekers het Rode Kruis en het CAER hebben geraadpleegd. Daarmee lichten de verzoekers enkel een schending toe van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte jurisdictionele motiveringsplicht. Het enige middel is bijgevolg enkel in die mate ontvankelijk en voor het overige kennelijk niet-ontvankelijk.
  5. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vat de kritiek van de verzoekers, met name wat de verkeerde weergave van hun verklaringen over de huisvestingsmogelijkheden (of het gebrek daaraan) betreft, als volgt samen: “Aangaande de toegang tot huisvesting benadrukken verzoekers dat ze hun woning moesten verlaten na hun erkenning en dat ze op straat moesten leven voordat ze verdere hulp kregen van Accem. Accem heeft hen niet geholpen met de huur maar wel met de borg, verzoekers wijzen erop dat dit een vergissing betreft in de transcriptie van verzoeksters verklaringen. Na twee maanden konden verzoekers de huur niet meer betalen. Verzoekers wijzen erop dat geen rekening werd gehouden met het deel van hun verhaal van terugkeer in Spanje na hun tweede repatriëring vanuit Duistland in juni
  6. Toen hebben ze 2 à 3 maanden op straat verbleven en hebben stappen ondernomen om een organisatie te raadplegen, maar zonder succes. Zonder werk kregen ze geen woning. Zonder vast adres kregen ze ook geen bankkaart. Verzoekers wijzen erop dat ze nooit in een daklozeninstelling konden overnachten dus dat dit ook XIV-38.422-2/6 een vergissing is in de weergave van hun verklaringen. Verzoekers wijzen erop dat de meeste begunstigden van internationale bescherming op straat leven, zoals zij. Verzoekers verwijzen ook hier naar landenrapporten die het Spaanse systeem van toegang tot huisvesting en overheidssteun verduidelijken.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert daarna de volgens hem “op pertinente en correcte wijze” gedane vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissingen betreffende eerste en tweede verzoekers: de verzoekers konden na een eerste repatriëring naar Spanje gedurende zes maanden een degelijk appartement betrekken en ze kregen een uitkering, voedselbijstand en juridische bijstand tijdens de asielprocedure, zij werden ruim op voorhand verwittigd dat zij nadien een andere woonplaats moesten zoeken, tweede verzoekster heeft echter verklaard dat zij nadien werden geholpen bij het vinden van een nieuwe woning waar zij nog twee maanden zouden hebben verbleven en dat Accem de eerste twee maanden huur heeft betaald en nadien nog steun zou verlenen, deze inconsistente verklaringen doen afbreuk aan het door de verzoekers geschetste beeld van hun levensomstandigheden, minstens blijkt dat zij na het verkrijgen van internationale bescherming helemaal niet aan hun lot werden overgelaten door de Spaanse autoriteiten, eerste verzoeker heeft, wat betreft het gebrek aan financiële mogelijkheden om een huurhuis te kunnen betalen, verklaard pas na het verkrijgen van internationale bescherming actief naar werk te hebben gezocht doch nog slechts één maand in Spanje te zijn gebleven, uit die korte periode kan geen onmogelijkheid worden afgeleid om werk te vinden, tweede verzoekster bleek daarenboven te hebben verklaard dat ze nog twee à drie maanden in Spanje waren gebleven en hun zoon dat ze er maar één week waren gebleven, hoe dan ook blijkt niet na dergelijke periode al dat het onmogelijk was werk te vinden, eerste en derde verzoeker hebben ook tijdens hun laatste verblijf in Spanje slechts twee maanden naar werk gezocht, tweede verzoekster heeft helemaal niet actief naar werk gezocht doch zich enkel ingeschreven bij het arbeidsbureau van de overheid en gewacht op een aanbod, het blijft een blote bewering dat tweede verzoekster geen werk zou vinden omdat zij een hoofddoek droeg en de door eerste verzoeker overgelegde documenten ter staving van zijn zoektocht naar werk dateren enkel uit de periode van de asielprocedure en niet uit de periode van zijn laatste verblijf toen hij als vluchteling was erkend. Hierna beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de argumentatie van de verzoekers aangaande de toegang tot huisvesting: “2.3.
  7. Inzake de toegang tot huisvesting blijkt uit de notities van het persoonlijk onderhoud van eerste verzoeker dat het gezin bij aankomst in Spanje in 2015 na XIV-38.422-3/6 aankomst op het vasteland, 2 à 3 dagen in een huis van de organisatie Accem werden ondergebracht (p. 10), dat ze naar Duitsland gingen, vanuit Duitsland gerepatrieerd werden naar Spanje, dat zij na hun verzoek om internationale bescherming in Spanje in 2016 gedurende 6 maanden in een appartement werden ondergebracht( p. 12), dat zij dit na hun erkenning moesten verlaten (p. 18) maar er nog een maand in konden blijven waarna ze naar Frankrijk en Duitsland reisden, dat ze na de tweede repatriëring vanuit Duitsland in juni 2019 twee maanden in Spanje verbleven in Madrid en daar in parken en soms in hotels sliepen (p. 18). Dit relaas wordt bevestigd door de verklaringen van tweede verzoekster en derde verzoeker. De Raad treedt de commissaris-generaal bij waar deze stelt dat het deel uitmaakt van de Europese asielprocedure dat erkende vluchtelingen geen gebruik meer kunnen maken van woningen die bestemd zijn voor verzoekers om internationale bescherming. Het is normaal dat verzoekers de hen toegekende woning moesten verlaten. Als erkende vluchtelingen hebben verzoekers evenveel rechten als de Spanjaarden, ook op de huisvestingsmarkt. Bovendien werden verzoekers ruim op voorhand verwittigd dat ze slechts zes maanden in die woning konden blijven, zodat ze ruim de tijd hadden om op zoek te gaan naar een alternatieve woonplaats. De Raad stelt vast dat het feit dat zij evenveel rechten hebben als Spanjaarden geldt voor de verschillende periodes van verblijf van verzoekers in Spanje als erkende vluchtelingen. Bijgevolg klopt verzoekers’ redenering niet dat de commissaris- generaal geen rekening heeft gehouden met hun laatste verblijf in Spanje waarbij ze in de parken en in hotels moesten slapen. Inzake de verduidelijkingen omtrent de borg van twee maanden die betaald moest worden indien zij langer dan de hen toegestane termijn van zes maanden in de woning of in een andere woning wilden verblijven, stelt de Raad vast dat uit de verklaringen van tweede verzoekster blijkt dat zij stelde dat er na de periode van zes maanden een andere woning was waarvoor Accem de borg van twee maanden betaalde en dat verzoekers zelf de huur moesten betalen, waarvoor zij juwelen verkocht (notities persoonlijk onderhoud tweede verzoekster, p. 9). De organisatie zou ook helpen met het betalen van de waterfacturen (p. 8) Hieruit blijkt inderdaad dat de waarborg van twee maanden voor hen betaald werd, maar blijkt ook dat er sprake was van een tweede woning waarin verzoekers terecht konden, wat eerste verzoeker niet heeft verklaard. De vaststelling van de commissaris-generaal dat er tegenstrijdigheden zijn in het relaas van verzoekers omtrent de huisvesting na het verkrijgen van hun status, strookt dus met de stukken van het administratief dossier. Verzoekers kunnen worden gevolgd waar zij stellen niet te hebben verklaard dat ze bij een daklozeninstelling terecht konden. Eerste verzoeker stelde dat ze geen hulp kregen van de daklozenorganisaties (notities persoonlijk onderhoud, p.18). Derde verzoeker heeft verklaard dat zelfs de organisatie van daklozen hen niet aanvaardde (noties persoonlijk onderhoud derde verzoeker, p. 12) en tweede verzoekster heeft verklaard dat de daklozenorganisaties hen enkel voor één nacht wilden opvangen maar niet meer (notities persoonlijk onderhoud tweede verzoekster, p. 12). Dit doet echter geen afbreuk aan wat hierboven gesteld wordt. Uit de informatie (‘Spain Pro Bono Directory, rights in exile programme’ en informatie van de IOM, afgedrukt op 12 november 2019) blijkt echter dat er in Spanje wel degelijk organisaties zijn die vluchtelingen bijstaan: nationale en regionale organisaties. Uit verzoekers verklaringen blijkt niet dat hij zich als erkend vluchteling tot zulk een organisatie heeft gericht (notities persoonlijk onderhoud verzoeker, p. 19), maar er zijn geen redenen om aan te nemen dat verzoeker dit niet kan doen bij een terugkeer naar Spanje. Verzoekers, die tijdens hun laatste verblijf in Spanje slechts twee maanden daar bleven, tonen ook niet aan waarom zij het strikt stappenplan inzake huisvesting en XIV-38.422-4/6 steun dat in Spanje geldt en dat zij beschrijven in het verzoekschrift, niet zouden kunnen volgen.”
  8. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erkent dus dat de verzoekers hulp hebben gezocht bij daklozenorganisaties maar daar niet terecht konden. Met verwijzingen naar het document ‘Spain Pro Bono Directory, rights in exile programme’ wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er evenwel op dat er nog andere organisaties in Spanje zijn die vluchtelingen bijstaan - nationale en regionale organisaties - en dat uit de verklaringen van de eerste verzoeker tijdens het persoonlijk onderhoud met het commissariaat-generaal niet blijkt dat hij zich als erkend vluchteling tot een dergelijke organisatie heeft gericht, terwijl er geen redenen zijn om aan te nemen dat verzoeker dit niet kan doen bij een terugkeer naar Spanje. Uit wat voorafgaat blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk rekening heeft gehouden met de argumentatie van de verzoekers als zouden zij stappen hebben ondernomen om hulp te krijgen en die argumentatie uitdrukkelijk heeft beantwoord. In die mate blijkt geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  9. De overweging in het bestreden arrest dat de verzoekers minstens het Rode Kruis en het CAER hebben geraadpleegd, heeft geen betrekking op de toegang tot huisvesting maar op de toegang tot werk en integratiemaatregelen. Er is dan ook geen tegenstrijdigheid in het bestreden arrest tussen enerzijds de vaststelling dat de verzoekers wel het Rode Kruis en het CAER hebben geraadpleegd en anderzijds de vaststelling dat niet blijkt dat de verzoekers zich na hun erkenning als vluchteling hebben gericht tot nationale of regionale organisaties die vluchtelingen bijstaan in het zoeken naar huisvesting. Ook in die mate blijkt geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  10. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  11. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  12. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 600 euro, elk voor een derde. XIV-38.422-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.422-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.995 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.