id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.996 Rolnummer: A. 231450/XIV-38442 Zaak: Cassatiebeschikking 13996 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-14 21:01 Fiche Beschikking nr 13.996 van 8 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.996 van 8 oktober 2020 in de zaak A. 231.450/XIV-38.442 In zake :
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominque Andrien en Julie Janssens kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 augustus 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.738 van 30 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verzoekers laten gelden dat in het bestreden arrest “in het gedeelte rond de toekenning van de subsidiaire bescherming status […] ineens geen enkel XIV-38.442-1/3 woord [wordt] gerept over het behoren tot een welbepaalde risico groep in het kader van de toekenning van de subsidiaire bescherming”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt echter in punt 2.4.6 van het bestreden arrest dat “nergens kan blijken dat verzoekers een kenmerk vertonen [dat] niet gewijzigd kan worden, noch dat zij in hun directe omgeving als afwijkend worden beschouwd” en dat hij “dan ook niet in[ziet] waarom zij zouden behoren tot een sociale groep in de zin van het Vluchtelingenverdrag”. Uit deze beoordeling volgt dat de verzoekers zich net zo min voor het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus als voor de erkenning als vluchteling kunnen beroepen op het behoren tot de door hen voorgehouden sociale groep of risicoprofiel, zodat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierover geen tweede maal moest motiveren om de subsidiaire beschermingsstatus te weigeren. De verzoekers tonen op dit punt geen schending aan van de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) vervatte motiveringsplicht.
- Anders dan de verzoekers voorhouden, wordt in het bestreden arrest niet overwogen dat het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus afhankelijk is van de voorwaarde “dat de verzoeker moet bewijzen dat hij of zij specifiek wordt geviseerd vanwege factoren die specifiek zijn voor zijn of haar persoonlijke situatie”. De overweging in het bestreden arrest dat “de aanvrager op een voldoende concrete manier dient aan te tonen dat hij een persoonlijk risico op ernstige schade loopt” houdt in dat enig verband met zijn persoon, met zijn individuele situatie moet blijken, doch niet dat de betrokkene persoonlijk wordt geviseerd. De kritiek van de verzoekers berust in die mate op een verkeerde lezing van het bestreden arrest. De voornoemde overweging van het bestreden arrest is niet in strijd met artikel 48/6, § 5, c), van de vreemdelingenwet, waarin uitdrukkelijk wordt bepaald dat bij het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming rekening wordt gehouden met “de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoeker […] teneinde te beoordelen of op basis van de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker, de daden waaraan hij blootgesteld is of blootgesteld zou kunnen worden, met vervolging of ernstige schade overeenkomen”. XIV-38.442-2/3
- De verzoekers zetten, anders dan met de supra behandelde en ongegrond bevonden kritiek, niet uiteen op welke wijze de overige door hen aangehaalde bepalingen zouden zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.442-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.996 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.