← België

Cassatiebeschikking 13997 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.997 Rolnummer: A. 231136/XIV-38404 Zaak: Cassatiebeschikking 13997 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-14 21:01 Fiche Beschikking nr 13.997 van 8 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 13.997 van 8 oktober 2020 in de zaak A. 231.136/XIV-38.404 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bobber Loos kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 25 juni 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 235.925 van 19 mei 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Volgens verzoeker “[staat] het feit dat verzoeker […] geboren en getogen is in Pakistan, […] niet ter discussie” en is “de enige feitelijke discussie, […] de vraag of verzoeker al dan niet in 2011 een korte periode Afghanistan bezocht heeft om een Taskara aan te maken”. Hij laat gelden dat, “doordat verzoeker geen effectieve ‘regio van herkomst’ heeft in Afghanistan, aangezien hij geboren is en zijn hele leven (op een eventuele korte reis na) doorbracht in een derde land, […] een ‘terugkeer’ naar het land van zijn nationaliteit, per definitie een ‘hervestiging’ [betekent]”. XIV-38.404-1/4 In het bestreden arrest wordt echter de aanvankelijk bestreden beslissing (die verzoekers derde verzoek om internationale bescherming betreft) geciteerd waarin volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “op goede gronden” wordt gesteld dat verzoeker heeft verklaard zowel bij zijn eerste als zijn tweede verzoek om internationale bescherming te hebben gelogen, dat dit tekenend is voor verzoekers “absolute gebrek aan oprechtheid” en zijn “algemene geloofwaardigheid eigenlijk compleet [ondermijnt]”, dat verzoekers “(plotse) verklaring alsnog nooit richting Afghanistan te zijn getrokken een blote bewering is”, dat de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen niet inziet hoe verzoekers valse documenten, zoals taskara’s, zijn verblijf in Afghanistan zouden ontkrachten, dat verzoekers verklaring als zou zijn oom deze stukken voor hem hebben geregeld eveneens een blote bewering is die niet overtuigt, dat verzoeker zijn origineel paspoort, nochtans uitstekend om zijn reisbewegingen te kunnen staven, nog steeds niet heeft overgelegd, dat verzoekers plotse bewering over het verblijf van zijn oom in België en Frankrijk (en niet meer in Afghanistan) en de uitleg daarover eveneens ongeloofwaardig is en dat verzoeker, zelfs inzien zijn oom zou zijn vertrokken uit Afghanistan, quod non, beschikt over een voldoende groot netwerk in Kabul vermits uit de verklaringen in het kader van het verzoek om internationale bescherming van die oom blijkt dat er nog broers en zussen van die oom in Tizin verblijven, dat die broers en zussen er beschikken over een aantal stukken grond, dat er ook neven wonen en dat de oom heeft aangegeven dat zijn zus binnenkort zou trouwen met een neef uit een rijke familie. Daarna overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf “dat verzoekers ongeloofwaardigheid die reeds in zijn eerste verzoek om internationale bescherming is komen vast te staan, werd bevestigd” bij de behandeling van het tweede verzoek, “dat verzoeker er niet voor terugdeinst de Belgische overheden te beliegen en bedriegen” en dat “de vaststelling dat verzoeker tweemaal doelbewust heeft getracht de Belgische asieldiensten te misleiden […] tekenend [is] voor verzoekers absolute gebrek aan oprechtheid en […] zijn algemene geloofwaardigheid volledig [ondermijnt]. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen treedt de aanvankelijk bestreden beslissing bij “waar gesteld wordt niet in te zien waarom zonder meer zou moeten worden aangenomen dat verzoeker heden wel de waarheid spreekt”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volgt ook niet “de kromme redenering van verzoeker in het verzoekschrift waarbij hij meent dat vervalste taskara’s een eerste stap vormen in de bewijsvoering van zijn verklaring dat hij nog nooit in Afghanistan is geweest” vermits dit “enkel en alleen aan[toont] dat hij de Belgische autoriteiten heeft willen misleiden en er niet voor terugdeinst om hiervoor valse stukken te XIV-38.404-2/4 gebruiken”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op “dat verzoeker nog steeds niet zijn origineel paspoort heeft voorgelegd, hetgeen een goed zicht zou kunnen bieden op zijn afkomst, verblijfplaatsen en reisbewegingen”, dat “in gevolge ’s Raads arrest nr. 218.567 van 20 maart 2019 […] wel [is] komen vast te staan dat uit de kopie van een pagina uit verzoekers Afghaanse paspoort blijkt dat verzoeker in Kabul is geboren, terwijl verzoeker verklaarde dat hij in Pakistan is geboren”, dat “deze kopie […] ook verzoekers leeftijd tegen[spreekt] die hij opgaf bij zijn aankomst in België” en dat “dergelijke vaststellingen […] verzoekers gebrek aan oprechtheid des te meer [bevestigen].” Verzoekers kritiek in het cassatiemiddel, die er enkel op is gesteund dat niet zou worden getwijfeld aan het feit dat hij in Pakistan is geboren en nooit in Afghanistan is geweest, behalve eventueel een kort bezoek in 2011, gaat uit van een verkeerde lezing van het bestreden arrest. Ten overvloede kan worden opgemerkt dat verzoeker volledig voorbijgaat aan de omstandige en concrete motivering in het bestreden arrest, met verwijzing naar het arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nr. 218.567 van 20 maart 2019, waarin onder meer werd geoordeeld dat verzoeker ingeval van terugkeer naar Afghanistan kan terugvallen op de ondersteuning van een netwerk van familieleden en stam- en clanleden. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.404-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.404-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.13.997 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.