← België

Cassatiebeschikking 14001 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 08 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.001 Rolnummer: A. 231334/XIV-38429 Zaak: Cassatiebeschikking 14001 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 08/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-14 21:02 Fiche Beschikking nr 14.001 van 8 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.001 van 8 oktober 2020 in de zaak A. 231.334/XIV-38.429 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Luc Denys kantoor houdend te 1030 Brussel Adolphe Lacomblélaan 59-61/5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.158 van 18 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 19 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoekers argumentatie in het eerste middel dat in het bestreden arrest een onjuiste toepassing wordt gemaakt van de samenwerkingsplicht doordat de verplichting in hoofde van de commissaris-generaal volledig inhoudloos wordt gemaakt terwijl hij actief moet samenwerken met verzoeker om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven, ook wanneer zoals in casu verzoekers verklaringen ongeloofwaardig XIV-38.429-1/5 lijken, gaat voorbij aan het feit dat de samenwerkingsplicht bedoeld in artikel 48/6, § 1, eerste lid, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) er niet aan in de weg staat dat de bewijslast in de eerste plaats op de kandidaat-vluchteling rust die zelf alle essentiële elementen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag dient aan te brengen. De samenwerkingsplicht houdt in dat met verzoeker moet worden samengewerkt om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven “indien de door verzoeker aangevoerde elementen om welke reden dan ook niet volledig, actueel of relevant zijn”. Te dezen is er geen sprake van elementen die niet volledig, actueel of relevant zijn, maar stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op gemotiveerde wijze vast dat verzoekers verklaringen die moeten aantonen dat de kans aanzienlijk groter is dat hij voor internationale bescherming in aanmerking komt, ongeloofwaardig zijn. Bijgevolg kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest op wettige wijze overwegen dat de samenwerkingsplicht “geen synoniem is voor ‘gedeelde bewijslast’”, dat “[d]e commissaris-generaal […] niet [moet] bewijzen dat de feiten onwaar zouden zijn”, dat “[d]e samenwerkingsplicht die op de schouders van de commissaris-generaal rust, […] geen afbreuk [doet] aan de verplichting van de verzoeker om internationale bescherming om de relevante gegevens noodzakelijk voor de beoordeling van de gegrondheid van zijn verzoek om internationale bescherming spontaan en zo spoedig mogelijk te verstrekken” en dat het “aan verzoeker [is] om alle nodige elementen voor de beoordeling van zijn verzoek om internationale bescherming aan te reiken en de verschillende elementen van zijn relaas op coherente wijze toe te lichten”. Anders dan verzoeker lijkt aan te voeren, was de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er niet toe gehouden in het bestreden arrest te motiveren wat de samenwerkingsplicht in hoofde van de verwerende partij inhoudt. Het eerste middel is kennelijk ongegrond. 2.
  2. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de vreemdelingenwet specifiek aan de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet XIV-38.429-2/5 de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 2.
  3. In het bestreden arrest stelt de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen met betrekking tot de mededeling in de aanvullende nota dat verzoeker religieus gehuwd is met een Pakistaanse vrouw en met haar intussen een kind heeft gekregen en de hieromtrent bijgebrachte documenten: “Uit de voorgelegde stukken blijkt nergens onomstotelijk dat verzoeker met D.S. zou zijn gehuwd. In de weigeringsbeslissing in hoofde van D.S. wordt bovendien vermeld dat zij met verzoeker reeds in december 2018 in Brussel religieus huwde, terwijl verzoeker voorafgaand aan het bijbrengen van onderhavige aanvullende nota nooit melding maakte van dit huwelijk, noch van de zwangerschap van zijn echtgenote. In zoverre kan worden aangenomen dat verzoeker religieus gehuwd is met D.S. en dat zij samen een kind hebben, doet dit geen afbreuk aan de voorgaande vaststellingen, aan de motieven in de bestreden beslissing en/of aan de beoordeling van zijn voorgaande verzoeken om internationale bescherming. Indien verzoekers kind en/of echtgenote internationale bescherming zouden krijgen, en verzoeker wenst zich bij hen te voegen, dient hij zich te wenden tot de hiertoe geëigende procedure, met name een aanvraag tot gezinshereniging.” 2.
  4. Anders dan verzoeker lijkt aan te voeren, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest nergens dat verzoeker juridisch of op een andere manier dan louter religieus zou zijn gehuwd. Er wordt hem wel tegengeworpen dat hij voorafgaand aan de aanvullende nota nooit gewag heeft gemaakt van een huwelijk. Verzoeker had daar wel degelijk melding van kunnen maken, maar dat doet hoe dan ook niet ter zake aangezien de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de hypothese dat verzoeker religieus is getrouwd, heeft onderzocht en heeft vastgesteld dat dit geen afbreuk doet aan zijn voorgaande vaststellingen, aan de motieven in de bestreden beslissing en aan de beoordeling van verzoekers voorgaande verzoeken om internationale bescherming. Voor zover verzoeker stelt dat hij heeft verwezen naar de mogelijke erkenning van zijn kind waarmee hij een juridische band heeft - hetgeen dateert van na het indienen van het beroep - moet worden vastgesteld dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest heeft geoordeeld dat aangenomen dat verzoeker een kind heeft met zijn partner, dit geen afbreuk doet aan zijn voorgaande vaststellingen, aan de motieven in de bestreden beslissing en aan de beoordeling van verzoekers voorgaande verzoeken om internationale bescherming en dat indien verzoekers kind of echtgenote internationale bescherming zouden krijgen, en verzoeker zich bij hen wenst te voegen, hij gebruik dient te maken van een aanvraag tot gezinshereniging. De Raad XIV-38.429-3/5 voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt dus duidelijk dat het kind van verzoeker en een eventuele erkenning ervan geen invloed heeft op de mogelijkheid voor verzoeker om als vluchteling te worden erkend. Anders dan verzoeker lijkt aan te voeren moet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet motiveren waarom dit het geval is. De jurisdictionele motiveringsplicht reikt immers niet zover dat de rechter ook de gronden voor zijn motieven in het bestreden arrest kenbaar moet maken. Uit de motieven van het bestreden arrest blijkt derhalve duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verzoekers argumentatie dienaangaande afwijst. Er is voldaan aan de eisen van de jurisdictionele motiveringsplicht. 2.
  5. Voor zover verzoeker de juistheid van de voormelde beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in twijfel trekt, strekt zijn kritiek ertoe de appreciatie door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over te doen, terwijl de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om in de beoordeling van de zaak zelf te treden. 2.
  6. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. XIV-38.429-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op acht oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.429-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.001 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.