id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.029 Rolnummer: A. 231332/XIV-38428 Zaak: Cassatiebeschikking 14029 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-14 21:03 Fiche Beschikking nr 14.029 van 23 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.029 van 23 oktober 2020 in de zaak A. 231.332/XIV-38.428 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Juliette Richir kantoor houdend te 5530 Yvoir Place de la Station 9 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 236.642 van 9 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.428-1/5 Eerste middel
- De verzoekers richten zich tegen de toepassing met het bestreden arrest van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020 ‘met betrekking tot de verlenging van de termijnen van de rechtspleging bij de Raad voor vreemdelingenbetwistingen en de schriftelijke behandeling van de zaken’ (hierna: het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020). Op grond van artikel 3, eerste lid, van dit koninklijk besluit kan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, indien toepassing wordt gemaakt van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), tijdens de in artikel 2, eerste lid, van het voornoemd koninklijk besluit bepaalde periode, uitspraak doen zonder openbare terechtzitting, en dit tot zestig dagen na het verstrijken van die periode. Artikel 3, zesde lid, van het meergenoemd koninklijk besluit voorziet dat, “indien een partij in toepassing van voormeld artikel 39/73 voor de inwerkingtreding van dit besluit heeft gevraagd te worden gehoord en er nog geen zitting heeft plaatsgevonden, […] de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter de partij bij beschikking uit[nodigt] om een pleitnota over te maken binnen de 15 dagen na de verzending van de beschikking” en dat, “indien de betrokken partij nalaat een pleitnota over te maken […] hij [wordt] geacht afstand te hebben gedaan van zijn vraag tot horen”. Het staat niet ter betwisting dat de verzoekers met toepassing van de voornoemde bepalingen een pleitnota hebben ingediend, doch de verzoekers achten de mogelijkheid van een terechtzitting met een mondeling debat essentieel.
- In het voor een afgewezen verzoeker om internationale bescherming openstaande beroep met hervormingsbevoegdheid bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn in beginsel enkel het verzoekschrift tot beroep en een nota van de verwerende partij voorzien, zonder de mogelijkheid voor die verzoeker om nog schriftelijk te antwoorden op de nota van de verwerende partij. Ook de in artikel 39/73 van de vreemdelingenwet voorziene procedure, waarvan toepassing is gemaakt in de zaak die tot het bestreden arrest heeft geleid, voorziet geen schriftelijke repliek voor de verzoeker doch enkel, indien een partij erom vraagt, de mogelijkheid om te worden gehoord. Waar de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020 heeft toegepast door geen openbare terechtzitting te XIV-38.428-2/5 voorzien en verzoeker derhalve niet mondeling te horen doch hem de mogelijkheid te bieden een pleitnota (en aldus wel een schriftelijke repliek) in te dienen, is geenszins afbreuk gedaan aan het recht van de verzoekers op een doeltreffende voorziening in rechte. De verzoekers hebben hun standpunt schriftelijk in plaats van mondeling kunnen uiteenzetten. Zij geven niet concreet aan waarom dit te dezen niet zou volstaan. Evenmin is de toepassing van artikel 3 van het koninklijk besluit nr. 19 van 5 mei 2020 in strijd met hetgeen het Grondwettelijk Hof heeft gesteld in zijn arrest nr. 88/2012 van 12 juli
- De overweging in punt 28.2 van dat arrest dat een “verzoeker, na inzage van de met redenen omklede beschikking waarbij de kamervoorzitter of de door hem aangewezen rechter hem op de hoogte brengt van het feit dat hij van oordeel is dat een terechtzitting niet noodzakelijk is, evenwel het recht [heeft] om zijn argumenten uiteen te zetten en mondeling op die van de tegenpartij te antwoorden indien hij daarom verzoekt” houdt geen absolute verplichting in om een mondeling debat te voorzien maar dient onder meer te worden gelezen in het licht van een gebrek aan de mogelijkheid van een schriftelijke repliek. Daarenboven is, anders dan ten tijde van het voornoemde arrest van het Grondwettelijk Hof, te dezen sprake van een tijdelijke maatregel omwille van een objectieve situatie, namelijk de crisis op het vlak van de volksgezondheid. Net doordat uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden aan de beide partijen om te worden gehoord door middel van een pleitnota, is deze maatregel ook proportioneel.
- De verzoekers werpen een schending op van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en stellen in ondergeschikte orde een prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof voor. In het licht van hetgeen supra is gesteld over het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 88/2012 van 12 juli 2012, is deze vraag niet dienstig voor de oplossing van het huidige geschil. De verzoekers geven in de door hen voorgestelde vraag trouwens niet aan in vergelijking met welke andere categorie(ën) sprake zou zijn van een schending van het gelijkheidsbeginsel.
- Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen verwijst in zijn met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking, waar hij zich XIV-38.428-3/5 in het bestreden arrest bij aansluit, naar “de COI Focus “Albanië: Algemene situatie” van 27 juni 2018 en “Albania: Blood Feuds in contemporary Albania: Characterisation, Prevalence and Response by the State” van 29 juni 2017”. Hij heeft de bewijskracht van geschriften, vervat in de artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek, niet geschonden door de voormelde informatie van juni 2018 en juni 2017 recenter te achten dan de door de verzoekers overgelegde stukken die dateren uit 2017 en
- Bovendien gaan de verzoekers voorbij aan de verdere motivering van het bestreden arrest op grond waarvan wordt geoordeeld dat de verzoekers in hun geval wel degelijk voldoende bescherming kregen.
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. Derde middel
- Naar luid van artikel 48/7 van de vreemdelingenwet is “het feit dat een asielzoeker in het verleden reeds werd vervolgd, of reeds ernstige schade heeft ondergaan, of reeds rechtstreeks is bedreigd met dergelijke vervolging of met dergelijke schade, […] een duidelijke aanwijzing dat de vrees voor vervolging gegrond is en het risico op ernstige schade reëel is, tenzij er goede redenen zijn om aan te nemen dat die vervolging of ernstige schade zich niet opnieuw zal voordoen. In het bestreden arrest wordt geoordeeld dat de verzoekers “geen ander licht [werpen] op de vaststellingen uit de bestreden beslissingen en de beschikking dat er kanttekeningen dienen te worden geplaatst bij de bewering als zouden verzoekende partijen geviseerd zijn door bloedwraak, en zij hoe dan ook niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij voor de door hen aangehaalde problemen, of bij eventuele herhaling van dergelijke problemen in geval van terugkeer naar Albanië, geen of onvoldoende beroep zouden kunnen doen op de hulp van en/of bescherming door de in Albanië aanwezige lokale en/of hogere autoriteiten”. Met die overweging beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen impliciet doch zeker verzoekers argumentatie betreffende de vervolging of bedreiging met vervolging die zij reeds zouden hebben ondergaan, namelijk dat er kanttekeningen zijn bij het relaas en dat, ook bij herhaling van de voorgehouden problemen, voldoende beroep kan worden gedaan op hulp of bescherming. Er blijkt immers duidelijk uit waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat zich geen (bedreiging met) vervolging heeft voorgedaan en dat er minstens goede redenen zijn om aan XIV-38.428-4/5 te nemen dat deze (bedreiging met) vervolging zich niet zal herhalen. Derhalve is wat dat betreft voldaan aan de in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte jurisdictionele motiveringsplicht, ook zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar artikel 48/7 van de vreemdelingenwet.
- Het derde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.000 euro, ieder voor één vijfde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.428-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.029 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.