id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.030 Rolnummer: A. 231355/XIV-38432 Zaak: Cassatiebeschikking 14030 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-10-27 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-14 21:03 Fiche Beschikking nr 14.030 van 23 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.030 van 23 oktober 2020 in de zaak A. 231.355/XIV-38.432 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Antoinette Van Vyve kantoor houdend te 1060 Brussel Amazonestraat 37 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 236.822 van 12 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoeker laat eerst gelden dat hij tegen de aanvankelijk bestreden beslissing had aangevoerd dat daarin geen onderzoek was gevoerd van het bevel tot vrijlating van het Albanese directoraat-generaal van het gevangeniswezen van 24 mei 2018 en van het arrest van het hof van beroep te Tirana van dezelfde datum waarmee verzoekers vrijlating werd bevolen. Deze documenten zijn volgens verzoeker niet toegevoegd aan het XIV-38.432-1/4 administratief dossier en ze werden ook niet vertaald door het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. In de mate dat deze kritiek van verzoeker betrekking heeft op de aanvankelijk bestreden beslissing doch niet op het bestreden arrest, kan hij niet op ontvankelijke wijze worden aangevoerd. Door de devolutieve werking van het beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing doet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers opnieuw uitspraak ten gronde over de zaak in haar geheel. Verzoeker gaat voorbij aan de omstandige motivering in punt 2.2.9 van het bestreden arrest waarin wordt overwogen dat “uit het administratief dossier blijkt dat [verzoeker] enkel het bevel tot vrijlating van het Directoraat Generaal van het gevangeniswezen d.d. 24 mei 2018 heeft bijgebracht, waarin weliswaar verwezen wordt naar de beslissing van het Hof van Beroep van Tirana van dezelfde datum waarin de vrijlating van verzoekende partij werd bevolen omdat de wettelijk toegelaten termijn van voorhechtenis voor verzoekende partij was overschreden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat dit bevel tot vrijlating zich wel degelijk in het dossier bevindt en vertaald werd en dat in de aanvankelijk bestreden beslissing “meer bepaald wordt […] opgemerkt dat uit dit document blijkt dat het Hof van Beroep van Tirana oordeelde dat verzoekende partij moest vrijgelaten worden omdat de maximale termijn dat zij in voorhechtenis mocht worden opgesloten verstreken was, waardoor verzoekende partij - die evenmin bewijsstukken, zoals o.m. verzoekschriften van haar advocaat, neerlegde teneinde het door haar beweerde onterechte karakter van deze voorhechtenis aan te tonen - op geen enkele manier aantoont dat inzake haar voorhechtenis van anderhalf jaar de juridische procedures niet zouden zijn gerespecteerd”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dus de beide door verzoeker aangehaalde stukken in zijn beoordeling betrokken en verzoeker toont wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. A fortiori toont verzoeker geen schending aan van het recht op verdediging doordat de door hem aangehaalde stukken van 24 mei 2018 niet in de zaak zouden zijn betrokken.
- Verzoeker laat verder gelden dat hij met twee e-mails van 5 juni 2019 het arrest waarmee verzoekers zoon werd veroordeeld tot 17 jaar gevangenisstraf en de klacht van M.L. na het plunderen van het huis, weliswaar onvertaald, heeft meegedeeld aan het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen doch dat deze niet worden vermeld in de aanvankelijk bestreden beslissing. Hij voert aan dat, en waarom, de Raad voor XIV-38.432-2/4 Vreemdelingenbetwistingen rekening had moeten houden met deze stukken en de heropening van het debat had moeten bevelen om verzoeker toe te laten alsnog een vertaling van die stukken bij te brengen. In de mate dat deze kritiek van verzoeker betrekking heeft op de aanvankelijk bestreden beslissing doch niet op het bestreden arrest, kan hij niet op ontvankelijke wijze worden aangevoerd. Door de devolutieve werking van het beroep tegen de aanvankelijk bestreden beslissing doet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers opnieuw uitspraak ten gronde over de zaak in haar geheel. Verzoeker gaat voorbij aan de omstandige motivering in punt 2.2.10 van het bestreden arrest waarin wordt overwogen dat de twee kwestieuze stukken zich inderdaad niet in het administratief dossier bevonden doch dat verzoeker ze per e-mail zou hebben gestuurd en bijgevolg heeft nagelaten ze overeenkomstig artikel 17, § 3, van het koninklijk besluit van 11 juli 2003 ‘tot regeling van de werking van en de rechtspleging voor het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen’ over te maken. Vervolgens gaat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zelf in op die bij het verzoekschrift tot beroep gevoegde stukken waarbij hij opmerkt dat het slechts kopieën zijn waaraan geen bewijswaarde kan worden toegekend en dat verzoeker met het arrest inzake de veroordeling van zijn zoon tot 17 jaar gevangenisstraf “hoe dan ook niet aantoont dat [verzoeker] en [zijn] familie omwille van deze moord verwikkeld zijn in een bloedwraak”. Verzoeker gaat eveneens voorbij aan de verdere omstandige motivering in het bestreden arrest dat, al zou verzoeker de voorgehouden bloedwraak aannemelijk maken, hij niet aantoont dat hij bij een eventuele herhaling van dergelijke problemen bij een terugkeer naar Albanië geen of onvoldoende beroep zou kunnen doen op hulp en/of bescherming door de in Albanië aanwezige lokale en/of hogere autoriteiten. Verzoeker gaat niet in op deze motieven en toont de voorgehouden onwettigheid dan ook niet aan.
- Verzoeker verwijst naar een arrest van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van 20 mei 2020 betreffende zijn familieleden waarmee in het bestreden arrest geen rekening zou zijn gehouden en waarmee de motieven van het bestreden arrest strijdig zouden zijn. Uit niets blijkt dat verzoeker voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft verwezen naar een arrest van diezelfde Raad van 20 mei XIV-38.432-3/4 2020 betreffende verzoekers familieleden. Een eventuele strijdigheid met motieven uit een andere jurisdictionele beslissing houdt niet in dat de motieven van het bestreden arrest zelf tegenstrijdig zouden zijn, zodat in dat opzicht geen schending van de jurisdictionele motiveringsplicht kan blijken. Verzoeker laat ook niet gelden dat het gewijsde van dat arrest van 20 mei 2020 zou zijn geschonden met het bestreden arrest.
- Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.432-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.030 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div