id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 23 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.031 Rolnummer: A. 231331/XIV-38427 Zaak: Cassatiebeschikking 14031 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 23/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-19 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-14 21:04 Fiche Beschikking nr 14.031 van 23 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.031 van 23 oktober 2020 in de zaak A. 231.331/XIV-38.427 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sylvie Sarolea kantoor houdend te 1400 Nijvel rue des Brasseurs 30 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 20 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.029 van 16 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Verzoekster heeft met een brief van haar advocaat van 2 juni 2020 aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gevraagd om, ondanks de maatregelen die golden tegen het COVID-19-virus, ter terechtzitting van 8 juni 2020 te mogen worden “bijgestaan door een ‘vertrouwd persoon’ genoemd [M.V.L.]”. Met een e-mail van 4 juni 2020 heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hierop ontkennend geantwoord. Verzoekster was op de terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op 8 juni XIV-38.427-1/4 2020 in persoon aanwezig, bijgestaan door haar advocaat (en met een tolk). Uit het proces- verbaal van de zitting blijkt niet dat verzoekster enige opmerking heeft gemaakt over de afwezigheid van een vertrouwenspersoon. Uit de bij de brief van verzoeksters advocaat van 12 juni 2020 gevoegde verklaring van meester I. F. blijkt integendeel dat verzoekster en haar advocaat na de voornoemde e-mail van 4 juni 2020 niet meer hebben aangedrongen doch het negatieve antwoord van de griffie hebben “geaccepteerd”. Verzoekster, die met haar advocaat ter terechtzitting van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is verschenen zonder enig voorbehoud te formuleren over de afwezigheid van een vertrouwenspersoon, vermag zich derhalve wat dat betreft niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie te beroepen op een mogelijke schending van de wet. Het eerste onderdeel van het eerste middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat hij er tijdens het pleidooi ter terechtzitting op heeft gewezen “dat gezien het schriftelijk karakter van de procedure het niet de bedoeling is dat de inhoud van het verzoekschrift en de inhoud van de aanvullende nota klakkeloos wordt herhaald” en dat “op de vraag of verzoekster buiten het puur herhalen van wat reeds op schrift werd gesteld nog iets anders had mede te delen, […] het pleidooi [werd] gestaakt”. Hij benadrukt verder “dat alle bij aanvullende nota’s bijgebrachte stukken in onderhavig arrest in overweging werden genomen”. Uit het voorgaande blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook de meest recente nota en stukken van verzoekster mee in overweging heeft genomen, hetgeen verzoekster niet betwist. Verzoekster geeft niet aan welke elementen op onwettige wijze niet in de beoordeling zouden zijn betrokken of welke elementen zij niet zou hebben kunnen voorleggen of toelichten. Het meermaals opmerken dat het niet de bedoeling is ter terechtzitting een (overgelegde) nota voor te lezen, vormt op zich geen schending van het recht van verdediging of van het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel. A fortiori niet nu uit de bijlage bij de brief van verzoeksters advocaat van 12 juni 2020 blijkt dat de verwerende partij ter terechtzitting van de Raad voor XIV-38.427-2/4 Vreemdelingenbetwistingen slechts heeft verwezen naar “de geschriften”, zodat ook geen schending blijkt van “het beginsel van hoor en wederhoor”. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Dat verzoekster de motivering van het bestreden arrest “niet juist” acht, houdt geen verband met de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. De Raad van State treedt als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf, zodat hij niet vermag na te gaan of de motivering al dan niet “juist” is. Wat de door verzoekster bijgebrachte verklaringen van familieleden betreft, wordt in het bestreden arrest overwogen dat aan deze stukken “gelet op de nauwe persoonlijke en familiale band tussen deze personen en verzoekster, bezwaarlijk objectieve bewijswaarde [kan] worden gehecht”. Vervolgens wordt overwogen dat “hoe dan ook” uit deze (en andere) stukken “hoogstens [kan worden] afgeleid dat haar ex-partner verzoekster ervan beschuldigt zijn zoon te hebben ontvoerd, in verzoeksters directe omgeving en bij haar naasten vragen stelt naar verzoekster en haar zoon en een procedure opstartte tegen verzoekster” doch dat deze stukken “nergens […] concrete elementen of gegevens [bevatten] waaruit zou kunnen worden afgeleid dat verzoekster bij een terugkeer naar haar land van herkomst en in het kader van de geuite beschuldigingen en aangehaalde problemen geen recht zou hebben op een eerlijke rechtsgang en verstoken zou dreigen te blijven van de bescherming van haar nationale autoriteiten”. Het vormt geen tegenstrijdige motivering door eerst te overwegen dat aan bepaalde stukken geen objectieve bewijswaarde kan worden toegekend en vervolgens te overwegen dat “hoe dan ook” uit deze stukken niet blijkt dat verzoekster verstoken zou blijven van bescherming door haar nationale autoriteiten. Het eerste onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- In het bestreden arrest wordt, evenals in de aanvankelijk bestreden beslissing, de genaamde S.M. herhaaldelijk vermeld als zijnde verzoeksters “ex-partner”. Dat S.M. in het door verzoekster geciteerde fragment van het bestreden arrest de “ex- XIV-38.427-3/4 echtgenoot” van verzoekster wordt genoemd, doet geen afbreuk aan het feit dat S.M. elders in het arrest wel degelijk de “ex-partner” wordt genoemd. Nergens in het bestreden arrest wordt vermeld dat verzoekster gehuwd zou zijn geweest met S.M., noch blijkt enige betwisting over de vraag of verzoekster al dan niet gehuwd is geweest met S.M. Mocht er door de verkeerde benaming “ex-echtgenoot” al sprake zijn van enige onwettigheid, dan blijkt nergens uit dat de strekking van het bestreden arrest hierdoor werd beïnvloed. Het tweede onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op drieëntwintig oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.427-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.031 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div