← België

Cassatiebeschikking 14035 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.035 Rolnummer: A. 231496/XIV-38449 Zaak: Cassatiebeschikking 14035 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-14 21:05 Fiche Beschikking nr 14.035 van 29 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.035 van 29 oktober 2020 in de zaak A. 231.496/XIV-38.449 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter JP Lips kantoor houdend te 1050 Brussel Louizalaan 523 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 7 augustus 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.741 van 30 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen diende te dezen enkel uitspraak te doen over de vraag of verzoekster op grond van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) als vluchteling kan worden erkend en of haar op grond van artikel 48/4 van die wet de subsidiaire XIV-38.449-1/2 beschermingsstatus kan worden toegekend. Vermits met het bestreden arrest geen uitspraak wordt gedaan of moest worden gedaan over een verwijderingsmaatregel, vermocht de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze te oordelen dat verzoekster te dezen geen schending kon inroepen van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM). Verzoekster gaat overigens voorbij aan de omstandige en concrete motivering in het bestreden arrest betreffende een mogelijke schending van artikel 48/4, § 2, b), van de vreemdelingenwet, waarvan de bewoordingen “foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing” overeenstemmen met de bewoordingen van artikel 3 van het EVRM. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.449-2/2 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.035 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.