← België

Cassatiebeschikking 14036 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/10/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 29 oktober 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.036 Rolnummer: A. 231479/XIV-38447 Zaak: Cassatiebeschikking 14036 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 29/10/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-14 21:05 Fiche Beschikking nr 14.036 van 29 oktober 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.036 van 29 oktober 2020 in de zaak A. 231.479/XIV-38.447 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Martine De Raedemaeker kantoor houdend te 2800 Mechelen Augustijnenstraat 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 6 augustus 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 238.061 van 7 juli 2020 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 26 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. De wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ is als dusdanig niet van toepassing op jurisdictionele beslissingen zoals het bestreden arrest. Wel kan de Raad van State als administratieve cassatierechter het middel onderzoeken waarin wordt opgeworpen dat de Raad van Vreemdelingenbetwistingen als annulatierechter bij de beoordeling van de aanvankelijk XIV-38.447-1/4 bestreden beslissing de inhoud van die wet zou hebben geschonden, zonder dat de Raad van State zich daarbij echter in de plaats van de annulatierechter kan stellen om zelf te oordelen of de motivering van die beslissing afdoende is of niet. In de mate dat de verzoeksters daarnaast met “de motiveringsplicht” de jurisdictionele motiveringsplicht bedoelen, dient te worden opgemerkt dat deze het karakter heeft van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen.
  4. De verzoeksters richten zich tegen “het buiten beschouwing laten van de Britse nationaliteit van A.B.” in de aanvankelijk bestreden beslissing en voeren aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “in zijn arrest ten onrechte oordeelde dat een schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen niet aannemelijk wordt gemaakt” en dat “het bestreden [bevel om het grondgebied te verlaten] de formele motiveringsplicht [schendt]”. Daarmee vragen de verzoeksters in wezen een nieuwe beoordeling van de vraag of de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing al dan niet afdoende is. Als administratieve cassatierechter is de Raad van State hiervoor niet bevoegd omdat hij niet in de beoordeling van de zaak zelf treedt.
  5. Al heeft de erkenning van een kind declaratieve werking wat de afstamming betreft, het opstarten van een erkenningsprocedure heeft op zich geen rechtsgevolgen voor het kind of voor degene die het wenst te erkennen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft artikel 74/13 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ derhalve niet geschonden door de grief van de verzoeksters dat het te dezen gaat om méér dan een intentie tot erkenning vermits de procedure tot erkenning lopende is, te verwerpen als niet relevant omdat de erkenning nog niet was geschied op het ogenblik van de aanvankelijk bestreden beslissing. De verzoeksters gaan ook voorbij aan de vaststellingen in het bestreden arrest dat uit de stukken blijkt dat de erkenning werd uitgesteld en dat ter terechtzitting werd bevestigd dat de erkenning nog niet was gebeurd. In de mate dat de XIV-38.447-2/4 verzoeksters ook de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ geschonden achten, kan mutatis mutandis worden verwezen naar hetgeen supra in punt 2 is gesteld.
  6. De verzoeksters achten verder artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) geschonden omdat “het hoger belang van het kind […] niet afdoende onderzocht [kan] zijn wanneer de nationaliteit en de lopende erkenningsprocedure buiten beschouwing werden gelaten” en omdat “het niet in rekening nemen van alle feitelijkheden, zoals de nationaliteit van de vader en de lopende erkenningsprocedure met alle mogelijke gevolgen meebrengt dat geen juiste ‘fair balance’ afweging werd gemaakt in het bestreden [bevel om het grondgebied te verlaten]”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat, “los van de vraag of A.B. de natuurlijke vader is van het kind van de verzoekende partij, […] nergens uit [blijkt] dat hij de facto zorg draagt voor het kind of zich in een vorm van gezinsleven met het kind bevindt”, dat “de [aanvankelijk] bestreden beslissing […] rekening [heeft] gehouden met een bestaan van een gezinsleven tussen A.B. en de verzoekende partij met haar kind” en dat “uit geen enkele verklaring blijkt dat er sprake is van een gezins- of familieleven, wel integendeel”. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “blijkt niet dat elementen zijn aangereikt dat het belang van het kind de aanwezigheid van A.B. vereist”, had A.B. “niet de intentie een relatie op te bouwen met de verzoekende partijen(en)”, “blijkt niet dat A.B. de wens had om een relatie op te bouwen met het kind, laat staan al een relatie had met het kind” en reiken de verzoeksters “geen concrete elementen aan die erop wijzen dat, in dit geval, het hoger belang van het kind zou zijn geschonden”. De verzoeksters gaan in hun kritiek verder voorbij aan de motieven in het bestreden arrest dat zij niet verduidelijken waarom te dezen het hoger belang van het kind vergt dat het in België zou verblijven, dat zij vóór het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing niet het gegeven hebben kenbaar gemaakt dat A.B. werkt en het kind ten laste wil nemen, dat zij enkel hebben gesproken over de wens tot erkenning van het kind en dat het privéleven van eerste verzoekster evenmin wordt verduidelijkt. De verzoeksters gaan ook niet in op de motieven in de laatste alinea van punt 2.4 van het bestreden arrest waarin verder concreet wordt overwogen waarom zij geen schending aannemelijk maken van artikel 8 van het EVRM en van artikel 24 van het Handvest van de grondrechten van de XIV-38.447-3/4 Europese Unie. Waar de verzoeksters zich beperken tot een algemene verwijzing naar de nationaliteit van A.B. en diens lopende procedure tot erkenning van tweede verzoekster, zonder in te gaan op de voornoemde motivering, laat staan er de onwettigheid van aan te tonen, tonen zij geen schending aan van de aangehaalde supranationale bepalingen.
  7. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. De verzoeksters worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op negenentwintig oktober tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.447-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.036 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.