← België

Cassatiebeschikking 14044 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.044 Rolnummer: A. 231470/XIV-38445 Zaak: Cassatiebeschikking 14044 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-15 02:16 Fiche Beschikking nr 14.044 van 13 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.044 van 13 november 2020 in de zaak A. 231.470/XIV-38.445 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Thierry Soetaert en Mélanie Mugrefya kantoor houdend te 1082 Brussel de Selliers de Moranvillelaan 84 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 3 augustus 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.640 van 30 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 september 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Op grond van artikel 40bis van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) kunnen onder meer de bloedverwanten in opgaande lijn van de burgers van de Unie alsmede die van de echtgenoot “die te hunnen laste zijn, die hen begeleiden of zich bij hen voegen” aanspraak maken op een verblijfsrecht in het XIV-38.445-1/4 kader van gezinshereniging. Artikel 42, § 1, eerste lid, van de vreemdelingenwet bepaalt onder meer dat het recht op verblijf wordt erkend “aan de burger van de Unie en zijn familieleden onder de voorwaarden en voor de duur door de Koning bepaald overeenkomstig de Europese verordeningen en richtlijnen”. Uit artikel 2.2, d), van richtlijn 2004/38/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 ‘betreffende het recht van vrij verkeer en verblijf op het grondgebied van de lidstaten voor de burgers van de Unie en hun familieleden, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1612/68 en tot intrekking van de Richtlijnen 64/221/EEG, 68/360/EEG, 72/194/EEG, 73/148/EEG, 75/34/EEG, 75/35/EEG, 90/364/EEG, 90/365/EEG en 93/96/EEG’ (hierna: richtlijn 2004/38) blijkt dat als familielid van de burgers van de Unie onder meer worden bepaald de rechtstreekse bloedverwanten in opgaande lijn, alsmede die van de echtgenoot “die te hunnen laste zijn”. In het bestreden arrest wordt vastgesteld dat verzoekster een aanvraag tot gezinshereniging heeft ingediend in functie van haar schoonzoon van Portugese nationaliteit. Het wordt niet betwist dat verzoekster ouder is dan 21 jaar. Bijgevolg moet verzoekster voldoen aan de voorwaarde van het ten laste zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt op wettige wijze dat het ten laste zijn van de referentiepersoon moet worden aangetoond, ook toen verzoekster nog in haar land van herkomst verbleef. Hierbij verwijst hij terecht naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 januari 2014 in de zaak C-423/12, Reyes tegen Zweden, waarin is gesteld dat “de noodzaak van materiële steun […] in het land van oorsprong of van herkomst [moet] bestaan op het moment dat hij verzoekt zich bij die burger te mogen voegen”. Waar verzoekster de vereiste van het bewijs van het ten laste zijn van de referentiepersoon in haar land van herkomst onredelijk of disproportioneel achtte, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekster niet weerlegt dat de door haar voorgelegde stukken geen betalingen door de referentiepersoon aantonen toen zij nog in haar land van herkomst verbleef, dat het volgens verzoekster zeer moeilijk is de geldtransfers te bewijzen die gebeurden vóór haar komst naar België doch dat “dit […] een loutere bewering [is], tegengesproken door het gegeven dat zij wel degelijk bewijzen van geldstortingen overmaakte van 2011, maar, zoals de [aanvankelijk] bestreden beslissing correct stelt, deze te onregelmatig zijn en te beperkt zijn (slechts drie en afkomstig van J.C., een andere zoon van de verzoekende partij, en één storting van 1 februari 2008, afkomstig XIV-38.445-2/4 van een derde O.Y.) om op afdoende wijze een tenlasteneming door de referentiepersoon aan te tonen” en dat bijgevolg “de afhankelijkheidsrelatie tussen de verzoekende partij en de referentiepersoon, bestaande in het land van herkomst of origine, […] niet afdoende [is] bewezen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft dus wel degelijk de redelijkheid van het gevraagde bewijs onderzocht. Als administratieve cassatierechter vermag de Raad van State deze feitelijke beoordeling niet over te doen. Nu de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze het weigeringsmotief van het gebrek aan bewijs van het ten laste zijn in het land van herkomst heeft aanvaard, hoeft niet meer te worden ingegaan op verzoeksters argumentatie dat zij in België deel uitmaakt van het gezin van haar schoonzoon en diens dochter. Het eerste middel is kennelijk ongegrond.
  2. Wat de voorgehouden schending van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) betreft, laat verzoekster gelden dat geen rekening is gehouden met de betalingen door de referentiepersoon in 2018-2019 en met het feit dat verzoekster deel uitmaakt van het gezin van de referentiepersoon. Verzoekster heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen slechts aangevoerd dat zij niet mag worden gescheiden van het familielid waarvan zij afhankelijk is, dat zij ten laste is genomen door haar familie en er een centrale rol speelt als “matriarch”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt op dat het bestaan van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen verzoekster en haar schoonzoon niet blijkt en dat verzoekster in gebreke blijft alsnog een beschermenswaardig gezins- of familieleven in de zin van artikel 8 van het EVRM aan te tonen. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoekster geen enkele moeite doet om concrete argumenten naar voor te brengen die kunnen wijzen op “zeer uitzonderlijke omstandigheden” op grond waarvan een tijdens een illegaal of precair verblijf uitgebouwd gezinsleven kan leiden tot een positieve verplichting in hoofde van de verwerende partij om te voldoen aan de voorwaarden van artikel 8 van het EVRM. Er blijkt niet dat verzoekster elementen heeft aangevoerd waarmee de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening heeft gehouden bij zijn toetsing van XIV-38.445-3/4 de aanvankelijk bestreden beslissing aan artikel 8 van het EVRM. Verzoekster beperkt zich tot een algemene herhaling van haar standpunt doch voert niet concreet aan, en toont a fortiori niet aan, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de criteria van artikel 8 van het EVRM heeft geschonden. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe de feitelijke beoordeling van de (afhankelijkheids-)relatie tussen verzoekster en haar schoonzoon dan wel diens gezin over te doen. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  3. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  4. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.445-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.044 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.