← België

Cassatiebeschikking 14045 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.045 Rolnummer: A. 231569/XIV-38457 Zaak: Cassatiebeschikking 14045 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-15 02:17 Fiche Beschikking nr 14.045 van 13 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.045 van 13 november 2020 in de zaak A. 231.569/XIV-38.457 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hilde Van Vreckom kantoor houdend te 1030 Schaarbeek Adolphe Lacomblélaan 59-61 bus 5 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 augustus 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.754 van 1 juli 2020 van de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 september 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. XIV-38.457-1/5 Eerste onderdeel van het enige middel
  2. Verzoekster gaat uitgebreid in op de vraag of zij al dan niet besneden was en vanaf wanneer zij daarvan op de hoogte was. Waar verzoekster aanvoert dat “uit bijgevoegde documentatie […] klaarblijkelijk [blijkt] dat verzoekster allerminst de Belgische asielinstanties heeft proberen misleiden” en dat de door haar bijgebrachte “nieuwe en essentiële informatie […] klaarblijkelijk net aan[toont] dat verzoekster elementen naar voren heeft gebracht die de kans aanzienlijk groter maken dat zij in aanmerking zou komen voor erkenning als vluchteling”, vraagt zij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft te dezen uitspraak gedaan met hervormingsbevoegdheid. Hij beoordeelt aldus soeverein de door verzoekster voorgehouden geloofwaardigheid, dit is de bewijswaarde, van de meegedeelde informatie. Hij oordeelt eveneens soeverein of hij al dan niet over voldoende informatie beschikt om tot zijn beslissing te kunnen komen zonder dat aanvullende onderzoeksmaatregelen nodig zijn.
  3. Verzoekster acht het bestreden arrest “onvoldoende […] gemotiveerd omtrent het nieuwe aangehaalde element, namelijk de vrees voor herbesnijdenis en meer bepaald omwille van het fenomeen ‘simulacre d’excision’.” In punt 3.2.3 van het bestreden arrest zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omstandig en concreet uiteen waarom hij het niet aannemelijk acht dat verzoekster tot voor kort niet op de hoogte was van de dan voor het eerst aangevoerde gesimuleerde besnijdenis en waarom hij de dan ook voor het eerst aangevoerde vrees voor besnijdenis niet geloofwaardig acht. Verzoekster gaat voorbij aan deze motieven betreffende haar concrete situatie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt pas daarna dat verzoekster haar vrees om besneden te worden bij een terugkeer naar Guinee “bovendien” niet aannemelijk maakt met een algemeen en hypothetisch betoog dat haar nieuwe echtgenoot in geval van terugkeer, en bijgevolg uithuwelijking, zijn twijfels zal hebben of zij al dan niet besneden is noch met een verwijzing naar algemene rapporten over de traditionele zienswijze, zonder haar persoonlijke situatie hard te maken. Tot slot wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er “ten overvloede” nog op dat verzoeksters XIV-38.457-2/5 voorgehouden gedwongen huwelijk met haar tweede echtgenoot reeds tijdens het eerste verzoek om internationale bescherming compleet ongeloofwaardig werd bevonden. Verzoekster maakt wat dat betreft geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht als vormvereiste. Tweede onderdeel van het enige middel
  4. Verzoekster voert aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen “niet op volledige wijze de elementen van het dossier inzake de […] bijzondere procedurele noden heeft onderzocht en [niet] effectief geantwoord heeft op de argumenten die werden naar voor gebracht door verzoekster”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert uit en sluit zich in zijn met toepassing van artikel 39/73 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) genomen beschikking aan bij de aanvankelijk bestreden beslissing waarin wordt vastgesteld dat verzoekster in het kader van haar eerste verzoek om internationale bescherming coherente en omstandige verklaringen heeft afgelegd op de dienst Vreemdelingenzaken en op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, dat haar geschreven verklaringen in het kader van haar tweede verzoek om internationale bescherming uitgebreid en samenhangend zijn, dat ondanks de twee (identieke) psychologische rapporten waarin sprake is van cognitieve- en concentratie- en aandachtstoornissen, uit het geheel van verzoeksters verklaringen “geenszins [kan] worden afgeleid dat [zij] niet in staat was om uitgebreide en coherente verklaringen af te leggen, of niet bij machte was om op een volwaardige, functionele en zelfstandige wijze aan voorliggende procedure deel te nemen”. In antwoord op verzoeksters argumentatie in het verzoekschrift tot beroep en verzoeksters kritiek op de voornoemde met toepassing van artikel 39/73 van de vreemdelingenwet genomen beschikking, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “noch uit [verzoeksters] medische attesten noch uit haar afgelegde verklaringen kan worden afgeleid dat haar mentale gezondheidstoestand haar ervan zou weerhouden om geloofwaardige verklaringen af te leggen, ontdaan van incoherenties en dat haar mentale of psychische gemoedstoestand van die aard is om een negatieve invloed te hebben gehad op de behandeling van haar verzoek om internationale bescherming”. XIV-38.457-3/5 Met het voorgaande geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk aan waarom hij het bestaan van de door verzoekster aangevoerde bijzondere procedurele noden niet aanvaardt. Het vormt geen tegenstrijdigheid van motieven om enerzijds te aanvaarden dat verzoekster in staat bleek te zijn uitgebreide en samenhangende verklaringen af te leggen en anderzijds vast te stellen dat verzoeksters verklaringen ongeloofwaardig zijn omdat de door haar opgegeven redenen voor het pas in een tweede verzoek om internationale bescherming aanhalen van de vrees voor besnijdenis niet worden aanvaard en die vrees niet geloofwaardig wordt geacht. Verzoekster maakt ook wat dit betreft geen schending aannemelijk van de jurisdictionele motiveringsplicht.
  5. Als administratieve cassatierechter is de Raad van State niet bevoegd om in de plaats van de eerste rechter het al dan niet bestaan van bijzondere procedurele noden in hoofde van verzoekster te beoordelen. Verder dient te worden vastgesteld dat verzoekster haar standpunt dienaangaande herhaalt, doch nergens concreet aangeeft in welke mate haar verklaringen zouden zijn beïnvloed door haar psychische toestand en in welke mate dit ten gronde tot een onwettig weigeringsmotief zou hebben geleid in het bestreden arrest. Conclusie
  6. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  7. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  8. Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.457-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.457-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.045 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.