id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.046 Rolnummer: A. 231763/XIV-38474 Zaak: Cassatiebeschikking 14046 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-15 02:18 Fiche Beschikking nr 14.046 van 13 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.046 van 13 november 2020 in de zaak A. 231.763/XIV-38.474 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthieu Lys kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 11 september 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 239.571 van 11 augustus 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 23 september 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Uit het bestreden arrest blijkt dat verzoekster, van Libanese nationaliteit, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft laten gelden dat haar de vluchtelingenstatus, minstens de subsidiaire beschermingsstatus, moest worden toegekend, enkel en alleen op basis van het gegeven dat haar minderjarige kinderen, van Syrische nationaliteit, de subsidiaire beschermingsstatus hebben gekregen. XIV-38.474-1/5 Verzoekster houdt in het eerste onderdeel van het enige cassatiemiddel voor dat de Belgische wetgever geen sui generis-statuut heeft ingevoerd om artikel 23 van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) specifiek om te zetten waardoor de gezinsleden van een persoon die internationale bescherming geniet aanspraak zouden kunnen maken op de in de artikelen 24 tot 35 van de voornoemde richtlijn vermelde voordelen. Verzoeker laat gelden dat de rechter daarom artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) moet interpreteren conform artikel 23 van richtlijn 2011/95 en dat de enige mogelijkheid om het uit deze laatste richtlijnbepaling voortvloeiende verblijfsrecht te waarborgen “de toekenning van een afgeleid internationaal beschermingsstatuut betreft”. In het gedeeltelijk door verzoekster geciteerde arrest merkt het Hof van Justitie van de Europese Unie echter op “dat richtlijn 2011/95 niet voorziet in een dergelijke uitbreiding van de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus tot de gezinsleden aan wie deze status is verleend” en dat “uit artikel 23 van deze richtlijn […] immers voort[vloeit] dat deze richtlijn ertoe beperkt blijft de lidstaten te verplichten hun nationale recht zodanig vorm te geven dat gezinsleden in de zin van artikel 2, onder j), van deze richtlijn, van degene die een dergelijke status geniet, indien zij niet individueel de voorwaarden voor verkrijging van de status vervullen, aanspraak kunnen maken op bepaalde voordelen, waaronder met name de afgifte van een verblijfstitel, toegang tot werkgelegenheid of toegang tot onderwijs, die ertoe strekken het gezin in stand te houden”. (HvJ 4 oktober 2018, nr. C-652/16, Ahmedkova, nr. 68) Uit dit arrest blijkt in de eerste plaats dat richtlijn 2011/95 net geen verplichting inhoudt om de hoger omschreven gezinsleden te erkennen als vluchteling of hen de subsidiaire beschermingsstatus toe te kennen. Dienaangaande oordeelt het Hof immers dat artikel 3 van richtlijn 2011/95 de lidstaten “toestaat” te bepalen dat, indien internationale bescherming wordt verleend aan een gezinslid, het genot van deze bescherming wordt uitgebreid tot andere gezinsleden, mits zij niet onder een van de in artikel 12 van deze richtlijn genoemde uitsluitingsgronden vallen en hun situatie, wegens de behoefte om het gezin in stand te houden, een verband toont met de logica van de internationale bescherming. Er bestaat dus alleszins geen verplichting tot XIV-38.474-2/5 erkenning of toekenning van internationale bescherming aan gezinsleden van een persoon die zelf die bescherming geniet. Vervolgens bevatten de artikelen 23 en 24 van richtlijn 2011/95 geen verplichting tot het verstrekken van een sui generis-verblijfstitel aan gezinsleden van als dusdanig erkende vluchtelingen. In dat opzicht faalt verzoeksters kritiek naar recht. Het voornoemde artikel 24 voorziet integendeel dat de aan die gezinsleden af te geven verblijfstitel minder dan drie jaar geldig en verlengbaar kan zijn. Verzoekster voert nog aan dat de Belgische verblijfsregelgeving niet zou volstaan, doch uit niets blijkt dat zij ooit een aanvraag voor een verblijfstitel heeft ingediend als gezinslid van haar kinderen, aan wie wel de subsidiaire beschermingsstatus werd toegekend (laat staan dat haar een verblijfstitel zou zijn geweigerd of dat dergelijke verblijfstitel niet zou voldoen aan de door richtlijn 2011/95 gestelde vereisten). Verzoekster heeft dan ook geen belang bij haar kritiek dat de mogelijkheden om in België een verblijfstitel te krijgen niet zouden volstaan, noch maakt zij aannemelijk dat zij geen verblijfstitel zou kunnen krijgen op basis van gezinshereniging of op basis van artikel 9bis van de vreemdelingenwet. De motieven in het bestreden arrest dat “het doel van de asielprocedure […] niet [is] om het recht op eerbiediging van het gezinsleven te horen bevestigen”, dat verzoekster “geen vrees [poneerde] voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade in geval van terugkeer naar Libanon omwille van haar familieband met haar kinderen, die de subsidiaire beschermingsstatus kregen toegekend gelet op hun Syrische nationaliteit”, dat “verzoekster […] zich aldus niet zonder meer [kan] steunen op de toekenning van subsidiaire beschermingsstatus aan haar kinderen” en dat “verzoekster […] aldus gebruik [dient] te maken van de geëigende procedures die zouden kunnen leiden tot een verblijfsrecht in België op basis van de gezinssituatie” zijn derhalve niet onwettig in het licht van het bovenstaande. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Verzoeksters enige middel voor de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen had er uitsluitend betrekking op dat de subsidiaire beschermingsstatus haarzelf werd geweigerd, in tegenstelling tot haar kinderen. Verzoekster zag hierin een schending van XIV-38.474-3/5 artikel 1 van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (hierna: het vluchtelingenverdrag) van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet, van artikel 23 van richtlijn 2011/95 en van de zorgvuldigheidsplicht en de materiëlemotiveringsplicht. Daarmee heeft verzoekster aanspraak gemaakt op internationale bescherming en heel haar betoog had daarop betrekking. Verzoekster heeft zich voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen echter niet beroepen op de in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), bedoelde bescherming van het privé-, gezins- of familieleven. Verzoekster toont niet aan dat zij niet in de mogelijkheid was een schending op te werpen van artikel 8 van het EVRM en zij vermag die schending derhalve niet voor het eerst in de graad van administratieve cassatie op te werpen. Om dezelfde reden vermag verzoekster evenmin voor het eerst in de graad van administratieve cassatie een schending op te werpen van de artikelen 7 en 24 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en van artikel 3 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk niet- ontvankelijk. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoekster wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.474-4/5 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.474-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.046 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div