id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 13 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.047 Rolnummer: A. 231698/XIV-38471 Zaak: Cassatiebeschikking 14047 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 13/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-11-18 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-15 02:18 Fiche Beschikking nr 14.047 van 13 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.047 van 13 november 2020 in de zaak A. 231.698/XIV-38.471 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat François Roland kantoor houdend te 1000 Brussel Saint-Quentinstraat 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 4 september 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 239.443 van 4 augustus 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 16 september 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Artikel 12.1, a), van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking)’ (hierna: richtlijn 2011/95) luidt: XIV-38.471-1/7 “Een onderdaan van een derde land of staatloze wordt uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer: a) hij onder artikel 1, onder D, van het Verdrag van Genève valt, dat betrekking heeft op het genieten van bescherming of bijstand van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan de UNHCR. Is die bescherming of bijstand om welke reden ook opgehouden zonder dat de positie van de betrokkene definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, dan heeft de betrokkene op grond van dit feit recht op de voorzieningen uit hoofde van deze richtlijn;” Naar luid van artikel 55/2 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) wordt een vreemdeling uitgesloten van de vluchtelingenstatus wanneer hij (onder meer) valt onder artikel 1, D van het internationaal verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, (hierna: het vluchtelingenverdrag). Artikel 1, D van het vluchtelingenverdrag bepaalt: “Dit Verdrag is niet van toepassing op personen die thans bescherming of bijstand genieten van andere organen of instellingen van de Verenigde Naties dan van de Hoge Commissaris van de Verenigde Naties voor de Vluchtelingen. Wanneer deze bescherming of bijstand om welke redenen ook is opgehouden, zonder dat de positie van zodanige personen definitief geregeld is in overeenstemming met de desbetreffende resoluties van de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, zullen deze personen van rechtswege onder dit Verdrag vallen.” Uit de voornoemde bepalingen volgt in essentie dat Palestijnen die bescherming of bijstand genieten van het United Nations Relief and Works Agency for Palestine Refugees in the Near East (hierna: UNRWA), uitgesloten worden van de vluchtelingenstatus doch dat zij, indien deze bescherming of bijstand buiten de invloed of onafhankelijk van de wil van de vreemdeling ophoudt, van rechtswege aanspraak kunnen maken op de vluchtelingenstatus.
- Verzoeker voert in het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel aan dat zijn bezit van een UNRWA-registratiekaart volstaat om binnen de werkingssfeer van artikel 1, D van het vluchtelingenverdrag te vallen. Het is juist dat het Hof van Justitie van de Europese Unie in zijn arrest van 17 juni 2010 in de zaak C-31/09, Bolbol tegen Hongarije, heeft overwogen “dat de registratie bij het UNRWA toereikend bewijs vormt voor het feit dat daadwerkelijk hulp daarvan wordt genoten”. Het Hof heeft vervolgens in dat arrest echter ook overwogen en op XIV-38.471-2/7 de desbetreffende prejudiciële vraag geantwoord dat een persoon, voor de toepassing van artikel 12.1, sub a, eerste volzin, van (thans) richtlijn 2011/95, bescherming of bijstand van een andere instelling van de Verenigde Naties dan de UNHCR geniet, “wanneer die persoon daadwerkelijk deze bescherming of bijstand heeft ingeroepen”. Daarenboven heeft hetzelfde Hof in zijn arrest van 25 juli 2018 in de zaak C-585/16, Alheto tegen Bulgarije, op de in die zaak gestelde eerste prejudiciële vraag geantwoord dat artikel 12.1, a), van richtlijn 2011/95 aldus moet worden uitgelegd “dat de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door een persoon die bij de Organisatie van de Verenigde Naties voor Hulpverlening aan Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) is geregistreerd, onderzoek vereist naar de vraag of deze persoon daadwerkelijk bescherming of bijstand van deze organisatie geniet, op voorwaarde dat dit verzoek eerder niet is afgewezen op basis van een niet-ontvankelijkheidsgrond of een andere uitsluitingsgrond dan die welke is genoemd in artikel 12, lid 1, onder a), eerste volzin, van richtlijn 2011/95”. Uit deze rechtspraak blijkt duidelijk, zoals in het bestreden arrest wordt aangenomen en anders dan verzoeker voorhoudt, dat ook bij de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat is ingediend door de houder van een UNRWA-registratiekaart, moet worden onderzocht of de betrokkene daadwerkelijk bescherming of bijstand van het UNRWA geniet. Het eerste en het tweede onderdeel van het eerste middel zijn kennelijk ongegrond.
- Verzoeker houdt voor dat hij heeft getracht naar Jordanië te reizen om de bijstand van het UNRWA in te roepen doch dat hem de binnenkomst in Jordanië werd geweigerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt in het bestreden arrest vast dat verzoeker niet betwist nooit in Jordanië te zijn geweest en voorhoudt dat hij enkel werd geregistreerd bij het UNRWA “als afstammeling” omdat hij er “recht” op had en dat verzoeker “aldus bevestigt […] dat hij weliswaar gerechtigd was om UNRWA-bijstand te genieten doch deze nooit daadwerkelijk heeft ingeroepen dan wel genoten heeft”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen voegt eraan toe dat “de omstandigheid dat verzoeker getracht heeft het mandaatgebied van UNRWA waar hij geregistreerd is binnen te komen […] in dezen niet relevant [is]. XIV-38.471-3/7 Verzoeker vecht de vaststelling niet aan dat hij heel zijn leven nooit in Jordanië is geweest. Waar verzoeker weliswaar heeft verklaard dat hij geen visum kreeg om zijn moeder in Jordanië te bezoeken, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze oordelen dat niet blijkt dat verzoeker ooit de bescherming of de steun van het UNRWA ooit daadwerkelijk heeft genoten of ingeroepen. Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en komt het hem niet toe zich zelf een feitelijk oordeel te vormen over de door verzoeker voorgehouden omstandigheden. Het derde onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- De standpunten van het UNHCR hebben geen bindende kracht in het Belgische recht. Er kan dan ook geen schending van de door verzoeker aangehaalde bepalingen worden afgeleid uit een mogelijke schending van een UNHCR-standpunt. Het vierde onderdeel van het eerste middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- Dat verzoeker ten gronde een andere mening is toegedaan over de draagwijdte van artikel 12 van richtlijn 2011/95 dan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, doet geen afbreuk aan de wettigheid van het motief in het bestreden arrest dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er op grond van artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie niet toe verplicht is een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie vermits de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vatbaar zijn voor cassatieberoep bij de Raad van State. Het vijfde onderdeel van het eerste middel is kennelijk ongegrond.
- Uit punt 2 supra blijkt dat het Hof van Justitie van de Europese Unie duidelijk heeft gesteld dat bij de behandeling van een verzoek om internationale bescherming ingediend door de houder van een UNRWA-registratiekaart moet worden onderzocht of de betrokkene daadwerkelijk bijstand of bescherming van het UNRWA geniet. XIV-38.471-4/7 Bijgevolg dient de eerste door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag niet meer te worden gesteld. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft vastgesteld dat verzoeker nooit de bescherming of steun van het UNRWA heeft genoten noch deze heeft ingeroepen. Bijgevolg is het antwoord op de tweede door verzoeker voorgestelde prejudiciële vraag niet dienstig voor de oplossing van het geschil, zodat ook deze vraag niet moet worden gesteld.
- Om als vluchteling te kunnen worden erkend, dient een verzoeker om internationale bescherming een gegronde vrees voor vervolging aan te tonen. Deze vrees dient actueel te zijn op het ogenblik van het onderzoek van de aanvraag. Bij dat onderzoek dient ook rekening te worden gehouden met de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van de verzoeker om internationale bescherming. Uit het voorgaande volgt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij zijn onderzoek van de door verzoeker voorgehouden vrees voor vervolging in de Verenigde Arabische Emiraten (hierna: de VAE) op wettige wijze rekening mocht houden met de situatie dat verzoeker geen verblijfsrecht meer heeft in de VAE, de VAE niet meer binnen mag en hem zelfs effectief de toegang tot de VAE werd geweigerd toen hij, na zijn deportatie uit de VAE naar Maleisië, door Maleisië werd teruggestuurd naar de VAE. Vermits de vrees voor vervolging een actueel karakter dient te hebben, kon de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op wettige wijze de erkenning als vluchteling weigeren omdat hij een terugkeer naar – en bijgevolg het ondergaan van vervolging in – de VAE als louter hypothetisch beschouwt. Verzoeker heeft voor de eerste rechter geen schending opgeworpen van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) noch toont hij aan dat hij die schending niet kon opwerpen voor de eerste rechter. Hij vermag die schending derhalve niet voor het eerst op te werpen in de graad van administratieve cassatie. Nu verzoeker de schending van artikel 3 van het EVRM niet op ontvankelijke wijze heeft ingeroepen en hij geen schending van een ander door het EVRM beschermd recht inroept, kan hij evenmin op ontvankelijke wijze een schending van artikel 13 van het EVRM inroepen. XIV-38.471-5/7 Verzoeker heeft voor de eerste rechter ook geen schending opgeworpen van de artikelen 4 en 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie. De vaststelling dat verzoeker niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van internationale bescherming vormt hoe dan ook geen inbreuk op deze bepalingen van het Handvest. Het eerste onderdeel van het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Uit de behandeling van het eerste middelonderdeel blijkt de ongegrondheid van het tweede onderdeel van het tweede middel wat betreft het in aanmerking nemen van het feit dat een terugkeer van verzoeker naar de VAE louter hypothetisch is.
- In het derde onderdeel van het tweede middel richt verzoeker zich tegen de overwegingen in het bestreden arrest dat de door verzoeker aangehaalde feiten in de VAE (de gevolgen van verzoekers relatie met een Syrisch meisje) van gemeenrechtelijke en interpersoonlijke aard zijn zodat ze niet kunnen worden beschouwd als daden van vervolging en dat de opgelegde straf niet kan worden aanzien als buitenproportioneel. Verzoekers kritiek heeft in het licht van het ongegrond bevonden eerste en tweede middelonderdeel echter betrekking op een overtollig motief. Het derde onderdeel van het tweede middel is kennelijk niet- ontvankelijk.
- Verzoeker geeft niet aan welke “nieuwe argumentatie” de nota met opmerkingen van de verwerende partij voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zou hebben bevat, laat staan op welke elementen uit die nota het bestreden arrest ten onrechte zou zijn gesteund. Het derde middel is onvoldoende precies en derhalve alleen al om die reden kennelijk niet-ontvankelijk. XIV-38.471-6/7 BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertien november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.471-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.047 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div