← België

Cassatiebeschikking 14079 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.079 Rolnummer: A. 231059/XIV-38389 Zaak: Cassatiebeschikking 14079 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-27 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-15 02:20 Fiche Beschikking nr 14.079 van 30 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.079 van 30 november 2020 in de zaak A. 231.059/XIV-38.389 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Julie Janssens kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 juni 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 235.916 van 19 mei 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 8 juli 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Artikel 15, b), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ is omgezet in het Belgische recht door artikel 48/4, § 2, b), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: XIV-38.389-1/6 de vreemdelingenwet). Naar luid van deze bepalingen, waarvan verzoeker de schending opwerpt, kan “ernstige schade” bestaan uit “foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst”. Op hun beurt stemmen deze bepalingen overeen met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen de Duitse Bondsrepubliek e.a., gesteld dat “in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel [moet] worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het Handvest, het Verdrag van Genève en het EVRM”, dat “toch […] niet [kan] worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, en dat dus een ernstig risico bestaat dat personen die om internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt” en dat, “wanneer de rechter bij wie beroep wordt ingesteld tegen een besluit waarbij een nieuw verzoek om internationale bescherming is afgewezen wegens niet- ontvankelijkheid, over gegevens beschikt die de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er in de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, een dergelijk risico bestaat, […] deze rechter dan ook ertoe [is] gehouden om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken”. Het Hof benadrukt in dat verband dat de voormelde tekortkomingen “alleen dan onder artikel 4 van het Handvest vallen […] wanneer die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens van de zaak”. Het Hof overweegt dat “deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid” en dat “die drempel […] dus niet [wordt] bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een XIV-38.389-2/6 grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling”. Het Hof stelt nog dat een bepaalde omstandigheid in de andere lidstaat “alleen dan [kan] leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat die verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie”.
  2. In de aanvankelijk bestreden beslissing, waarbij het bestreden arrest zich in fine aansluit, wordt vastgesteld dat verzoeker, die in Griekenland werd erkend als vluchteling en er een verblijfsvergunning heeft gekregen, geen elementen heeft vermeld waaruit kan worden afgeleid dat hij Griekenland heeft verlaten wegens een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade. Verzoeker heeft zijn verzoek om internationale bescherming in België gesteund op een slechte behandeling door de Griekse autoriteiten, een incident met een Albanees en de slechte socio-economische en leefomstandigheden in Griekenland. Volgens de aanvankelijk bestreden beslissing was de voorgehouden slechte behandeling bij verzoekers aankomst in Griekenland op zich onvoldoende zwaarwichtig om tot internationale bescherming te kunnen leiden, ging het slechts om niet gestaafde blote beweringen en heeft verzoeker, behalve deze voorgehouden gebeurtenissen, blijkbaar geen problemen meer gehad met de Griekse autoriteiten. Wat het incident met een Albanees betreft, wordt vastgesteld dat verzoeker er geen enkel begin van bewijs van levert, dat verzoeker geen hulp van de Griekse autoriteiten heeft ingeroepen en dat het gemeenrechtelijke feiten betreft die in geen enkel land kunnen worden uitgesloten. Wat de levensomstandigheden in Griekenland betreft, wordt in de aanvankelijk bestreden beslissing erop gewezen dat verzoekers aanvankelijke situatie is veranderd doordat hij een beschermingsstatuut kreeg. Er wordt ook vastgesteld dat verzoeker zelf heeft verklaard alle soorten van bijstand in Griekenland moedwillig te hebben geweigerd, dit om niet in België te worden afgewezen omdat hij in Griekenland al hulp en bijstand zou hebben. Waar verzoeker een gebrek aan medische bijstand inriep, wordt in de aanvankelijk bestreden beslissing vastgesteld dat verzoeker in Griekenland een kijkoperatie en een bloedonderzoek onderging. Er wordt besloten dat verzoeker niet concreet aantoont dat hij daadwerkelijk was verhinderd om in Griekenland te voorzien in zijn elementaire levensbehoeften of om er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen waaronder de gezondheidszorg, zodat XIV-38.389-3/6 verzoeker niet aannemelijk maakt dat zijn situatie de vereiste drempel inzake zwaarwichtigheid bereikte. Wat verzoekers ziekte (van Crohn) betreft, wordt opgemerkt dat verzoeker zich beperkt tot blote beweringen doch geen concrete elementen aanbrengt die een gebrek aan toegang tot de vereiste gezondheidszorg in Griekenland aantonen. Gelet op het voorgaande, wordt vastgesteld dat verzoekers basisrechten als persoon die internationale bescherming geniet, gegarandeerd zijn in Griekenland en dat zijn levensomstandigheden niet kunnen worden beschouwd als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: het EVRM).
  3. Verzoeker heeft voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen laten gelden dat hij zich bij terugkeer naar Griekenland in “een situatie van extreme materiële deprivatie” zou bevinden. Hij heeft daartoe een aantal algemene rapporten ingeroepen betreffende de toegang tot huisvesting en arbeid, tot gezondheidszorg en tot sociale voorzieningen. Verder heeft hij concreet gewezen op de nood aan behandeling van zijn benen wegens onder meer flebitis.
  4. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt in het bestreden arrest dat landeninformatie weliswaar een belangrijk aspect kan vormen bij de globale beoordeling, doch an sich niet volstaat om a priori te besluiten dat de geboden bescherming in een andere lidstaat niet langer effectief of toereikend zou zijn. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst vervolgens op het belang van de individuele situatie en persoonlijke ervaringen van verzoeker in Griekenland, waarbij het deze laatste toekomt de nodige concrete elementen aan te reiken die van aard zijn het vermoeden te weerleggen dat hij zich kan beroepen op de bescherming die hem in Griekenland werd verleend. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkt te dezen uit de aanvankelijk bestreden beslissing, na individueel en concreet onderzoek van het geheel van de voorliggende elementen, dat verzoeker persoonlijk niet concreet aannemelijk heeft gemaakt dat de hem in Griekenland verleende bescherming ontoereikend zou zijn, noch dat verzoeker een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op het lijden van ernstige schade kan doen gelden ten overstaan van Griekenland. Verzoeker slaagt er met het herhalen van zijn eerdere verklaringen en het op algemene wijze inroepen van een aantal moeilijkheden, zonder een concreet verweer te ontwikkelen tegen de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing, niet in een ander licht te werpen op de vaststellingen in de bestreden beslissing. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat de levensomstandigheden in Griekenland een probleem van socio-economische aard vormen dat niet valt onder het XIV-38.389-4/6 toepassingsgebied van de artikelen 48/3 en 48/4 van de vreemdelingenwet. Hij merkt daarbij nog op dat betreffende de toegang tot basisvoorzieningen zoals gezondheidszorg, huisvesting enz., in beginsel de omstandigheden van de Griekse onderdanen als maatstaf gelden en niet de omstandigheden in andere EU-lidstaten vermits deze onderling kunnen verschillen. Op grond van het voorgaande besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker “niet concreet [aan]toont dat hij daadwerkelijk verhinderd was om in Griekenland in zijn elementaire levensbehoeften te voorzien of om er aanspraak te kunnen maken op bepaalde basisvoorzieningen” en “evenmin op concrete wijze aannemelijk [heeft] gemaakt dat hij er moeilijkheden of incidenten met de daar aanwezige autoriteiten, overheden of burgerbevolking heeft gekend die kunnen worden aangemerkt als daden van vervolging of ernstige schade”. Wat zijn ziekte betreft, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker met een medisch attest “niet [kan] aantonen dat hij, die internationale bescherming geniet in Griekenland, geen toegang zou krijgen tot de gezondheidszorg in Griekenland inzake dit medische probleem”.
  5. Uit het door verzoeker geciteerde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019 blijkt dat de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden van de zaak om te oordelen of de tekortkomingen in een andere lidstaat een dermate hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken dat de betrokkene, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. Door met verwijzing naar de concrete omstandigheden van de zaak en verzoekers eigen verklaringen te dezen aan te nemen dat algemene landeninformatie niet volstaat om te besluiten dat verzoeker concreet in de voornoemde toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zou terechtkomen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest noch artikel 48/3 van de vreemdelingenwet noch artikel 48/4, § 2, b), van die wet of artikel 15, c), van richtlijn 2011/95 geschonden. Als administratieve cassatierechter komt het Raad van State niet toe om de dienaangaande door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen. Anders dan verzoeker voorhoudt, wordt in het bestreden arrest niet als voorwaarde gesteld dat verzoeker “specifiek wordt geviseerd”. Er wordt enkel geoordeeld dat verzoeker niet concreet aantoont dat hij in Griekenland het slachtoffer zou XIV-38.389-5/6 worden van een behandeling die in strijd is met de aangehaalde bepalingen en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie.
  6. Door te dezen, zoals supra weergegeven, aan te halen dat algemene landeninformatie niet volstaat en door met concrete verwijzing naar de door verzoeker afgelegde verklaringen betreffende zijn verblijf in Griekenland te oordelen dat verzoeker geen tekortkomingen in Griekenland aantoont die de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vereiste hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken, beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk verzoekers argumentatie om diens verzoek om internationale bescherming te verwerpen. Daarmee is voldaan aan de in de artikelen 149 van de Grondwet en 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen.
  7. Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.389-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.079 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.