← België

Cassatiebeschikking 14082 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.082 Rolnummer: A. 231398/XIV-38435 Zaak: Cassatiebeschikking 14082 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-29 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-15 02:22 Fiche Beschikking nr 14.082 van 30 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.082 van 30 november 2020 in de zaak A. 231.398/XIV-38.435 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Françoise Jacobs kantoor houdend te 1050 Brussel Kroonlaan 88 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 27 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 237.250 van 19 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 12 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift tot beroep voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet gewezen op hetgeen hij thans in het cassatiemiddel voorhoudt, namelijk “dat de verzoekende partij, heel concreet, enkel specifiek glutenvrije voedsel kan verteren en bijgevolg eten, hetgeen haar uiteraard verhinder[t] basisproducten te eten die gluten bevatten, zodat zij ernstig verhinderd werd in haar heel elementaire behoefte, nl. eten, te voorzien”. Verzoeker heeft slechts in een ter terechtzitting van de Raad voor XIV-38.435-1/3 Vreemdelingenbetwistingen overgelegde nota verwezen naar “een medisch attest [van 8 februari 2020] dat naar heel het kwetsbaar profiel van de verzoekende partij wijst” en aangehaald dat hij “een bijzondere dieet” dient te volgen. In het bestreden arrest wordt verwezen naar “het medisch attest d.d. 8 februari 2020 betreffende de glutenintolerantie waarmee verzoekende partij kampt” en “de bijgebrachte informatie over het dieet dat bij dergelijke glutenintolerantie gevolgd moet worden”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt vervolgens “dat verzoekende partij evenwel niet aantoont dat zij omwille van haar medische en/of psychologische problemen bijzonder kwetsbaar is nu zij niet aantoont dat zij geen toegang heeft tot medische zorgen in Griekenland en verder evenmin aantoont dat deze medische en/of psychische problemen van die aard zijn dat zij haar verhinderen zich zelfstandig staande te houden in de maatschappij en haar rechten te effectueren waardoor zij dreigt in een situatie van verregaande materiële deprivatie terecht te komen”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft daarenboven vastgesteld dat verzoeker niet de motivering van de aanvankelijk bestreden beslissing ontkracht, onder meer dat verzoeker wel degelijk als tolk Arabisch-Engels heeft gewerkt in Griekenland, dat niet blijkt dat hij daarnaast intensief werk heeft gezocht, dat hij huisvesting genoot gedurende gans de periode dat hij in Griekenland verbleef, dat hij wel degelijk over medische bijstand beschikte, dat hij werd doorverwezen naar een gespecialiseerde arts die hij weliswaar met eigen middelen diende te vergoeden, dat er mobiele medische centra bestonden en dat verzoeker pijnstillers kreeg. In het licht van verzoekers zeer algemene verwijzing naar glutenintolerantie volstaan de voornoemde overwegingen om te voldoen aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wat verzoekers voorgehouden medische problematiek betreft ook verwijst naar de mogelijkheid een aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen op grond van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’, doet geen afbreuk aan het voorgaande. Verder treedt de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling van de zaak zelf en vermag hij zich dus niet uit te spreken over de beoordeling van de gevolgen van verzoekers glutenintolerantie door de eerste rechter. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. XIV-38.435-2/3 BESLUIT:
  2. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  3. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.435-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.082 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.