← België

Cassatiebeschikking 14084 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.084 Rolnummer: A. 231814/XIV-38476 Zaak: Cassatiebeschikking 14084 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-29 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-15 02:22 Fiche Beschikking nr 14.084 van 30 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.084 van 30 november 2020 in de zaak A. 231.814/XIV-38.476 In zake :

  1. XXXXX
  2. XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Matthieu Lys kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 17 september 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 239.668 van 13 augustus 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 oktober 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. XIV-38.476-1/7 Eerste onderdeel van het enige middel
  4. De bescherming op grond van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), houdt te dezen in dat, wanneer zou worden vastgesteld dat er ernstige redenen zijn om aan te nemen dat de verzoekers een reëel risico lopen om in Griekenland een behandeling te ondergaan die in strijd is met artikel 3 van het EVRM, zij niet naar dat land mogen worden teruggeleid. Deze bescherming heeft, zoals de verzoekers terecht laten gelden, een absoluut karakter, hetgeen inhoudt dat er onder meer geen afbreuk aan kan worden gedaan indien de betrokkene zich zelf zou hebben schuldig gemaakt aan feiten in strijd met artikel 3 van het EVRM, zou moeten worden uitgesloten worden van de vluchtelingenstatus of een gevaar voor de openbare orde zou vormen. In die zin mag inderdaad geen rekening worden gehouden met het eigen gedrag van de verzoekers. Het voorgaande sluit echter niet uit dat bij een toetsing aan artikel 3 van het EVRM moet worden onderzocht of er een reëel, persoonlijk en voorzienbaar risico bestaat aan blootstelling van de betrokkene aan een behandeling of bestraffing in strijd met die verdragsbepaling. Hierbij dient rekening te worden gehouden met alle specifieke feiten en omstandigheden van de zaak, ook in hoofde van de betrokkenen zelf.
  5. In het bestreden arrest wordt de individuele situatie van de verzoekers in Griekenland mede in het onderzoek betrokken om na te gaan of zij er een reëel risico lopen op een behandeling die in strijd zou zijn met artikel 3 van het EVRM. Mede op grond van de individuele situatie en het persoonlijk gedrag van de verzoekers, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vast dat de verzoekers geen reëel risico lopen op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM. Er wordt in het bestreden arrest echter geen rekening gehouden met het gedrag van de verzoekers om hen de bescherming tegen een vastgesteld risico te ontzeggen. De kritiek van de verzoekers als zou met het bestreden arrest afbreuk worden gedaan aan het absolute karakter van de door artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie verleende bescherming, berust derhalve op een verkeerde lezing van dat arrest. De door de verzoekers voorgestelde prejudiciële vraag is dan ook niet relevant voor de oplossing van het geschil. XIV-38.476-2/7
  6. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. Tweede onderdeel van het enige middel
  7. Artikel 15, b), van richtlijn 2011/95/EU van 13 december 2011 ‘inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming’ (hierna: richtlijn 2011/95) is omgezet in het Belgische recht door artikel 48/4, § 2, b), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet). Naar luid van deze bepalingen, waarvan verzoeker de schending opwerpt, kan “ernstige schade” bestaan uit “foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing van een verzoeker in zijn land van herkomst”. Op hun beurt stemmen deze bepalingen overeen met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en C-438/17, Ibrahim tegen de Duitse Bondsrepubliek e.a., gesteld dat “in het kader van het gemeenschappelijk Europees asielstelsel [moet] worden aangenomen dat de behandeling van personen die om internationale bescherming verzoeken, in elke lidstaat in overeenstemming is met de vereisten van het Handvest, het Verdrag van Genève en het EVRM”, dat “toch […] niet [kan] worden uitgesloten dat de werking van dit stelsel in de praktijk in een bepaalde lidstaat grote moeilijkheden ondervindt, en dat dus een ernstig risico bestaat dat personen die om internationale bescherming verzoeken, in die lidstaat worden behandeld op een wijze die hun grondrechten schendt” en dat, “wanneer de rechter bij wie beroep wordt ingesteld tegen een besluit waarbij een nieuw verzoek om internationale bescherming is afgewezen wegens niet- ontvankelijkheid, over gegevens beschikt die de verzoeker heeft overgelegd om aan te tonen dat er in de lidstaat die reeds subsidiaire bescherming heeft verleend, een dergelijk risico bestaat, […] deze rechter dan ook ertoe [is] gehouden om op basis van objectieve, betrouwbare, nauwkeurige en naar behoren bijgewerkte gegevens en afgemeten aan het beschermingsniveau van de door het Unierecht gewaarborgde grondrechten, te oordelen of er sprake is van tekortkomingen die hetzij structureel of fundamenteel zijn, hetzij bepaalde groepen van personen raken”. Het Hof benadrukt in dat verband dat de voormelde XIV-38.476-3/7 tekortkomingen “alleen dan onder artikel 4 van het Handvest vallen […] wanneer die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken, wat afhangt van alle gegevens van de zaak”. Het Hof overweegt dat “deze bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid is bereikt wanneer de onverschilligheid van de autoriteiten van een lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte, en negatieve gevolgen zou hebben voor zijn fysieke of mentale gezondheid of hem in een toestand van achterstelling zou brengen die onverenigbaar is met de menselijke waardigheid” en dat “die drempel […] dus niet [wordt] bereikt in situaties die, ook al worden zij gekenmerkt door een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon, geen zeer verregaande materiële deprivatie meebrengen waardoor deze persoon in een situatie terechtkomt die zo ernstig is dat zijn toestand kan worden gelijkgesteld met een onmenselijke of vernederende behandeling”. Het Hof stelt nog dat een bepaalde omstandigheid in de andere lidstaat “alleen dan [kan] leiden tot de vaststelling dat de verzoeker er wordt blootgesteld aan een reëel risico op een behandeling die in strijd is met artikel 4 van het Handvest, wanneer die omstandigheid tot gevolg heeft dat die verzoeker vanwege zijn bijzondere kwetsbaarheid, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, zou terechtkomen in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie”.
  8. Na te hebben vastgesteld dat de verzoekers niet betwisten dat zij beschikken over internationale bescherming in Griekenland, verwijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest naar de voornoemde rechtspraak. Hij oordeelt echter dat “uit de [aanvankelijk] bestreden beslissingen blijkt dat in voorliggend geval, na een individueel en inhoudelijk onderzoek van het geheel van de elementen die voorliggen, kan worden vastgesteld dat verzoekers niet aantonen dat hun levensomstandigheden in Griekenland de vereiste drempel van zwaarwichtigheid zullen bereiken”. Hij overweegt dat landeninformatie weliswaar een belangrijk aspect kan vormen bij de globale beoordeling, doch dat het aan de verzoekers is om aan te tonen dat er in Griekenland sprake is van tekortkomingen waardoor hun terugkeer naar Griekenland tot gevolg heeft dat zij, buiten hun wil en persoonlijke keuzes om, in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zullen terechtkomen. Hierna citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de aanvankelijk bestreden beslissingen wat de persoonlijke omstandigheden van de beide verzoekers betreft en hij acht die beoordelingen correct en XIV-38.476-4/7 pertinent. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is van oordeel dat de verzoekers door het in wezen herhalen van hun verklaringen over hun levensomstandigheden en het aanvoeren dat deze verklaringen worden bevestigd door internationale rapporten, geen afbreuk doen aan de vaststellingen in de aanvankelijk bestreden beslissingen. Zij tonen ook niet aan dat zij in een toestand van verregaande materiële deprivatie zouden terechtkomen bij een terugkeer naar Griekenland omdat eerste verzoekster een alleenstaande moeder met een baby is. Waar eerste verzoekster liet gelden dat zij niet de nodige zorgen in Griekenland verkreeg voor haar zwangerschap, wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen erop dat uit de motivering van de haar betreffende beslissing blijkt dat zij wel degelijk toegang had tot gezondheidszorg in Griekenland, dat zij inmiddels bevallen is en geen melding maakt van enig gezondheidsprobleem in hoofde van haarzelf of van het kind en dat evenmin elementen voorliggen waaruit blijkt dat eerste verzoekster desgevallend de toegang tot gezondheidszorg in Griekenland zal worden geweigerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt verder op dat eerste verzoekster wel haar woning in Griekenland diende te verlaten toen zij hoogzwanger was doch dat zij niet de nodige inspanningen heeft gedaan om een andere woning te vinden vermits zij reeds vier dagen later Griekenland heeft verlaten, hoewel zij in Griekenland een partner had en zij enige financiële steun ontving vanwege de Griekse overheid. Wat tweede verzoeker betreft, overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat uit diens verklaringen niet blijkt dat hij in Griekenland een bestaan wilde en trachtte uit te bouwen doch dat hij meteen na zijn aankomst een andere EU- lidstaat trachtte te bereiken, evenals na zijn erkenning als vluchteling op 30 april 2019 en dat hij op 21 december 2019, de dag na de ontvangst van zijn vluchtelingenpaspoort, effectief Griekenland heeft verlaten. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wijst op de financiële steun die tweede verzoeker ontvangt, waaronder een eenmalig bedrag van 450 euro als hulp bij het zoeken naar een woning, dat tweede verzoeker echter niet wilde aanvaarden. Zowel wat de huisvesting, de medische zorg als eventuele medische zorg voor de baby van de verzoekers betreft, is de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel dat niet blijkt dat tweede verzoeker de toegang daartoe zal worden geweigerd en dat tweede verzoeker daardoor in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie zal terechtkomen. Op grond van het voorgaande besluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de verzoekers “de stelling dat verzoekers in geval van terugkeer naar Griekenland zullen blootgesteld worden aan onmenselijke of vernederende behandelingen, […] slechts [is] gebaseerd op hypotheses en algemene landeninformatie zonder dat verzoekers in concreto aantonen dat zij in een situatie zouden belanden die XIV-38.476-5/7 beschouwd kan worden als onmenselijk of vernederend in de zin van artikel 3 van het EVRM of artikel 4 van het Handvest van de Grondrechten, ook al kan worden aangenomen dat hun situatie door onzekerheid of een verslechtering van hun levensomstandigheden gekenmerkt wordt”, dat de ”verzoekers geen elementen aanbrengen waaruit blijkt dat zij zich niet langer kunnen beroepen op de bescherming die hen reeds werd toegekend in Griekenland” en dat “de algemene bepaling dat het belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing die het kind aangaat, geen andere beoordeling toelaat”.
  9. Door te dezen, zoals supra weergegeven, aan te halen dat algemene landeninformatie niet volstaat en door met concrete verwijzing naar de door de verzoekers afgelegde verklaringen betreffende hun verblijf in Griekenland te oordelen dat de verzoekers geen tekortkomingen in Griekenland aantonen die de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vereiste bijzonder hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken, beantwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk de argumentatie van de verzoekers om hun verzoek om internationale bescherming te verwerpen. Daarmee is voldaan aan de in de artikelen 149 van de Grondwet en 39/65 van de vreemdelingenwet vervatte motiveringsplicht als vormvereiste voor jurisdictionele beslissingen.
  10. Het tweede onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond. Derde onderdeel van het enige middel
  11. Uit het hoger genoemde arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 13 maart 2019 blijkt dat de rechter rekening dient te houden met alle omstandigheden van de zaak om te oordelen of de tekortkomingen in een andere lidstaat een dermate hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken dat de betrokkene, buiten zijn wil en zijn persoonlijke keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. Door met verwijzing naar de concrete omstandigheden van de zaak en de eigen verklaringen van de verzoekers te dezen aan te nemen dat algemene landeninformatie niet volstaat om te besluiten dat de verzoekers concreet in de voornoemde toestand van zeer verregaande materiële deprivatie zouden terechtkomen, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met het bestreden arrest artikel 48/6 van de vreemdelingenwet, XIV-38.476-6/7 waarmee de in het middel aangehaalde richtlijnbepalingen in het Belgische recht zijn omgezet, niet geschonden. Als administratieve cassatierechter komt het de Raad van State niet toe om de dienaangaande door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen.
  12. Het derde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  13. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  14. De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 400 euro, ieder voor de helft. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.476-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.084 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.