← België

Cassatiebeschikking 14085 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 30 november 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.085 Rolnummer: A. 231815/XIV-38477 Zaak: Cassatiebeschikking 14085 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 30/11/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-15 02:23 Fiche Beschikking nr 14.085 van 30 november 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.085 van 30 november 2020 in de zaak A. 231.815/XIV-38.477 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Katrin Verhaegen kantoor houdend te 2060 Antwerpen Rotterdamstraat 53 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 18 september 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 239.910 van 21 augustus 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 14 oktober 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Eerste middel
  2. Met verwijzing naar “relevante, bindende rechtspraak concreet op zijn ervaringen en vrees als minderjarige […] toegepast, en dit ondersteund [met] objectieve landeninformatie”, voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest niet motiveert waarom de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid, te XIV-38.477-1/6 dezen voor een niet-begeleide minderjarige, niet zou worden bereikt en waarom verzoekers zaak ingevolge zijn individuele situatie als minderjarige en de door hem gevreesde behandeling niet verschillend zou zijn van de situatie van eender welke volwassene en dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zowel het bestaan van een risico op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950, (hierna: het EVRM) als de inschatting van de drempel van zwaarwegendheid op een gebrekkige wijze heeft beoordeeld. Verzoeker beperkt zich in zijn uiteenzetting tot het op algemene wijze herhalen van zijn standpunt betreffende de situatie in Griekenland, doch hij gaat volledig voorbij aan de concrete motieven op grond waarvan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beroep heeft verworpen. Zo overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat verzoeker, zelfs als diens loutere bewering wordt aangenomen dat hij in Griekenland daadwerkelijk door een politieagent (één keer) in het gezicht werd geslagen en dat zulks een vernederende behandeling uitmaakte in de zin van artikel 3 van het EVRM, niet aantoont dat hij naar aanleiding van dit incident geen effectieve bescherming zou hebben kunnen krijgen. Waar verzoeker stelde dat hij een jaar lang in mensonwaardige omstandigheden op het eiland Lesbos werd vastgehouden en gewag maakte van een “onaanvaardbare fundamenteel bedreigende situatie” (te weinig voedsel, slechte hygiënische en sanitaire omstandigheden, risico om slachtoffer te worden van fysiek geweld en seksueel misbruik), wijst de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op verzoekers verklaringen, waaruit blijkt dat hij in Griekenland na een verblijf van ongeveer negen maanden in het vluchtelingenkamp van Moria een appartement kreeg toegewezen in Mytilini, waar hij met ongeveer 27 minderjarigen verbleef, dat er dagelijks werd gekookt voor de bewoners van het appartement, dat hij geen huur moest betalen en dat er water, elektriciteit en internet aanwezig waren, en dat hij soms bezoek kreeg van mensen van vluchtelingenorganisaties die kleren kwamen brengen of met de bewoners gingen zwemmen. Aldus blijkt volgens het besteden arrest niet dat verzoekers levensomstandigheden in Griekenland dermate precair waren dat zijn situatie aldaar kan worden gelijkgesteld met een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt om te voorzien in zijn meest elementaire behoeften, zoals eten, zich wassen en beschikken over woonruimte. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt nog dat het verwijzen naar algemene informatie die geen betrekking heeft op verzoekers persoonlijke situatie geen afbreuk doet aan deze conclusie. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vervolgt dat verzoeker tijdens XIV-38.477-2/6 zijn persoonlijk onderhoud uitdrukkelijk heeft ontkend in Griekenland ooit het slachtoffer te zijn geweest van seksueel geweld en dat de incidenten waarbij verzoeker werd geconfronteerd met fysiek geweld, hoe afkeurenswaardig en ingrijpend ook, niet voldoende zwaarwichtig zijn om als daden van vervolging dan wel ernstige schade te worden beschouwd. Zo maakte verzoeker melding van een aanval door een groep gewapende personen op het appartement waar hij verbleef doch het ging blijkens zijn verklaringen om een eenmalig incident waarvoor ook een specifieke aanleiding zou zijn geweest, met name een daaraan voorafgaande vechtpartij tussen één van de bewoners en één van de aanvallers. Daarnaast zou verzoeker ook een keer zijn bestolen en bedreigd door andere Afghanen. Verzoeker verklaarde dat de politie in beide gevallen niets kon ondernemen omdat de daders niet konden worden geïdentificeerd doch daaruit blijkt volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet dat de politie niet bereid was om op te treden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen acht de verwijzing naar de door verzoeker aangevoerde rechtspraak niet dienstig omdat rechterlijke beslissingen volgens de continentale rechtstraditie geen precedentenwerking hebben en omdat elk verzoek om internationale bescherming individueel moet worden onderzocht, rekening houdend met de elementen eigen aan het concrete geval. Volgens het bestreden arrest toont verzoeker niet aan dat de feiten die ten grondslag lagen aan de rechterlijke uitspraken waarnaar hij verwijst dezelfde zijn als, dan wel vergelijkbaar zijn met, de feiten en elementen waarop hij zich beroept in het kader van zijn eigen verzoek om internationale bescherming. Uit de voorgaande motivering betreffende verzoekers concrete situatie blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de staat van zeer verregaande materiële deprivatie niet wordt bereikt ingeval van een terugkeer naar Griekenland, ook al is verzoeker minderjarig, en waarom dus ook geen nadere “garanties” van de Griekse overheid nodig zijn. In de mate dat verzoeker de voornoemde feitelijke beoordeling betwist, vraagt hij in wezen een nieuwe beoordeling van de zaak zelf, waarvoor de Raad van State als administratieve cassatierechter echter niet bevoegd is.
  3. Verzoeker voert nog aan dat in het bestreden arrest enkel wordt overwogen dat hem op het commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (procedurele) steunmaatregelen werden verleend doch dat de Raad voor XIV-38.477-3/6 Vreemdelingenbetwistingen ten gronde geen rekening heeft gehouden met het door hem aangevoerde hoger belang van het kind. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen merkt in het bestreden arrest echter in de eerste plaats op dat verzoeker wel een theoretisch betoog voert over het hoger belang van het kind aan de hand van allerhande rechtspraak, regelgeving en rechtsleer, doch nalaat concreet te duiden waaruit zijn hoger belang als niet-begeleide minderjarige vreemdeling bestaat en in welke mate daarmee te dezen geen rekening zou zijn gehouden. In de tweede plaats sluit de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich aan bij de “pertinente” beoordeling in de aanvankelijk bestreden beslissing dat de vaststelling dat er in hoofde van verzoeker mogelijke indicaties zijn van een verhoogde kwetsbaarheid geen afbreuk doet aan de vaststelling dat verzoeker toch zijn rechten in Griekenland kan laten gelden, vermits verzoeker “niet aantoont dat [zijn] bijzondere kwetsbaarheid het [hem] dermate moeilijk maakt om zich staande te houden en zelfstandig [zijn] rechten uit te oefenen dat er een ernstig risico bestaat dat [hij] zou terechtkomen in leefomstandigheden die strijdig zijn met artikel 3 van het EVRM en 4 van het EU Handvest”. In de derde plaats blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in zijn supra in punt 1 weergegeven motieven uitdrukkelijk rekening heeft gehouden met verzoekers woonsituatie in Mytilini waar hij samen met een aantal andere minderjarigen verbleef. Verzoeker toont niet aan welke kritiek de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen met de voormelde motieven onbeantwoord heeft gelaten. Verzoeker verwijst op algemene wijze naar het ingeroepen gevaar voor gebrek aan bijstand en huisvesting als minderjarige en voor fysiek en seksueel geweld, maar deze elementen zijn concreet in de motieven van het bestreden arrest aan de orde gekomen. Verzoekers kritiek dat, omwille van zijn voorgehouden ervaringen op het eiland Moria, de bewijslast met betrekking tot artikel 3 van het EVRM zou zijn omgekeerd, wordt in het bestreden arrest beantwoord met de motieven over verzoekers opvang nadien in Mytilini. Daarmee geeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aan waarom er net geen gevaar is voor een schending van artikel 3 van het EVRM bij een terugkeer naar Griekenland. In de mate dat verzoeker een andere beoordeling van zijn situatie voorstelt, dient te worden herhaald dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet in de beoordeling treedt van de zaak zelf. XIV-38.477-4/6
  4. Vermits uit de concrete motieven van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat verzoekers hoger belang als kind niet in het gedrang komt en dat huisvesting en bijstand niet in het gedrang komen, zijn de door verzoeker voorgestelde prejudiciële vragen betreffende een behandeling die niet strookt met het hoger belang als kind en de noodzaak van individuele garanties niet dienstig voor de oplossing van het geschil.
  5. Het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. Tweede middel
  6. Uit de behandeling van het eerste middel blijkt dat verzoeker geen schending aantoont van artikel 3 van het EVRM. Bijgevolg kan hij zich ook niet beroepen op een eventuele schending van artikel 13 van het EVRM, die immers niet op zichzelf kan worden ingeroepen.
  7. Het tweede middel is kennelijk niet-ontvankelijk. BESLUIT:
  8. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  9. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.477-5/6 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op dertig november tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.477-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.085 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.