id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 04 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.093 Rolnummer: A. 231319/XIV-38423 Zaak: Cassatiebeschikking 14093 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 04/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-08 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-15 09:54 Fiche Beschikking nr 14.093 van 4 december 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.093 van 4 december 2020 in de zaak A. 231.319/XIV-38.423 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Céline Verbrouck kantoor houdend te 1040 Etterbeek Louis Schmidtlaan 56 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 16 juli 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 236.676 van 10 juni 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 5 augustus 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. 1. De door artikel 149 van de Grondwet aan de rechter en door artikel 39/65 van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de Vreemdelingenwet) specifiek aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegde verplichting om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een vormvereiste. Een uitspraak is gemotiveerd in de zin van de voornoemde bepalingen XIV-38.423-1/17 wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redenen uiteenzet die hem ertoe brengen die beslissing te nemen. Om te voldoen aan de jurisdictionele motiveringsplicht is het niet relevant of die motieven in rechte of in feite juist zijn. Wel moet de rechter expliciet of impliciet antwoorden op elke vraag, elke exceptie, elk middel en elk verweer van de partijen. 2.1. Met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter zouden maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in aanmerking komt, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest als volgt: “6.8. Verzoeker voert twee nieuwe elementen aan ter ondersteuning van zijn voorliggende volgend verzoek om internationale bescherming: het feit dat hij aan aids lijdt en de bedreigingen door zijn smokkelaar. Verzoeker stelt dat deze nieuwe elementen de kans groter maken op internationale bescherming en hij ze niet vroeger kon bijbrengen. 6.8.1. Verzoeker voert aan dat personen die aan aids lijden in Nigeria gediscrimineerd en gestigmatiseerd worden, dat seropositieve personen kunnen aanzien worden als een ‘sociale groep’ zoals gedefinieerd in het vluchtelingenrecht, dat het mogelijk is dat hij geen sociaal netwerk meer heeft en dat hij gedurende jaren, ingevolge verschillende 9ter-aanvragen, beschermd was tegen een gedwongen verwijderingsmaatregel. Verzoeker verwijst naar een veelheid van landeninformatie. Noch uit verzoekers verklaringen (administratief dossier, stuk 10, ‘verklaring volgend verzoek, nr. 15), noch uit de niet duidelijk ontkrachte geciteerde informatie in de bestreden beslissing, noch uit de in het verzoekschrift geciteerde landeninformatie blijkt dat de situatie dermate ernstig is dat er sprake is van een systematische en persoonsgerichte vervolging van seropositieve personen. Uit de informatie die wordt gehanteerd door de partijen blijkt dat de Nigeriaanse autoriteiten en (internationale) ngo’s inspanningen voeren om behandeling van HIV/aids gratis te verstrekken. Uit de informatie die wordt gehanteerd door verzoeker en verweerder blijkt ook dat personen met HIV het slachtoffer kunnen zijn van sociale discriminatie. Deze informatie is echter niet van die aard om te besluiten dat elke persoon met HIV, louter omwille van diens medische situatie een gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingenrechte- lijke zin, of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2,
- a)en
- b)van de Vreemdelingenwet kan doen gelden. Verzoeker dient deze vrees of risico concreet aan te tonen. Verzoeker stelt dat hij behoort tot een ‘sociale groep’, namelijk deze van de seropositieve personen. De discriminatie en stigmatisering die seropositieve personen zouden kunnen ondergaan vallen echter volgens de door verzoeker gehanteerde landeninformatie niet onder de daden van vervolging, zoals deze omschreven zijn in artikel 48/3, § 2, eerste lid, van de Vreemdelingenwet. Verzoeker maakt evenmin het krachtens artikel 48/3, § 3 van de Vreemdelingenwet vereiste verband duidelijk tussen de gronden van vervolging en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen deze daden. Verzoeker voert aan dat hij ‘verschillende 9ter-aanvragen’ heeft ingediend tijdens dewelke hij beschermd was tegen een gedwongen uitvoering van een verwijderingsmaatregel; om die reden kon hij het nieuwe element inzake aids niet vroeger aanbrengen. Hieromtrent dient te worden opgemerkt dat verzoeker het XIV-38.423-2/17 essentieel element van een verzoek om internationale bescherming verwaarloost, met name de internationale bescherming ten aanzien van het land van herkomst omwille van een vrees voor vervolging of reëel risico op ernstige schade. Indien verzoeker een gunstig resultaat had verkregen inzake zijn aanvragen gebaseerd op artikel 9bis of 9ter was verzoeker alsnog in de mogelijkheid naar zijn land van herkomst te reizen zonder enige vrees voor vervolging of gebrek aan bescherming tegen deze daden. De vaststelling dat verzoeker tien procedures tot machtiging van verblijf in België heeft gevoerd (cf.: ‘Tussen 2007 en 2016 heeft de Heer O. zes aanvragen ingediend tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 en vier aanvragen ingediend tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980.’) alvorens alsnog een nood aan internationale bescherming kenbaar te maken, kan niet aangenomen worden als goede reden in de zin van 48/6, § 4,
- d)van de Vreemdelingenwet waarom hij nagelaten heeft zijn verzoek tot internationale bescherming zo spoedig mogelijk te doen. 6.8.2. Verzoeker brengt als nieuw element aan dat hij een vrees heeft voor de smokkelaar die hem naar België bracht. De bestreden beslissing motiveert hieromtrent: ‘Met betrekking tot de verklaringen die u aflegt aangaande gebeurtenissen die geen verband houden met uw vorig verzoek, moet bovendien worden benadrukt dat deze niet overtuigen. Zo verklaart u tijdens uw tweede verzoek zelf dat u vreest dat de persoon die u (12 jaar geleden) naar België bracht en die nog geld van uw tegoed heeft, u zal vinden. U verklaart dat hij u enkele jaren geleden opbelde en dat hij dreigde uw moeder iets aan te doen, waarbij hij verwees naar wat uw stiefvader was overkomen (zie verklaring volgend verzoek, nr. 15). Terwijl u in uw eigen verklaringen enkel verwijst naar een contact dat u enkele jaren geleden had met deze man, verwijst uw advocate in haar begeleidend schrijven naar het fait dat u ‘à présent’ ernstige problemen kent met de passeur (p.9). Nergens uit uw verklaringen aan de DVZ blijkt dit echter. Uw advocate vermeldt ook het feit dat de passeur zou verwezen hebben naar het recente overlijden van uw stiefvader, waarin de passeur een deel zou hebben gehad (p.9). U situeert dit gesprek echter ‘enkele jaren geleden’ en voegt nog toe dat u sinds 7 jaar geen contact meer had met uw moeder en zelfs niet weet of ze nog in leven is of wat er met haar gebeurd is. Dat u dan wel op de hoogte zou zijn van ‘het recente overlijden’ van uw stiefvader, is niet aannemelijk. Uw verklaringen over problemen die u zou hebben gehad met een smokkelaar zijn dan ook niet aannemelijk.’ Andermaal dient te worden opgemerkt dat de vaststelling dat verzoeker tien procedures tot machtiging van verblijf in België heeft gevoerd (cf.: ‘Tussen 2007 en 2016 heeft de Heer O. zes aanvragen ingediend tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 en vier aanvragen ingediend tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980.’) alvorens een zijn nood aan internationale bescherming kenbaar te maken ten aanzien van zijn smokkelaar, niet kan aangenomen worden als goede reden in de zin van 48/6, § 4,
- d)van de Vreemdelingenwet waarom hij nagelaten heeft zijn verzoek tot internationale bescherming zo spoedig mogelijk te doen. Verzoeker brengt evenmin enig nuttig bewijs bij waaruit zou kunnen blijken dat hij actueel nood aan bescherming heeft ten aanzien van de persoon die hem twaalf jaar geleden naar België bracht. De louter hypothetische opmerkingen inzake de figuur Doctor en zijn vermeend netwerk zijn niet dienstig ter weerlegging van de vastgestelde incoherenties in verzoekers verklaringen over het ‘recente overlijden’ van verzoekers stiefvader. 6.8.3. Het louter aanhalen van een vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade volstaat op zich niet om te kunnen besluiten dat deze vrees of dit risico reëel is. De vrees en het risico dienen immers ook steeds te worden getoetst aan objectieve vaststellingen en verzoeker dient in dit verband deze vrees in concreto aannemelijk te XIV-38.423-3/17 maken. Omwille van voorgaande vaststellingen zijn verzoekers aangevoerde subjectieve elementen niet dienstig. Het is immers een algemeen principe dat bij de beoordeling van de vluchtelingenstatus de ‘vrees voor vervolging’ (artikel 48/3, § 5 van de Vreemdelingenwet) een toekomstgericht onderzoek vereist. Bescherming dient niet alleen te worden geboden aan personen die reeds werden vervolgd, maar ook aan de personen die het risico lopen te zullen worden vervolgd. Het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt hieromtrent: ‘In dit verband moet worden vastgesteld dat in het stelsel van de richtlijn de bevoegde autoriteiten, wanneer zij overeenkomstig artikel 2, sub c, van de richtlijn [2004/83/EG] beoordelen of een verzoeker een gegronde vrees heeft te worden vervolgd, zich ervan vergewissen of de gebleken omstandigheden een zodanige bedreiging voor de betrokkene vormen dat hij een gegronde vrees heeft om, gelet op zijn persoonlijke situatie, daadwerkelijk te worden vervolgd. (eigen vetzetting)’ (HvJ, 5 september 2012, ‘Bundesrepublik Deutschland tegen Y. en Z’., gevoegde zaken C-71/11 en C-99111, § 76). 6.9. Gelet op het geheel van wat voorafgaat besluit de Raad dat verzoeker niet in aanmerking komt voor het voordeel van de twijfel. Tevens blijkt dat er geen nieuwe elementen of feiten aan de orde zijn, of door verzoeker zijn voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet. 6.10. Het blijkt dat verzoeker inzake de subsidiaire bescherming dezelfde ‘nieuwe elementen’ aanvoert als deze inzake de vluchtelingenstatus. Te dezen herhaalt de Raad dat hij in het kader van het beroep tegen een beslissing van de commissaris-generaal voor vluchtelingen en staatlozen geen uitspraak doet over een verwijderingsmaatregel en dat de toetsing of verzoeker in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus dan wel de subsidiaire beschermingsstatus integraal deel uit van onderhavig arrest. Een bijkomend onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM is dan ook niet aan de orde. Er zijn geen nieuwe elementen of feiten aan de orde, of door verzoeker voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van dezelfde wet in aanmerking komt.” 2.2. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt soeverein of er al dan niet nieuwe elementen aan de orde zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat de verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt zoals voorzien in artikel 57/6/2 van de Vreemdelingenwet. Voor zover verzoeker in het eerste onderdeel van het eerste middel aanvoert dat de door hem aangevoerde elementen - het feit dat hij aan aids lijdt en de bedreigingen door zijn smokkelaar - wél nieuwe elementen zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat hij in aanmerking zou komen voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, moet worden opgemerkt dat het niet aan de Raad van State als administratieve cassatierechter toevalt om die beoordeling opnieuw te doen. XIV-38.423-4/17 Verzoeker, die voorts aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen, door te overwegen dat “[u]it de informatie die wordt gehanteerd door verzoeker en verweerder blijkt dat personen met HIV het slachtoffer kunnen zijn van sociale discriminatie” maar dat “[d]eze informatie […] echter niet van die aard [is] om te besluiten dat elke persoon met HIV, louter omwille van diens medische situatie een gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin, of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2,
- a)en
- b)van de Vreemdelingenwet kan doen gelden”, het begrip ‘nieuwe elementen’ bedoeld in de artikelen 51/8 en 57/6/2 van de Vreemdelingenwet miskent door reeds een onderzoek ten gronde te voeren terwijl enkel een ontvankelijkheidsonderzoek kan worden verricht, gaat eraan voorbij dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook dient na te gaan of het door verzoeker aangevoerde nieuwe element daadwerkelijk de kans aanzienlijk groter maakt dat verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt. Dat is nu net wat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen doet in de door verzoeker geviseerde overweging. De bewuste overweging kadert in de voormelde onderzoekstaak van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen miskent daarbij geenszins de notie ‘nieuw elementen’. Voor zover verzoeker aanvoert dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen, door te oordelen dat de elementen die hij aanvoert geen nieuwe elementen zijn, geen volledig onderzoek heeft verricht naar een eventueel risico op vervolgingen, folteringen en onmenselijke en vernederende behandelingen ingeval van een terugkeer naar Nigeria, moet worden opgemerkt dat het onderzoek van de aangevoerde nieuwe elementen een ontvankelijkheidsonderzoek betreft waarbij wordt nagegaan of er sprake is van nieuwe elementen en of die elementen de kans aanzienlijk groter maken dat de betrokkene in aanmerking zou komen voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet. Blijkens de hiervoor geciteerde overwegingen heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit onderzoek correct en volledig uitgevoerd en daarbij alle door verzoeker aangevoerde elementen beoordeeld. Verzoeker verduidelijkt in het middelonderdeel alvast niet welke specifieke gegevens niet zouden zijn onderzocht in het kader van het onderzoek naar nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat de asielzoeker voor erkenning als vluchteling of voor subsidiaire bescherming in aanmerking komt. XIV-38.423-5/17 Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM) en de artikelen 39/2, § 1, 39/65, 48/3, 48/4 § 2, b), 51/8 en 57/6/2 van de Vreemdelingenwet heeft miskend. Het eerste onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 2.3. De samenwerkingsplicht waarnaar verzoeker in het tweede onderdeel van het eerste middel refereert, staat er niet aan in de weg dat de bewijslast in de eerste plaats op de kandidaat-vluchteling rust die zelf alle essentiële elementen voor de beoordeling van zijn asielaanvraag dient aan te brengen. Anders dan verzoeker aanvoert, doet de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen met de overwegingen dat verzoekers verzoekschrift van 43 bladzijden niet uitblinkt inzake beknoptheid en dat het gegeven dat verzoeker een public writer heeft gevonden die hem heeft geholpen om twaalf jaar na de feiten zijn verhaal te schrijven contradictorisch is met het beweerde geheugenverlies van verzoeker, geen afbreuk aan het feit dat de bewijslast in eerste instantie op verzoeker rust. In overweging 6.5. van het bestreden arrest stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen integendeel uitdrukkelijk dat het in eerste instantie aan de verzoeker om internationale bescherming toevalt om alle nodige elementen ter staving van zijn verzoek aan te brengen. Ten onrechte beweert verzoeker voorts dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker aangevoerde elementen en neergelegde documenten heeft verworpen zonder enige duidelijke motivering hieromtrent. Blijkens de hiervoor geciteerde overwegingen van het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn beslissing op een gemotiveerde wijze genomen en uiteengezet waarom verzoekers argumenten en door hem bijgebrachte gegevens - inzonderheid de rapporten waaraan hij refereert - niet tot het besluit nopen dat er nieuwe elementen voorhanden zijn die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker in aanmerking zou komen voor de erkenning als vluchteling of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus. XIV-38.423-6/17 De samenwerkingsplicht houdt in dat de betrokken lidstaat actief met verzoeker moet samenwerken om alle elementen te verzamelen die het verzoek kunnen staven “indien de door verzoeker […] aangevoerde elementen om welke reden ook niet volledig, actueel of relevant zijn”. Te dezen is er geen sprake van elementen die niet volledig, actueel of relevant zijn, maar stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op gemotiveerde wijze vast dat verzoekers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn en dat zijn algemene geloofwaardigheid manifest niet is komen vast te staan. In overweging 5.4. van het bestreden arrest zet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op gemotiveerde wijze uiteen waarom verzoeker niet moest worden opgeroepen voor een persoonlijk onderhoud met de commissaris-generaal. Zoals gezegd valt het in de eerste plaats aan de verzoeker om internationale bescherming toe om de essentiële elementen voor de beoordeling van zijn aanvraag aan te brengen en dient de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen na de vaststelling dat verzoekers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn zelf geen informatie omtrent de algemene situatie in Nigeria te verzamelen. Binnen zijn opdracht om na te gaan of er al dan niet sprake is van nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker in aanmerking zou komen voor de erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkens de hiervoor geciteerde overwegingen van het bestreden arrest wel degelijk een volledig, grondig, actueel en persoonlijk onderzoek gevoerd naar een eventueel risico op vervolgingen, folteringen en onmenselijke en vernederende behandelingen. Ten slotte valt niet in te zien hoe de overweging in verband met de omstandigheid dat verzoekers verzoekschrift 43 bladzijden telt en niet uitblinkt in beknoptheid, in strijd zou zijn met de onderzoeksbevoegdheid en de volle rechtsmacht van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geeft immers niet te kennen bepaalde onderdelen van het verzoekschrift niet te hebben onderzocht. Integendeel heeft hij blijkens het bestreden arrest wel degelijk rekening gehouden met alle door verzoeker in zijn verzoekschrift aangevoerde elementen. In elk geval licht verzoeker niet toe met welke elementen de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen rekening zou hebben gehouden. Verzoeker toont dan ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen volledig, grondig en actueel onderzoek heeft gevoerd naar de verschillende elementen die in het verzoekschrift zijn vervat. XIV-38.423-7/17 Verzoeker maakt derhalve niet aannemelijk dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen artikel 149 van de Grondwet en de artikelen 39/2, § 1, 39/65, 39/76, § 1, 48/6, §1, en 51 van de Vreemdelingenwet heeft geschonden. Het tweede onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 2.4. Verzoeker heeft in zijn verzoekschrift voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen aangevoerd dat de omstandigheid dat hij aids heeft een nieuw element is dat de kans aanzienlijk groter maakt dat hij voor internationale bescherming in aanmerking zou komen. Hij vreest, naar eigen zeggen, in geval van terugkeer vervolgd te worden en te worden gestigmatiseerd en gediscrimineerd, waarbij hij gewag maakt van economische en sociale problemen, moeilijkheden om een job te vinden, een moeilijke integratie in de maatschappij en gebrekkige toegang tot medische behandeling. Volgens verzoeker vormen seropositieve personen een sociale groep zoals gedefinieerd in het vluchtelingenrecht en hij stelt dat hij geen sociaal netwerk meer heeft. Ter staving verwijst hij naar diverse landeninformatie. In overweging 6.8.1. van het bestreden arrest heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, anders dan verzoeker in het derde onderdeel van het eerste middel stelt, die argumentatie wel degelijk volledig beantwoord. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt dat “[n]och uit verzoekers verklaringen […], noch uit de niet duidelijk ontkrachte geciteerde informatie in de bestreden beslissing, noch uit de in het verzoekschrift geciteerde landeninformatie blijkt dat de situatie dermate ernstig is dat er sprake is van een systematische en persoonsgerichte vervolging van seropositieve personen”, dat “[u]it de informatie die wordt gehanteerd door de partijen blijkt dat de Nigeriaanse autoriteiten en (internationale) ngo’s inspanningen voeren om behandeling van HIV/aids gratis te verstrekken”, dat “uit de informatie die wordt gehanteerd door verzoeker en verweerder blijkt […] dat personen met HIV het slachtoffer kunnen zijn van sociale discriminatie”, maar dat “[d]eze informatie […] echter niet van die aard [is] om te besluiten dat elke persoon met HIV, louter omwille van diens medische situatie een gegronde vrees voor vervolging in vluchtelingenrechtelijke zin, of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2,
- a)en
- b)van de Vreemdelingenwet kan doen gelden” en dat “[v]erzoeker […] deze vrees of risico concreet [dient] aan te tonen”. Voor zover verzoeker aanvoert dat hij behoort tot de ‘sociale groep’ van seropositieve personen, oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat “[d] e discriminatie en stigmatisering die seropositieve personen zouden kunnen ondergaan […] echter volgens de door verzoeker XIV-38.423-8/17 gehanteerde landeninformatie niet [vallen] onder de daden van vervolging, zoals deze omschreven zijn in artikel 48/3, § 2, eerste lid, van de Vreemdelingenwet” en dat “[v]erzoeker […] evenmin het krachtens artikel 48/3, § 3 van de Vreemdelingenwet vereiste verband duidelijk [maakt] tussen de gronden van vervolging en de daden van vervolging of het ontbreken van bescherming tegen deze daden”. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht bedoeld in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet. Van een stereotiepe motivering zonder in concreto analyse van het risico op vervolging of onmenselijke en vernederende behandelingen in geval van terugkeer is geen sprake. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft blijkens de hiervoor geciteerde overwegingen van het bestreden arrest wel degelijk een volledig, grondig, actueel en persoonlijk onderzoek verricht naar een risico op vervolging en onmenselijke en vernederende behandelingen. Verzoeker licht niet toe welke door hem aangevoerde argumenten of informatie niet zouden zijn onderzocht. Verzoeker toont dan ook niet aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de artikelen 2 en 3 van het EVRM en de artikelen 48/3 en 48/4, § 2,
- b)van de Vreemdelingenwet zou hebben miskend. Het derde onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 2.5. In het vierde onderdeel van het eerste middel voert verzoeker aan dat de verschillende door hem aangevoerde elementen “in samenstel” wél voldoende ernstig zijn om in zijn hoofde een vrees voor vervolging of ernstige schade te erkennen en hij refereert daarbij aan de door hem aangevoerde elementen die de subjectieve component van zijn vrees voor vervolging of ernstige schade moeten staven. Met deze argumentatie betwist verzoeker de juistheid van de beoordeling door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen omtrent de aanwezigheid van nieuwe elementen die de kans aanzienlijk groter maken dat verzoeker voor erkenning als vluchteling of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking komt. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet gerechtigd om die beoordeling over te doen. Anders dan verzoeker beweert heeft de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in het bestreden arrest wel degelijk op gemotiveerde wijze - overweging 6.8. van het bestreden arrest - uiteengezet waarom hij van oordeel is dat er in casu geen nieuwe XIV-38.423-9/17 elementen of feiten aan de orde zijn, of door verzoeker voorgelegd, die de kans aanzienlijk groter maken dat hij voor erkenning als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet of voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus op grond van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in aanmerking komt. De Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen heeft daarbij geantwoord op de door verzoeker aangevoerde middelen. Specifiek voor wat betreft het middelonderdeel waarin verzoeker aanvoert dat er geen rekening is gehouden met aangevoerde elementen ter staving van de subjectieve component van zijn vrees voor vervolging of ernstige schade overweegt de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen in het bestreden arrest dat “[h]et louter aanhalen van een vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade […] op zich niet [volstaat] om te kunnen besluiten dat deze vrees of dit risico reëel is”, dat “[d]e vrees en het risico […] immers ook steeds [dienen] te worden getoetst aan objectieve vaststellingen en verzoeker […] in dit verband deze vrees in concreto aannemelijk [dient] te maken” en dat “[o]mwille van [de] voorgaande vaststellingen […] verzoekers aangevoerde subjectieve elementen niet dienstig [zijn]”. Hiermee is voldaan aan de jurisdictionele motiveringsplicht bedoeld in artikel 149 van de Grondwet en artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet. Verzoeker toont niet aan dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen artikel 149 van de Grondwet, de artikelen 2 en 3 van het EVRM en de artikelen 39/65, 48/3, § 2,
- b)en 48/4, § 2,
- b)van de Vreemdelingenwet heeft miskend. Het vierde onderdeel van het eerste middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 3. In het tweede middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onjuiste toepassing heeft gemaakt van zijn beoordelings- bevoegdheid door de voorliggende zaak niet naar de verenigde kamers te verwijzen. Verzoeker is van oordeel dat de vraag of er in zijn geval sprake is van bijzondere procedurele noden en welke passende steun had moeten worden verleend, behandeld diende te worden door de verenigde kamers met het oog op de eenheid van rechtspraak of de rechtsontwikkeling. Omtrent verzoekers vraag om een verwijzing van de zaak naar de verenigde kamers oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest als volgt: XIV-38.423-10/17 “2.2. Verzoeker onderbouwt zijn vraag inzake een verwijzing naar de verenigde kamers niet aan de hand van concrete elementen. Hij toont niet concreet aan in welke mate de voorliggende zaak ‘procedurele noden’ behelst die met het oog op eenheid van rechtspraak en rechtsontwikkeling een verwijzing naar de verenigde kamers noodzaakt. Artikel 48/9, § 4 van de Vreemdelingenwet bepaalt inzake bijzondere procedurele noden: ‘De ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beoordelen of de verzoeker om internationale bescherming bijzondere procedurele noden heeft en nemen deze in acht door het verlenen van passende steun tijdens de procedure, voor zover deze noden voldoende zijn aangetoond en voor zover de in dit hoofdstuk bedoelde rechten in het gedrang zouden komen en hij niet zou kunnen voldoen aan de hem opgelegde verplichtingen. De beoordeling van de bijzondere procedurele noden is op zich zelf niet vatbaar voor beroep’ […]. De beoordeling door verweerder inzake verzoekers procedurele noden kan derhalve niet in het kader van voorliggend beroep worden beoordeeld. Verzoeker verwijst naar het stuk 4 waarin hij reeds een verzoek tot verwijzing naar de verenigde kamers heeft geformuleerd in het kader van het verzoek tot nietigverklaring van de bijlage 26quinquies. Te dezen stelt de Raad vast dat stuk 4 blijkens de inventaris van het verzoekschrift betrekking heeft op ‘Verzoek bijstand advocaat’. Daarenboven werkt verzoeker op generlei wijze uit op welke wijze een louter verzoek tot verwijzing naar de verenigde kamers dat wordt gevraagd in een andere procedure, noodzaakt dat het beroep tegen de voorliggende bestreden beslissing door de verenigde kamers zou moeten behandeld worden. Uit de loutere vaststelling dat er in onderscheiden procedures door verzoeker verzoeken tot verwijzing naar verenigde kamers worden aangevoerd, kan niet worden geconcludeerd dat er zich voor de Raad een probleem stelt inzake eenheid van rechtspraak of rechtsontwikkeling. Verzoeker voert aan dat de kwestie van ‘fundamenteel belang’ is, waarbij hij verwijst naar artikel 6 van het EVRM en de toelaatbaarheidsbeschikking door de Raad van State. Artikel 6 van het EVRM is volgens vaste rechtspraak, ook van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, niet van toepassing op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, daar er geen uitspraak wordt gedaan over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging. Artikel 6 van het EVRM is enkel van toepassing in burgerlijke en strafrechtelijke zaken, terwijl het asielrecht een politiek recht is, dat buiten de toepassingssfeer van deze verdragsbepaling valt. De omstandigheid dat het asielrecht thans binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt en dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van kracht is geworden, maakt van het asielrecht nog geen burgerlijk recht in de zin van artikel 6 van het EVRM. De rechten van verdediging zijn van toepassing op jurisdictionele procedures en, in administratiefrechtelijke zaken, op tuchtprocedures (RvS 13 december 2011, nr. 216.638). Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft in het arrest Maaouia van 5 oktober 2000 ondubbelzinnig gesteld dat geschillen betreffende de toegang tot, het verblijf op en de verwijdering van het grondgebied niet onder de toepassing van artikel 6.1 van het EVRM vallen. Derhalve zijn ook asielzaken uitgesloten van die verdragsbepaling (RvS, 26 maart 2013, 223.003). De loutere vaststelling dat de Raad van State een beroep toelaatbaar verklaart, doet geen afbreuk aan voormelde vaststellingen. Bijgevolg wordt het verzoek tot behandeling door de verenigde kamers niet ingewilligd.” XIV-38.423-11/17 Krachtens artikel 39/12, § 1, van de vreemdelingenwet behoort de verwijzing van een zaak naar de verenigde kamers teneinde de eenheid van de rechtspraak te verzekeren tot de feitelijke appreciatiebevoegdheid van de eerste voorzitter of de voorzitter van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit gebeurt op eigen initiatief of dat van de kamervoorzitter. Het valt niet toe aan de Raad van State als administratieve cassatierechter om die beoordeling opnieuw te doen. Verzoeker kan in principe ook zelf niet om de verwijzing vragen en uit de hiervoor geciteerde overwegingen blijkt duidelijk waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen van oordeel is dat de zaak niet door de verenigde kamers moet worden behandeld. Verzoeker maakt geen schending van artikel 149 van de Grondwet en van de artikelen 39/6, 39/12, § 1, en 48/9 van de Vreemdelingenwet aannemelijk. Het tweede middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. 4. In het derde middel voert verzoeker aan dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de notie ‘bijzondere procedurele noden’ bedoeld in artikel 48/9 van de vreemdelingenwet heeft miskend. Met betrekking tot de door verzoeker aangevoerde procedurele noden overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest hetgeen volgt: “5. Inzake de door verzoeker aangevoerde procedurele noden. 5.1. Verzoeker voert aan dat hij expliciet vroeg dat het voorliggende volgend verzoek om internationale bescherming in het Frans diende te worden behandeld en niet in het Nederlands. 5.1.1. Verzoeker citeert in het verzoekschrift uit het schrijven van zijn raadsvrouw waarin expliciet zou zijn gevraagd aan de DVZ om de procedure In het Nederlands te voeren. Luidens artikel 8 PR RvV dienen de stukken waarvan de partijen willen gebruik maken indien zij in een andere taal zijn opgesteld dan deze van de rechtspleging, vergezeld te zijn van voor eensluidend verklaarde vertaling. Bij gebreke aan een dergelijke vertaling worden de niet vertaalde citaten in het verzoekschrift van de bij het verzoekschrift gevoegde stukken, door de Raad niet in overweging genomen. Verzoeker blijkt overigens uit de lezing van het verzoekschrift duidelijk kennis te hebben van deze bepaling gelet op de veelheid aan ‘vrije vertalingen’ in het verzoekschrift van anderstalige teksten (zie pagina 15-18, pagina 33-34). De Raad verwijst ten overvloede naar RvS 2 juli 2018, nr. 242.039 waarin onder meer wordt gesteld (cf. punten 11-12): ‘(...) dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op grond van artikel 8 van het koninklijk besluit van 21 december 2006 soeverein XIV-38.423-12/17 beslist om niet-vertaalde stukken van een verzoeker al dan niet in overweging te nemen. (...) Behalve de bepaling in artikel 39/21, § 2, eerste lid, dat ‘ten minste drie leden van de Raad, de hoofdgriffier van de Raad en ten minste twee griffiers […] het bewijs [dienen] te leveren van de kennis van de andere taal dan die waarin hun diploma is gesteld’, bevat de vreemdelingenwet geen verplichting voor de magistraten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen om een (actieve of passieve) kennis te hebben van de andere landstaal dan deze van hun diploma. Het (...) artikel 39/21, § 2, vierde lid, van de vreemdelingenwet bepaalt enkel aan de hand van welk examen de magistraten het bewijs kunnen leveren van de kennis van de andere taal. Dit houdt geen verplichting in en er kan ook niet uit worden afgeleid dat de rechters in vreemdelingenzaken minstens een passieve kennis van de andere taal moeten hebben, (...)’. 5.1.2. Verzoeker verwijst naar artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet en betoogt dat ingevolge zijn procedurele noden het volgend verzoek om internationale bescherming in een andere taal kan onderzocht worden dan de taal van het eerste onderzoek. Artikel 51/4 bepaalt: ‘§ 1. Het onderzoek van het verzoek om internationale bescherming geschiedt in het Nederlands of in het Frans. De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied. § 2. De vreemdeling dient op het moment van het indienen van zijn verzoek om internationale bescherming onherroepelijk en schriftelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van dit verzoek de hulp van een tolk nodig heeft. Indien de vreemdeling niet verklaart de hulp van een tolk te verlangen, kan hij volgens dezelfde regels het Nederlands of het Frans kiezen als taal van het onderzoek. Indien de vreemdeling geen van die talen heeft gekozen of verklaard heeft de hulp van een tolk te verlangen, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties. Tegen die beslissing kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld. In afwijking van voorgaande leden en onverminderd de mogelijkheid voor de minister of zijn gemachtigde om de taal van het onderzoek te bepalen in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties, wordt een volgend verzoek om internationale bescherming, ingediend overeenkomstig artikel 51/8, onderzocht in de taal waarin het vorig verzoek om internationale bescherming werd onderzocht. § 3. Bij de procedures voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State alsmede indien de vreemdeling tijdens de behandeling van het verzoek om internationale bescherming of binnen een termijn van zes maanden na afloop van de asielprocedure verzoekt om het toekennen van een machtiging tot verblijf op grond van de artikelen 9bis of 9ter, wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald. Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing.’ Uit de stukken van het administratief (stuk 11, administratief dossier inzake CGVS 07/12596, RVV 17001) blijkt dat verzoeker op 2 mei 2007 een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend. Met toepassing van artikel 51/4, § 2, derde lid van de Vreemdelingenwet werd door de gemachtigde, in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties, de taal van het onderzoek gekozen, in casu het Nederlands, aangezien verzoeker de hulp van een tolk die de Engelse taal machtig is, had ingeroepen. Op 6 juni 2019 dient verzoeker opnieuw een verzoek om internationale bescherming in. Met toepassing van artikel 51/4, § 2, vierde lid van de Vreemdelingenwet wordt een volgend verzoek om internationale bescherming onderzocht in de taal waarin het XIV-38.423-13/17 vorig verzoek om internationale bescherming, in casu het verzoek van 2 mei 2007, werd onderzocht. De procedurele noden inzake de taal van de procedure die verzoeker zou hebben en die zouden leiden tot een afwijking van het gestelde in artikel 51/4, § 2, vierde lid, kunnen niet aangenomen worden. Het verzoekschrift stelt immers onder meer: ‘Tussen 2007 en 2016 heeft de Heer O. zes aanvragen ingediend tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9ter van de wet van 15 december 1980 en vier aanvragen ingediend tot machtiging van verblijf op basis van artikel 9bis van de wet van 15 december 1980’. De ‘procedurele nood’ blijkt aldus het gevolg te zijn van de jarenlange aanwezigheid in Wallonië in precaire verblijfsomstandigheden en dit ingevolge het voeren van tien procedures, met blijkbaar een ongunstig resultaat in hoofde van verzoeker, teneinde een verblijfsvergunning te bekomen. Tevens dient andermaal te worden verwezen naar artikel 48/9, § 4 van de Vreemdelingenwet dat inzake bijzondere procedurele noden bepaalt: ‘De ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beoordelen of de verzoeker om internationale bescherming bijzondere procedurele noden heeft en nemen deze in acht door het verlenen van passende steun tijdens de procedure, voor zover deze noden voldoende zijn aangetoond en voor zover de in dit hoofdstuk bedoelde rechten in het gedrang zouden komen en hij niet zou kunnen voldoen aan de hem opgelegde verplichtingen. De beoordeling van de bijzondere procedurele noden is op zich zelf niet vatbaar voor beroep)’ […]. De beoordeling door verweerder inzake verzoekers procedurele noden kan derhalve niet in het kader van voorliggend beroep worden beoordeeld. De bestreden beslissing wordt evenmin concreet betwist waar deze stelt: ‘Zelf gaf u tijdens uw onderhoud op de DVZ echter aan dat u het Engels - taal waarin het onderhoud op DVZ verliep - voldoende te beheersen om de problemen die geleid hebben tot uw vlucht te verwoorden en hierover vragen te beantwoorden. U meldde nergens problemen met de Engelse taal en ondertekende de ‘verklaring betreffende procedure’ (dd. 24/10/2019).’ Bijgevolg blijft deze vaststelling onverminderd overeind. 5.1.3. Verzoeker verwijst naar het feit dat hij geheugenverlies heeft, hetgeen ook bevestigd zou zijn in de begeleidende brief van zijn raadsvrouw inzake het volgende verzoek om internationale bescherming. De Raad stelt hieromtrent vast dat geen enkel attest wordt bijgebracht waaruit kan blijken dat verzoeker aan geheugenverlies lijdt. Tevens is de bewering inzake het geheugenverlies contradictorisch met het verzoekschrift (p. 41) waarin wordt gesteld dat verzoeker ‘een Franstalige public writer [heeft] gevonden die hem geholpen heeft om, 12 jaar na de feiten, zijn verhaal te schrijven’; het valt immers niet in te zien hoe verzoeker, indien hij werkelijk geheugenverlies zou hebben, zijn verhaal 12 jaar na de feiten op nuttige wijze zou kunnen bijbrengen. 5.2. Verzoeker voert aan dat zijn advocaat aanwezig diende te zijn tijdens het gehoor op de DVZ omwille van zijn procedurele noden. Verzoeker verwijst verder naar artikel 6 van het EVRM omdat zijn fundamentele rechten (artikelen 2 en 3 van het EVRM) op het spel staan. Wat verzoekers vermeende schending van de procedurele noden betreft omdat hij tijdens het ‘verhoor’ niet werd bijgestaan door zijn advocaat, blijkt vooreerst dat verzoeker eraan voorbij gaat dat de Dienst Vreemdelingenzaken geen rechtsprekend orgaan is en de verplichting om de rechten van verdediging na te leven in administratieve procedures enkel in tuchtzaken geldt, behoudens andersluidend voorschrift. In de mate dat verzoeker aanvoert dat artikel 6 van het EVRM werd geschonden ingevolge ‘de nood om het recht op een eerlijk proces van de Heer O. te waarborgen’ wijst de Raad er verder op dat de Dienst Vreemdelingenzaken geen rechtsprekend XIV-38.423-14/17 orgaan is, maar deel uitmaakt van het bestuur dat de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in acht moet nemen. Verzoeker kan bezwaarlijk voorhouden dat het recht op bijstand van een advocaat mutatis mutandis geldt in zijn zaak vermits verzoeker geen ‘verdachte’ is bij het onderzoek naar zijn verzoek om internationale bescherming en hij ook niet werd ‘verhoord’ door de asielinstanties. Te dezen dient te worden herhaald (cf. supra) dat artikel 6 van het EVRM volgens vaste rechtspraak, ook van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens, niet van toepassing is op geschillen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, omdat er geen uitspraak wordt gedaan over burgerlijke rechten, noch over de gegrondheid van een strafvervolging. Artikel 6 van het EVRM is enkel van toepassing in burgerlijke en strafrechtelijke zaken, terwijl het asielrecht een politiek recht is, dat buiten de toepassingssfeer van deze verdragsbepaling valt. De omstandigheid dat het asielrecht thans binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht valt en dat het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie van kracht is geworden, maakt van het asielrecht nog geen burgerlijk recht in de zin van artikel 6 van het EVRM. De rechten van verdediging zijn van toepassing op jurisdictionele procedures en, in administratief- rechtelijke zaken, op tuchtprocedures (RvS 13 december 2011, nr. 216.638). 5.3. Verzoeker verwijst naar artikel 1, 12° van de Vreemdelingenwet waarin de kwetsbare persoon als volgt wordt omschreven: ‘zowel de begeleide als de niet- begeleide minderjarigen, personen met een handicap, bejaarden, zwangere vrouwen, alleenstaande ouders met minderjarige kinderen en personen die gefolterd of verkracht zijn of andere ernstige vormen van psychisch, fysiek of seksueel geweld hebben ondergaan’. Verzoeker maakt echter geenszins concreet duidelijk hoe personen die aan aids lijden ‘logischerwijze’ onder deze omschrijving vallen. Evenmin maakt hij concreet welke procedurele bijstand aan aidslijders zou dienen te worden gegeven en die hem in casu werd ontzegd. De verwijzing naar artikel 48/9 van de Vreemdelingenwet, artikel 11 van het Koninklijk besluit van 11 juli 2003 houdende vaststelling van bepaalde elementen van de procedure die dienen gevolgd te worden door de dienst van de Dienst Vreemdelingenzaken die belast is met het onderzoek van de asielaanvragen op basis van de Vreemdelingenwet, artikel 24 van de Richtlijn 2013/32/EU, artikel 20 van de Richtlijn 2011/95/EU, artikel 4, lid 3 van de Kwalificatierichtlijn en rechtspraak van de Raad is te dezen evenmin op dienstige wijze aangehaald of uitgewerkt teneinde vast te stellen dat verzoeker als aidslijder een procedurele nood zou hebben waaraan niet werd tegemoet gekomen. 5.4. Waar verzoeker hekelt dat hij niet werd gehoord door de commissaris-generaal (verzoekschrift, p. 28), stelt de Raad vast dat uit het administratief dossier blijkt dat de Dienst Vreemdelingenzaken een ‘verklaring volgend verzoek’ van verzoeker heeft geregistreerd en hieromtrent met hem op 24 oktober 2019 een gesprek voerde aangaande de nieuwe elementen en de redenen van zijn nieuw verzoek (administratief dossier, stuk 10, verklaring volgend verzoek). De DVZ heeft deze verklaring vervolgens overgezonden aan de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die de bestreden beslissing heeft genomen na een inhoudelijk onderzoek van de elementen die door verzoeker aan de Dienst Vreemdelingenzaken werden meegedeeld. Hieruit blijkt dat verzoeker wel degelijk zijn nieuwe elementen in het kader van zijn volgend verzoek op nuttige wijze naar voor kon brengen. In dit verband benadrukt de Raad dat het ‘horen’ niet betekent dat verzoeker mondeling diende te worden gehoord, maar dat hij de mogelijkheid moet hebben gekregen om zijn standpunt op een nuttige wijze naar voor te brengen. De beslissing om de verzoeker die een volgend verzoek indient al dan niet persoonlijk te horen, XIV-38.423-15/17 behoort tot de soevereine appreciatiebevoegdheid van de commissaris-generaal. In het geval van een volgend verzoek om internationale bescherming is de commissaris- generaal immers niet verplicht om een persoonlijk onderhoud te organiseren, in overeenstemming met artikel 57/5ter, § 2, 3° van de Vreemdelingenwet. Tijdens het persoonlijk onderhoud op de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van zijn huidige verzoek werd aan verzoeker verduidelijkt dat het Commissariaat-generaal op grond van zijn verklaringen aldaar na zou gaan of zijn aanvraag al dan niet ontvankelijk diende te worden verklaard, en dat het Commissariaat-generaal niet verplicht was om verzoeker voorafgaand nog op te roepen voor een persoonlijk onderhoud. Verzoeker werd hierbij uitdrukkelijk gewezen op het feit dat het essentieel was om alle nieuwe elementen ter staving van zijn aanvraag reeds op de Dienst Vreemdelingenzaken aan te brengen. Verzoeker was bijgevolg op de hoogte van de procedure en het belang van zijn verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken. De Raad stelt ten slotte vast dat verzoeker in zijn verzoekschrift eveneens nalaat om te verduidelijken welke concrete, belangwekkende elementen hij niet heeft kunnen aanreiken en op welke wijze deze elementen een ander licht zouden werpen op de bestreden beslissing.” Verzoekers vraag om zijn verzoek om internationale bescherming in het Frans te registeren en te behandelen als passende steunmaatregel - om wat voor reden dan ook - houdt onmiskenbaar verband met het gegeven dat verzoeker het Frans beter machtig is dan het Nederlands. Verzoeker stelt zelf in zijn verzoekschrift dat de omstandigheid dat zijn verzoek in het Frans behandeld zou worden hem beter in staat zou hebben gesteld om de procedure, de vragen die werden gesteld en de documenten van de procedure, te begrijpen. Hij licht ook de nadelige gevolgen toe van het feit dat zijn verzoek in het Nederlands werd behandeld. Dat verzoeker het Nederlands - taal waarin de procedure met toepassing van artikel 51/4, § 2, vierde lid, van de Vreemdelingenwet in beginsel moet worden gevoerd - minder goed beheerst, kan worden beschouwd als een procedurele nood met betrekking tot de taal van de procedure. Het is dan ook volkomen terecht dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in het bestreden arrest heeft overwogen dat verzoeker heeft gevraagd om de procedure in het Frans te voeren en dat hij aldus gewag maakt van “procedurele noden inzake de taal van de procedure”. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft daarbij de notie ‘bijzondere procedurele noden’ bedoeld in artikel 48/9 van de Vreemdelingenwet geenszins verward met de ‘passende steun’ die luidens de voornoemde bepaling verleend moet worden om aan de procedurele noden tegemoet te komen. Overigens - en anders dan verzoeker lijkt te suggereren - heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen blijkens de hiervoor geciteerde overwegingen ook de door verzoeker aangevoerde procedurele noden die niet gelinkt zijn aan het feit dat hij Frans spreekt - onder meer het beweerde geheugenverlies, zijn kwetsbaarheid en het feit dat hij aan aids lijdt - onderzocht en hij is daarbij nagegaan of er passende steun - ook op het vlak van de taal van de procedure - moest worden verleend. De Raad voor Vreemdelingen- XIV-38.423-16/17 betwistingen oordeelde evenwel dat dit niet het geval is. Met de kritiek dat hij kwetsbaar is, aan aids lijdt, geheugenverlies heeft, lijdt aan psychologische stoornissen en al jaren geleden Nigeria is ontvlucht zodat er wél sprake is van procedurele noden waarvoor passende steunmaatregelen hadden moeten worden genomen - zoals de registratie van zijn verzoek om internationale bescherming in het Frans en de aanwezigheid van zijn raadsvrouw tijdens het interview op de dienst Vreemdelingenzaken - betwist verzoeker de juistheid van de hiervoor geciteerde overwegingen van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. De Raad van State is als administratieve cassatierechter evenwel niet bevoegd om deze beoordeling over te doen. Verzoeker toont geen schending aan van artikel 149 van de Grondwet en van artikel 48/9 van de vreemdelingenwet. Het derde middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT: 1. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vier december tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.423-17/17 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.093 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div