id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 07 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.095 Rolnummer: A. 232002/XIV-38490 Zaak: Cassatiebeschikking 14095 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 07/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-09 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-15 09:55 Fiche Beschikking nr 14.095 van 7 december 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.095 van 7 december 2020 in de zaak A. 232.002/XIV-38.490 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Gaëlle Jordens kantoor houdend te 1000 Brussel Wynantsstraat 23 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 oktober 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 240.594 van 8 september 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 oktober 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- XIV-38.490-1/5
- De overweging in het bestreden arrest dat de verzoekers de aanvankelijk bestreden beslissingen niet betwisten noch aanvechten waar wordt gesteld dat in hunnen hoofde geen bijzondere procedurele noden konden worden vastgesteld, volstaat vermits inderdaad niet blijkt dat de verzoekers die vaststelling uit de aanvankelijk bestreden beslissingen hebben bekritiseerd. De uiteenzetting van de verzoekers voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over de voorgehouden extreme kwetsbaarheid van het gezin heeft betrekking op de grond van de zaak en niet op eventuele procedurele noden. Het eerste onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Wat het voorgehouden gebrek aan toegang tot de arbeidsmarkt in Griekenland betreft, wordt in het bestreden arrest overwogen dat de verzoekers dit niet in concreto aannemelijk maken, dat zij zich beperken tot een vage bewering dat eerste verzoeker werk heeft gezocht doch niet gevonden, dat zij nalaten enige verdere duiding te verschaffen en dat zij niet aantonen welke pogingen eerste verzoeker heeft ondernomen om werk te vinden. Wat het gebrek aan toegang tot de nodige huisvesting betreft, wordt in het bestreden arrest overwogen dat de verzoekers reeds een kleine vier maanden na het verkrijgen van hun status Griekenland hebben verlaten hoewel zij na het verkrijgen van die status nog zes maanden recht hadden op een uitkering en er in huisvesting werd voorzien, dat eerste verzoeker zelf aangaf gewoon te hebben gewacht tot hij alles had gekregen eer hij Griekenland verliet en uitdrukkelijk stelde dat zij, hoewel zij de tijd hadden, niet eens hebben geprobeerd huisvesting te zoeken, dat eerste verzoeker zelf heeft verklaard dat hij zijn geld niet ging gebruiken voor iets dat het niet waard was maar wel om naar een vreemd land te gaan, dat de verzoekers dus geen intentie bleken te hebben om in Griekenland te blijven doch ervoor kozen dit land voortijdig te verlaten hoewel zij duidelijk de financiële middelen hadden om minstens tijdelijk in huisvesting te voorzien en te proberen werk te vinden. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen neemt derhalve niet aan dat de verzoekers in Griekenland door een gebrek aan huisvesting en tewerkstelling dreigen te worden geconfronteerd met dermate ernstige problemen dat de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vereiste bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid zou worden bereikt en waardoor de verzoekers zou worden geconfronteerd met een zeer verregaande materiële deprivatie. XIV-38.490-2/5 De verzoekers tonen wat dat betreft geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht in de zin dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zou beperken tot een simpele bewering. Zij geven geen toelichting wat de voorgehouden schending van de overige aangehaalde bepalingen betreft. Waar de verzoekers hun eigen gedrag “eenvoudigweg logisch” beschouwen, dient te worden opgemerkt dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt in de beoordeling van de zaak zelf te treden. Het tweede onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond.
- Wat het gebrek aan onderwijs in Griekenland voor de kinderen van eerste en tweede verzoekers betreft, wordt in het bestreden arrest de vaststelling uit de aanvankelijk bestreden beslissingen geciteerd dat, waar uit het administratief dossier zou blijken dat de verzoekers als begunstigden van internationale bescherming in Griekenland werden geconfronteerd met bepaalde moeilijkheden op het vlak van onder meer onderwijs, deze situatie niet voldoet aan de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid en cumulatieve voorwaarden zoals bepaald door het Hof van Justitie van de Europese Unie. Verder overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat uit het betoog van de verzoekers zelf blijkt dat de kinderen als begunstigden van internationale bescherming (in theorie) recht hebben op onderwijs, dat de verzoekers niet aantonen dat of waarom de kinderen bij een terugkaar naar Griekenland de toegang tot het onderwijs zou (dreigen te) worden ontzegd, noch dat zij zich bij eventuele problemen niet zouden kunnen beroepen op de overheid. Ook wat dat betreft tonen de verzoekers geen schending aan van de jurisdictionele motiveringsplicht in de zin dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zich zou beperken tot een simpele bewering. Zij geven geen toelichting wat de voorgehouden schending van de overige aangehaalde bepalingen betreft. Het derde onderdeel van het enige middel is kennelijk ongegrond.
- Op de argumentatie van de verzoekers betreffende het gebrek aan toegang tot gezondheidszorg antwoordt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen eerst dat uit de voorhanden zijnde landeninformatie niet blijkt dat eenieder die internationale XIV-38.490-3/5 bescherming geniet in Griekenland “en die, zoals verzoekster en de zoon van verzoekende partijen, kampt met een aantal medische en psychische problemen en deel uitmaakt van een gezin van vier kinderen”, er dreigt te worden geconfronteerd met ernstige problemen waardoor de door het Hof van Justitie van de Europese Unie vereiste bijzonder hoge drempel van zwaarwichtigheid zou worden bereikt en waardoor de betrokkene zou worden geconfronteerd met een zeer verregaande materiële deprivatie. Wat de individuele situatie en persoonlijke omstandigheden van de verzoekers betreft, citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de aanvankelijk bestreden beslissingen dat de verzoekers zelf hebben verklaard dat zowel tweede verzoekster als hun zoon in Griekenland in behandeling waren bij een psycholoog. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen overweegt ook dat de verzoekers niet concreet aantonen dat zij bij een terugkeer naar Griekenland en mits de nodige inspanningen te leveren niet in de mogelijkheid zouden zijn, eventueel met de hulp van de Griekse autoriteiten of de daar aanwezige organisaties, in het kader van de aangevoerde problemen toegang tot de nodige gezondheidszorg te krijgen. De verzoekers tonen niet aan dat de voormelde motivering in het licht van de door hen aangevoerde kritiek niet voldoet aan de vereisten van de jurisdictionele motiveringsplicht. Evenmin blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen een onvoldoende nauwkeurig onderzoek zou hebben gevoerd om te oordelen of de aangevoerde tekortkomingen in Griekenland een dermate hoge drempel van zwaarwichtigheid bereiken dat de verzoekers, buiten hun wil en hun persoonlijke keuzes om, terechtkomen in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hen niet in staat stelt om te voorzien in hun meest elementaire behoeften. Verder komt het, zoals supra reeds overwogen, de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe om de dienaangaande door de feitenrechter gemaakte beoordeling over te doen. Het vierde onderdeel van het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar. XIV-38.490-4/5
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1.200 euro, ieder voor een zesde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op zeven december tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.490-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.095 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.