id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.097 Rolnummer: A. 231916/XIV-38482 Zaak: Cassatiebeschikking 14097 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-23 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-15 09:55 Fiche Beschikking nr 14.097 van 15 december 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.097 van 15 december 2020 in de zaak A. 231.916/XIV-38.482 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Tristan Wibault kantoor houdend te 1000 Brussel Congresstraat 49 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 1 oktober 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 240.377 van 1 september 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 oktober 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Naar luid van artikel 48/3, § 2, tweede lid, b), van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet) kunnen daden van vervolging onder meer de vorm aannemen van “wettelijke, administratieve, politiële en/of gerechtelijke maatregelen die op zichzelf discriminerend zijn of op discriminerende wijze XIV-38.482-1/3 worden uitgevoerd”. Uit artikel 48/3, § 2, eerste lid, volgt dat het kan gaan om bepaalde maatregelen of een samenstel van maatregelen die “zo ernstig van aard zijn of zo vaak voorkomen dat zij een schending vormen van de grondrechten van de mens”. Hierbij is een zekere zwaarte vereist, enkel het bestaan van een bepaalde discriminerende behandeling volstaat op zich niet. In het bestreden arrest wordt net aangenomen dat uit de voorhanden zijnde landeninformatie “geenszins [kan] worden afgeleid dat de algemene situatie in Griekenland zou worden gekenmerkt door dermate structurele en ernstige tekortkomingen of van zulke ernstige aard zou zijn dat deze op zich volstaat om aan te tonen dat eenieder die aldaar internationale bescherming geniet (onder meer omwille van de toestand op het vlak van […] discriminatie en racistisch geïnspireerde incidenten) zou dreigen terecht te komen in of zou worden geconfronteerd met ernstige problemen”. Ook uit de door verzoeker aangevoerde persoonlijke omstandigheden kan dit volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet worden afgeleid. Daartoe citeert de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uit de aanvankelijk bestreden beslissing dat de feiten in het opvangkamp, dus voordat verzoeker internationale bescherming kreeg, zich op een welbepaalde plaats en in een welbepaalde periode en context situeren zodat zij niet zonder meer representatief zijn voor de beoordeling van de situatie als internationaal beschermde. Er wordt vastgesteld dat verzoeker geen concrete soortgelijke ervaringen laat gelden na het verlaten van het opvangkamp vermits hij niet heeft getracht zich ergens te vestigen maar meteen is doorgereisd naar België en dat verzoeker zich beperkt tot een algemene verwijzing naar bepaalde moeilijkheden die begunstigden van internationale bescherming in Griekenland zouden kunnen ondervinden maar dat hij onvoldoende persoonlijke ervaringen aanhaalt om dit te concretiseren. Volgens de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen beperkt verzoeker zich omtrent het voorgaande tot een verwijzing naar de aangehaalde en besproken landeninformatie en tot algemene, blote en ongefundeerde beweringen, zonder deze in concreto aannemelijk te maken. Met het voorgaande oordeelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen duidelijk dat - en waarom - geen discriminatie wordt aangetoond die voldoet aan de voorwaarden van artikel 48/3 van de vreemdelingenwet. Verzoekers argumentatie betreffende de situatie die, omwille van de voorgehouden discriminatie, zou verschillen van de situatie in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 maart 2019 in de gevoegde zaken C-297/17, C-318/17, C-319/17 en XIV-38.482-2/3 C-438/17, Ibrahim tegen de Duitse Bondsrepubliek e.a., kan derhalve niet leiden tot de cassatie van het bestreden arrest. Het enige middel is, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien december tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.482-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.097 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div