← België

Cassatiebeschikking 14098 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2020

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.098 Rolnummer: A. 231997/XIV-38489 Zaak: Cassatiebeschikking 14098 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-23 Raadplegingen: 71 - laatst gezien 2026-06-15 09:56 Fiche Beschikking nr 14.098 van 15 december 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.098 van 15 december 2020 in de zaak A. 231.997/XIV-38.489 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Hanne Van Walle kantoor houdend te 1060 Brussel Berckmansstraat 89 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Oriane Todts kantoor houdend te 1000 Brussel Kolenmarkt 83 tegen : de COMMISSARIS-GENERAAL VOOR DE VLUCHTELINGEN EN DE STAATLOZEN ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld 13 oktober 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 240.504 van 7 september 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 21 oktober 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) heeft in het door verzoeker aangehaalde arrest van 19 september 2013 in de zaak nr. 10499/11, R.J. tegen Frankrijk, onvoldoende geacht de motivering in een vonnis dat een XIV-38.489-1/4 medisch attest het bestaan van een oorzakelijk verband tussen de medische vaststellingen en de verklaringen van de verzoeker niet rechtvaardigt. Het EHRM verwijst naar het recente en ernstige karakter van de verwondingen die op gedetailleerde wijze zijn weergegeven in het medisch attest van R.J. en die overeenstemmen met het asielrelaas. Het EHRM is in die zaak van oordeel dat de sterke vermoedens over de oorsprong van de verwondingen van de betrokkene niet worden weggenomen door zich in het desbetreffende vonnis enkel te beroepen op het onvolledige karakter (“caractère lacunaire”) van het asielrelaas. Anders dan in de voornoemde zaak, blijkt het te dezen te gaan om een medisch attest van 30 november 2018 terwijl verzoeker zijn land van herkomst reeds heeft verlaten in augustus 2015 en de verwondingen nog van voordien dateren. Daarenboven gaat het te dezen niet enkel om een gebrekkig asielrelaas of een relaas met leemtes. Uit de aanvankelijk bestreden beslissing (die in het bestreden arrest wordt geciteerd) en het bestreden arrest zelf blijkt immers dat verzoeker zijn vrees voor vervolging omwille van zijn etnische afkomst niet aannemelijk maakt, noch zijn deelname aan een manifestatie te Khartoem op 25 september 2013, noch zijn vertrek uit het district Mayo te Khartoem, noch de momenten waarop de nationale veiligheid hem thuis zou zijn komen zoeken, noch het moment van zijn voorgehouden terugkeer naar Khartoem, noch zijn eigenlijke arrestatie te Khartoem, noch zijn bewering dat hij na zijn vrijlating zou hebben moeten spioneren voor het regime. Verzoekers relaas wordt volstrekt ongeloofwaardig bevonden. Het medisch attest dateert dus van 3 à 4 jaar na de voorgehouden mishandeling van verzoeker en volgens het bestreden arrest stelt het slechts dat verzoeker littekens heeft maar geen uitsluitsel biedt over de omstandigheden waarin verzoeker deze heeft opgelopen. Na de vaststelling van de volstrekte ongeloofwaardigheid van het asielrelaas, heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ook verder de omstandigheden van de zaak onderzocht met de vaststelling dat “verzoeker […] volgens zijn verklaringen heeft gewerkt op de vismarkt alsook bijna twee jaren in de goudmijn, plaatsen waar omwille ban de fysieke arbeid en werkomstandigheden fysieke letsels niet uit te sluiten zijn”. Hiermee heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen concreet onderzocht of verzoeker medisch attest een (begin van) bewijs kan vormen voor de voorgehouden mishandelingen die verzoeker voorhoudt te hebben ondergaan. Verzoeker maakt derhalve geen schending aannemelijk van artikel 3 van het EVRM. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet XIV-38.489-2/4 toe in de plaats van de feitenrechter de zaak zelf te boordelen over de bewijswaarde van het medisch attest.
  2. Door de oordelen dat “verzoeker […] volgens zijn verklaringen heeft gewerkt op de vismarkt alsook bijna twee jaren in de goudmijn, plaatsen waar omwille van de fysieke arbeid en werkomstandigheden fysieke letsels niet uit te sluiten zijn” schendt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet de bewijskracht van het door verzoeker bijgebrachte medisch attest waarin wordt aangegeven dat verzoekers letsels compatibel zijn met traumatische oorsprong.
  3. Anders dan verzoeker voorhoudt, heeft de Raad geen onderzoeksmaatregelen uitgevoerd. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft enkel de bewijswaarde van het door verzoeker bijgebrachte medisch attest beoordeeld, hetgeen tot zijn soevereine beoordelingsbevoegdheid behoort.
  4. Het recht van verdediging houdt niet dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen zijn voorgenomen beoordeling van een door een partij overgelegd stuk, mede in vergelijking met de door die partij afgelegde verklaringen, vooraf aan die partij ter kennis moet brengen.
  5. Het enige middel is in zijn vier onderdelen, voor zover ontvankelijk, kennelijk ongegrond. BESLUIT:
  6. Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
  7. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. XIV-38.489-3/4 Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien december tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.489-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.098 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.