id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.101 Rolnummer: A. 232048/XIV-38499 Zaak: Cassatiebeschikking 14101 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-23 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-15 09:58 Fiche Beschikking nr 14.101 van 15 december 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.101 van 15 december 2020 in de zaak A. 232.048/XIV-38.499 In zake :
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX
- XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dominique Andrien en Justine Braun kantoor houdend te 4000 Luik Mont Saint Martin 22 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 19 oktober 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 241.132 van 17 september 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 28 oktober 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- De verzoekers citeren de overwegingen uit het bestreden arrest dat “in de [aanvankelijk] bestreden beslissingen […] de verwerende partij enkel [heeft] XIV-38.499-1/4 vastgesteld dat de verzoekende partijen niet voldoen aan de voorwaarden inzake bestaansmiddelen en voldoende huisvesting” en dat de verwerende partij “geen overwegingen [heeft] geuit aangaande het hoger belang van het kind”. In het cassatiemiddel brengen de verzoekers, na een uitgebreide theoretische uiteenzetting, hiertegen in dat de verwerende partij “op eigen initiatief een onderzoek [had] moeten instellen naar de situatie van verzoekers in Afghanistan, teneinde rekening te houden met het hoger belang van de kinderen en een individuele beoordeling van de zaak te maken”.
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen citeert in punt 2.21 van het bestreden arrest artikel 12bis, § 7, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet), artikel 5, § 5, van richtlijn 2003/86/EG van de Raad van 22 september 2003 ‘inzake het recht op gezinshereniging’ en de door de verzoekers aangehaalde rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie waaruit blijkt dat bij de behandeling van de aanvraag tot gezinshereniging rekening moet worden gehouden met het hoger belang van het kind, onder meer met de leeftijd van de betrokken kinderen, hun situatie in het land van herkomst en de mate waarin zij afhankelijk zijn van verwanten. Zoals de verzoekers aanvoeren, stelt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen inderdaad vast dat de aanvankelijk bestreden beslissingen geen overwegingen bevatten aangaande het hoger belang van de kinderen. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen oordeelt echter terecht “dat de verwerende partij slechts rekening kan houden met omstandigheden zoals de situatie in het land van herkomst van de kinderen en de mate waarin zij van de erkende vluchteling afhankelijk zijn, als dergelijke omstandigheden minstens ingeroepen worden, wat in casu niet het geval is” en dat “het […] aan verzoekers [is] om elementen en informatie aan te dragen over de afhankelijkheid van de kinderen ten opzichte van de gezinshereniger en over de exacte verblijfplaats van de kinderen en de moeilijkheden die dit met zich meebrengt, waarna de verwerende partij een onderzoek moet voeren”. De aanvrager van een (visum voor) gezinshereniging dient immers zelf de concrete omstandigheden uiteen te zetten waarom het hoger belang van het kind een positieve beslissing zou vereisen. De verzoekers betwisten niet dat zij dienaangaande geen concrete elementen hebben meegedeeld in hun aanvraag. Zij hebben voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenmin aangevoerd dat zij daartoe niet in de mogelijkheid waren. De verwerende partij is er niet zonder meer toe verplicht de feitelijke situatie van de kinderen in het land van herkomst te onderzoeken of XIV-38.499-2/4 deze te vergelijken met de situatie in België indien haar daaromtrent niets wordt meegedeeld, evenmin als over de afhankelijkheid van de kinderen tegenover de aanvrager. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen vermocht derhalve op wettige wijze vast te stellen dat de verzoekers niet hebben voorgehouden, laat staan aangetoond dat E.M., echtgenoot van eerste verzoekster en vader van de overige verzoekers, voor zijn vlucht naar België bij zijn kinderen woonde en in hun levensonderhoud en onderwijs voorzag, dat ook niet blijkt dat de kinderen sedert E.M.’s vlucht naar België hiervan verstoken zijn, dat de verzoekers ook geen elementen hebben meegedeeld over de situatie in het land van herkomst of verblijf, dat de verwerende partij op dit punt geen verdere inhoudelijke beoordeling van het dossier kon maken en dat de verwerende partij er in die omstandigheden niet toe was gehouden een onderzoek te voeren naar de voornoemde elementen en er afwegingen over te maken in de aanvankelijk bestreden beslissingen. Verder gaan de verzoekers voorbij aan de vaststelling in het bestreden arrest dat de aanvankelijk bestreden beslissingen impliciet rekening houden met de belangen van de kinderen, in de zin dat de kinderen gebaat zijn met een behoorlijke huisvestiging en een gezinshereniger die beschikt over voldoende bestaansmiddelen om zichzelf en het gezin, bestaande uit zes personen, te onderhouden. De verzoekers gaan eveneens voorbij aan de overwegingen in punt 2.26 van het bestreden arrest, waarin wordt opgemerkt dat de aanvankelijk bestreden beslissingen geen definitieve scheiding inhouden, dat “het […] de verzoekende partijen vrij [staat] een nieuwe visumaanvraag in te dienen, ditmaal vergezeld van de nodige bewijsstukken inzake de voldoende bestaansmiddelen en de behoorlijke huisvesting, stukken die objectieve belemmeringen aantonen waardoor de visumaanvraag niet binnen het jaar na de beslissing tot erkenning als vluchteling van [M.E.] kon worden ingediend alsook informatie en elementen die de verwerende partij in staat stellen afwegingen te maken inzake het hoger belang van het kind” en dat de door het indienen van een nieuwe aanvraag veroorzaakte vertraging of ongemak “niet van die omvang is dat dit hen belet hun recht op gezinshereniging doeltreffend te doen gelden”. Tot slot kan worden opgemerkt dat, daargelaten het gebrek aan bindende precedentswaarde van de arresten van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, XIV-38.499-3/4 de “gelijkaardige zaak” waarnaar de verzoekers verwijzen een zaak betrof waarin net wel elementen zoals de aard en de hechtheid van de gezinsbanden waren ingeroepen.
- Het enige middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- De verzoekers worden verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 1000 euro, ieder voor een vijfde. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien december tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.499-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.101 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.