id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Beschikking van 15 december 2020 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.102 Rolnummer: A. 232258/XIV-38528 Zaak: Cassatiebeschikking 14102 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 15/12/2020 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2020-12-23 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-15 09:59 Fiche Beschikking nr 14.102 van 15 december 2020 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Niet toegelaten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Afdeling administratie Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK BESCHIKKING BETREFFENDE DE TOELAATBAARHEID IN ADMINISTRATIEVE CASSATIE nr. 14.102 van 15 december 2020 in de zaak A. 232.258/XIV-38.528 In zake : XXXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Koenraad Hinnekens kantoor houdend te 8500 Kortrijk Louis Pasteurstraat 24 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Asiel en Migratie, thans de staatssecretaris voor Asiel en Migratie ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- Het cassatieberoep, ingesteld op 12 november 2020, strekt tot de cassatie van het arrest nr. 242.206 van 14 oktober 2020 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Het dossier van de zaak is op 2 december 2020 aangekomen ter griffie. Er is toepassing gemaakt van artikel 20 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van de artikelen 7 tot en met 11 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 ‘tot vaststelling van de cassatieprocedure bij de Raad van State’. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- Eerste middel
- Artikel 7 van het ministerieel besluit van 23 maart 2020 ‘houdende dringende maatregelen om de verspreiding van het coronavirus COVID-19 te beperken’ verbiedt niet-essentiële reizen vanuit en naar België doch bevat geen verbod tot het opleggen XIV-38.528-1/4 van een bevel om het grondgebied te verlaten. Verzoeker gaat niet in op de motivering van het bestreden arrest waar wordt gesteld dat verzoeker niet aannemelijk maakt dat de terugkeer naar zijn land van herkomst waar hij verblijfsgerechtigd is, geen niet-essentiële verplaatsing zou zijn, dat de tijdelijke maatregelen in verband met de coronacrisis geen afbreuk doen aan het feit dat aan verzoeker een bevel om het grondgebied te verlaten moest worden gegeven, dat bij een eventuele gedwongen uitvoering van het bestreden bevel alle nodige voorzorgsmaatregelen zullen moeten worden toegepast en dat verzoeker indien nodig een verlenging van de termijn voor vrijwillige terugkeer kan aanvragen met toepassing van artikel 74/14, § 1, van de wet van 15 december 1980 ‘betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen’ (hierna: de vreemdelingenwet).
- Het eerste middel is kennelijk ongegrond. Tweede middel
- Verzoeker zet uiteen dat in de aanvankelijk bestreden beslissing had moeten worden nagegaan en gemotiveerd waarom de uitvoering van het bevel om het grondgebied te verlaten wel degelijk mogelijk zou zijn. Hij gaat opnieuw in op de gevolgen van het coronavirus COVID-19 en is van oordeel dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het aanvankelijk bestreden bevel had moeten vernietigen. Uit de behandeling van het eerste middel blijkt reeds dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de situatie met betrekking tot het coronavirus COVID-19 in zijn beoordeling heeft betrokken. Verzoeker toont met de uitgebreide herhaling van zijn standpunt dienaangaande niet de schending aan van de in het middel aangehaalde bepalingen.
- Verzoeker acht artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend te Rome op 4 juni 1950 (hierna: het EVRM), geschonden en verwijst daartoe naar de gevolgen voor zijn gezondheid ingeval van terugkeer naar het land van herkomst. Hiertoe kan opnieuw worden verwezen naar de motieven van het bestreden arrest zoals ze blijken uit de behandeling van het eerste middel en waaruit een XIV-38.528-2/4 onderzoek naar een eventuele schending van artikel 3 van het EVRM blijkt. Verzoeker toont niet aan dat het door de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen uitgevoerde onderzoek niet voldoet aan de vereisten van deze laatste verdragsbepaling.
- Het tweede middel is kennelijk ongegrond. Derde middel
- Verzoeker voert met verwijzing naar het coronavirus COVID-19 opnieuw aan dat hij België niet kan en mag verlaten en dat het “zonneklaar” is dat hij Kongo niet binnen kan. In de eerste plaats kan worden verwezen naar de behandeling van het eerste en het tweede middel. In de tweede plaats overweegt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen nog dat uit verzoekers betoog niet blijkt dat hij op het ogenblik van het nemen van de aanvankelijk bestreden beslissing enig gezondheidsprobleem kende, noch dat hij besmet is door het COVID-19-virus of symptomen zou hebben en een medische behandeling nodig zou hebben, dat het risico op besmetting louter hypothetisch is en dat het de verwerende partij niet kan worden verweten in de aanvankelijk bestreden beslissing niet te hebben gemotiveerd over hypothetische gezondheidsproblemen. Verzoeker toont opnieuw geen schending aan van artikel 3 van het EVRM.
- Het derde middel is kennelijk ongegrond. Vierde middel
- De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen gaat in punt 3.2.4 van het bestreden arrest uitgebreid in op verzoekers privé- en gezinssituatie, zowel feitelijk als juridisch, waarna hij besluit dat “verzoeker met zijn betoog niet aannemelijk maakt dat de verplichting om tijdelijk terug te keren naar het herkomstland om zich in regel te stellen met de immigratiewetgeving en de door de Vreemdelingenwet opgelegde binnenkomst- en verblijfsvereisten en de erin voorziene procedures te respecteren, het gezins- of privéleven in die mate verstoort dat er sprake kan zijn van een schending van artikel 8 van het EVRM”, dat “een disproportionaliteit tussen de belangen van de verzoeker en zijn zwangere partner en de kinderen enerzijds en de belangen van de Belgische Staat in het kader van het doen XIV-38.528-3/4 naleven van de verblijfsreglementering anderzijds, […] niet blijkt en dat “ verzoeker […] niet concreet aannemelijk [maakt] dat de verweerder bij zijn beoordeling enig relevant gegeven, dat de voorliggende zaak kenmerkt, ten onrechte niet in rekening heeft gebracht of dat op grond van een onzorgvuldig onderzoek van de voorliggende feiten tot het besluit zou zijn gekomen om de verzoeker het bevel te geven om het grondgebied te verlaten”. Verzoeker toont niet aan dat het in het bestreden arrest gevoerde onderzoek niet voldoet aan de vereisten van artikel 8 van het EVRM. Verder komt het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toe zijn beoordeling van de zaak zelf in de plaats te stellen van de beoordeling door de eerste rechter.
- Het vierde middel is kennelijk ongegrond. BESLUIT:
- Het cassatieberoep is niet-toelaatbaar.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro. Deze beschikking is, na beraad, uitgesproken te Brussel op vijftien december tweeduizend twintig, door: Carlo Adams, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Carlo Adams XIV-38.528-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2020:ORD.14.102 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div