← België

Arrest 249408 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.408 Rolnummer: A. 215743/IX-8631 Zaak: Arrest 249408 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 06/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-14 Raadplegingen: 64 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.408 van 6 januari 2021 Openbaar ambt - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK IXe KAMER nr. 249.408 van 6 januari 2021 in de zaak A. 215.743/IX-8631 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ann Coolsaet kantoor houdend te 2018 Antwerpen Arthur Goemaerelei 69 bij wie woonplaats wordt gekozen eveneens bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Ingrid Opdebeek kantoor houdend te 2630 Aartselaar Karel van de Woestijnelaan 7 tegen: de UNIVERSITEIT GENT bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Sofie Logie kantoor houdend te 8500 Kortrijk Beneluxpark 27B bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het verzoek

  1. Met een verzoekschrift, ingediend op 14 juni 2019, vraagt de verzoekende partij “een schadevergoeding tot herstel van de nadelen geleden in- gevolge de onwettigheden aangevoerd in de procedure met kenmerk G/A 215.743/IX-8631”. II. Verloop van de rechtspleging
  2. Bij arrest nr. 244.939 van 25 juni 2019 is het debat heropend voor het onderzoek van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel. IX-8631-1/11 De verwerende partij heeft een memorie van antwoord inge- diend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Iris Verheven heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij en de verwerende partij hebben een laat- ste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 30 november
  3. Kamervoorzitter Geert Van Haegendoren heeft verslag uitge- bracht. Advocaat Ann Coolsaet, die verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Lene De Vlieger, die loco advocaat Sofie Logie verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Iris Verheven heeft, behalve wat de kosten be- treft, een met dit arrest andersluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, ge- coördineerd op 12 januari
  4. III. Aanleiding tot het verzoek
  5. Verzoekster was voltijds hoofddocent aan de faculteit Letteren en Wijsbegeerte van de Universiteit Gent. Met een nota van 17 december 2013 stelt de decaan van de fa- culteit Letteren en Wijsbegeerte de in aanmerking komende hoofddocenten ervan IX-8631-2/11 in kennis dat in de goedgekeurde AP- en ATP-formaties onder meer is voorzien in “acht bevorderingsplaatsen van voltijds hoofddocent naar hoogleraar”. Ver- zoekster en dertien andere voltijdse hoofddocenten stellen zich daarvoor kandi- daat. De raad van bestuur van de Universiteit Gent beslist op 13 februari 2015 om acht voltijdse hoofddocenten met ingang van 1 oktober 2014 te bevorderen tot hoogleraar. Verzoekster, die niet behoort tot de gelukkigen, vordert de nietigverklaring van deze beslissing. Bij arrest nr. 244.939 van 25 juni 2019 vernietigt de Raad van State voormelde beslissing. IV. Nadere omschrijving van het voorwerp 4.
  6. In het inleidend verzoekschrift beschrijft verzoekster de finan- ciële en de morele nadelen die zij heeft geleden en waarvoor zij een vergoeding nastreeft. 4.
  7. Verzoekster is evenwel door de verwerende partij op 1 maart 2019 ook bevorderd tot hoogleraar via het zogenaamde fast track traject, met ingang van 1 oktober
  8. Vervolgens is zij op 27 september 2019 retroactief bevorderd tot hoogleraar, met ingang van 1 oktober
  9. Verzoekster bevestigt in de memorie van wederantwoord dat de verwerende partij inmiddels de betalingen heeft verricht, verbonden aan deze bevordering: “De financiële nadelen ingevolge het feit dat de bevordering van verzoek- ster vier jaar later ingaat dan ze normaal had moeten ingaan, werden rechtgezet samen met de uitbetaling van het salaris van oktober 2019.” Zij handhaaft haar vordering tot het verkrijgen van een schade- vergoeding tot herstel enkel nog voor wat het morele nadeel betreft, namelijk IX-8631-3/11 wegens “aantasting van de goede naam en reputatieschade door het mislopen van een gecontingenteerde bevordering met ingang van 1 oktober 2014”. 4.
  10. Het voorwerp van het verzoek wordt dan ook bepaald tot de gevorderde vergoeding voor de voormelde morele schade. Hierna worden dan ook enkel de argumenten die daarmee in verband staan onderzocht. V. Onderzoek A. De gevorderde schadevergoeding
  11. Verzoekster vordert voor “de reputatieschade, de aantasting van haar goede naam en de morele schade” een schadevergoeding tot herstel forfaitair begroot op 10.000 euro, te verhogen “met de vergoedende interesten aan de wet- telijke rentevoet van 2% vanaf 1 oktober 2014 (ingangsdatum bestreden beslis- sing) tot aan de datum van het arrest waarbij een uitspraak wordt gedaan over de schadevergoeding tot herstel, alsook, vanaf de datum van het arrest, met de ver- wijlinteresten aan de wettelijke rentevoet van 2% op het bedrag van de toegeken- de schadevergoeding tot herstel en de vergoedende interesten”. B. Het geleden nadeel Uiteenzetting van verzoekster
  12. Verzoekster betoogt dat een hoogleraar in de academische we- reld en daarbuiten een veel hoger aanzien geniet dan de aanvangsgraden van een docent en een hoofddocent. Zo is de Engelse vertaling van hoogleraar in acade- mische kringen full professor. Pas vanaf het niveau van hoogleraar komt zij bovendien in aanmerking voor het bekleden van diverse prestigieuze functies binnen de univer- siteit, zoals decaan, vicedecaan, rector, vicerector en het lidmaatschap van tucht- IX-8631-4/11 organen voor het zelfstandig academisch personeel. Verzoekster heeft dit gedu- rende vier jaar moeten missen ingevolge de aangevoerde onwettigheden en zij lijdt hierdoor een belangrijk moreel nadeel. Dit moreel nadeel wordt niet ipso facto hersteld door de morele genoegdoening die volgt uit het vernietigingsarrest, daar het gedurende vier jaar niet kunnen bekleden van het ambt van hoogleraar niet ongedaan kan worden gemaakt, zelfs niet met terugwerkende kracht kan worden hersteld, en dus een definitief ondergaan moreel nadeel is. Gedurende de periode van vier jaar dat verzoekster eerder be- vorderd had moeten zijn tot hoogleraar heeft zij ingevolge de aangevoerde onwet- tigheden veel geloofwaardigheid verloren en heeft zij grote imagoschade geleden. Zij werd immers vier jaar lang niet bekwaam genoeg geacht om tot hoogleraar te worden bevorderd.
  13. In de memorie van wederantwoord betwist verzoekster dat het moreel nadeel voldoende is hersteld door de morele genoegdoening die volgt uit de nietigverklaring van de bestreden beslissing: “Dit is geenszins het geval. Dit moreel nadeel wordt niet ipso facto her- steld door de morele genoegdoening die volgt uit het vernietigingsarrest, daar het gedurende vier jaar niet kunnen bekleden van het ambt van hoog- leraar niet ongedaan kan worden gemaakt, zelfs niet met terugwerkende kracht kan worden hersteld, en dus een definitief ondergaan moreel nadeel is. De terugwerkende kracht van het vernietigingsarrest is een juridische fictie die niet ongedaan maakt dat verzoekster vier jaar lang – ten onrechte – niet als hoogleraar kon fungeren. Het aanzien dat daarmee gepaard gaat, de functies die men als hoogleraar kan betrekken, de status binnen de aca- demische wereld, … kunnen niet met terugwerkende kracht worden her- steld. Verzoekster werd vier jaar lang niet bekwaam genoeg geacht om tot hoogleraar te worden bevorderd. Dit moeten ondergaan wordt op geen enkele wijze hersteld door de morele genoegdoening die volgt uit een vernietigingsarrest.”
  14. In haar laatste memorie stelt verzoekster dat uit haar bevorde- ring met terugwerkende kracht volgt dat de verwerende partij erkent dat de be- IX-8631-5/11 vordering haar reeds toekwam in 2014 en dat zij dus wel degelijk vier jaar en vijf maanden die bevordering heeft moeten ontberen, alsook het daaraan verbonden aanzien als hoogleraar. De verwerende partij kan niet ernstig betwisten dat een hoogleraar een hoger aanzien geniet dan een hoofddocent. Het ZAP-reglement wijst op het tegendeel. Een hoogleraar neemt immers een leidende rol op in de onderwijs- en onderzoeksactiviteiten en is de eindverantwoordelijke voor de kwa- liteit daarvan. Een hoogleraar moet de docenten en hoofddocenten ook coachen. Indien die kerntaken naar behoren worden opgenomen, leidt dit ook tot meer aan- zien dan dat verbonden aan de functie van hoofddocent. Wat het niet in aanmerking komen voor een reeks prestigieuze functies betreft, stelt verzoekster dat het niet relevant is om welke functies het precies gaat. Er kan niet in redelijkheid worden betwist dat zij gedurende de meer dan vier jaar dat zij haar bevordering tot hoogleraar ten onrechte moest ontberen, voor verschillende van die functies in aanmerking zou zijn gekomen. Zij wijst erop dat zij lid was van de raad van bestuur van 1998 tot 2003 en lid van het be- stuurscollege van 1999 tot 2003, wat haar engagement aantoont. Ook deze morele schade en het verlies van een kans komen in aanmerking voor schadevergoeding. Beoordeling
  15. Opdat een moreel nadeel aanleiding zou kunnen geven tot het toewijzen van een schadevergoeding tot herstel moet worden aangetoond dat dit nadeel niet of niet volledig door de vernietiging van de onwettig bevonden be- stuurshandeling is hersteld. Het komt aan de verzoekende partij toe dat nog niet herstelde moreel nadeel te bewijzen aan de hand van concrete gegevens aange- zien de nietigverklaring in beginsel de nodige morele genoegdoening verschaft.
  16. Verzoekster vergist zich door uit de onwettig bevonden beslis- sing af te leiden dat de verwerende partij haar gedurende vier jaar onbekwaam achtte om tot hoogleraar bevorderd te worden. Terecht stelt de verwerende partij dat bij gecontingenteerde bevorderingen van bij aanvang vaststaat dat maar een IX-8631-6/11 vooraf bepaald aantal kandidaten bevorderd kan worden en dat er in casu veertien kandidaten voor slechts acht bevorderingsplaatsen waren. Het niet in aanmerking komen voor een gecontingenteerde bevordering houdt bijgevolg geen oordeel in omtrent het niet bekwaam achten van een kandidaat. Als méér personeelsleden zich kandidaat stellen dan er te begeven plaatsen zijn, dan is dit voor de afgewe- zen kandidaat geen bewijs dat het bestuur haar onbekwaam acht maar enkel dat andere kandidaten nog bekwamer waren. Verzoekster kwam ook niet in concur- rentie met kandidaten uit haar eigen vakgebied, zodat de vernietigde beslissing haar deskundigheid ten aanzien van de collega’s uit haar specialisatiedomein op geen enkele manier in twijfel heeft getrokken.
  17. Daarenboven mag het vernietigingsmotief in herinnering worden gebracht. De onwettigheid die de Raad van State in het vernietigingsarrest heeft vastgesteld, is de volgende: “Het facultair reglement bepaalt dat naast de deelgebieden onderzoek en onderwijs ook de dienstverlening als bevorderingscriterium in kaart wordt gebracht voor het vergelijken van de verdiensten van de kandidaten. Aldus wordt evenwel een bijkomend generiek criterium vastgelegd waarin niet is voorzien in de toepasselijke bepalingen van het door de raad van bestuur goedgekeurde ZAP-reglement. Het facultair reglement schendt bijgevolg artikel V.24 van de Codex Hoger Onderwijs, gelezen in samen- hang met de artikelen 14, § 8, 3 en 19, § 5, van het ZAP-reglement.” Die vastgestelde onwettigheid doet bijgevolg al helemaal geen uitspraak over het curriculum van verzoekster en heeft geen uitstaans met de con- crete vergelijking van de aanspraken van de kandidaten, maar enkel met een on- wettige toevoeging van ‘dienstverlening’ aan de bevorderingscriteria.
  18. Verzoekster vergist zich dus door uit de onwettige beslissing af te leiden dat zij wegens die onwettigheid veel geloofwaardigheid verloren heeft en grote imagoschade heeft geleden. Zij maakt overigens ook geenszins concreet inzichtelijk hoe die schade zich zou hebben gemanifesteerd. IX-8631-7/11
  19. Verzoekster verwijst voor het morele nadeel voorts naar een gemiste kans om prestigieuze universitaire functies te bekleden, omdat zij daar- voor als hoofddocent niet in aanmerking kwam. Verzoekster geeft evenwel niet in concreto aan voor welke van de door haar vernoemde functies zij, bij bevordering in 2014, de gelegenheid zou hebben gehad zich kandidaat te stellen. Zij duidt niet aan voor welke functies er daadwerkelijk vacatures waren die haar interesse weg- droegen. Overigens wijst de verwerende partij erop dat sommige van de “presti- gieuze functies” enkel toegankelijk zijn vanaf de graad van ‘gewoon hoogleraar’. Gelet op het gebrek aan enige precisering hierover in het ver- zoekschrift faalt verzoekster in de bewijslast die op haar rust om de morele scha- de aan te tonen en kan de schade noch de omvang ervan worden vastgesteld.
  20. Aldus rest enkel wat verzoekster ziet als een gemist “hoger aanzien”, omdat zij ten onrechte heeft moeten wachten op de status van hoogle- raar. Verzoekster overtuigt evenwel niet dat een gemiste bevordering en het aanzien dat daaraan uit louter moreel oogpunt kan worden ontleend, een bijzonder moreel nadeel vormen, dat nog een bijkomende vergoeding behoeft. Ondertussen is immers reeds met het vernietigingsarrest erga omnes komen vast te staan dat de verwerende partij een onwettigheid heeft be- gaan. Bovendien geniet verzoekster de supplementaire morele genoegdoening dat de verwerende partij uit de onwettigheid de conclusie heeft moeten trekken dat verzoekster toch met ingang van 1 oktober 2014 bevorderd wordt en dat haar misgelopen salaris is uitbetaald. Die beslissing is genomen, aldus de verwerende partij, na een nieuwe beoordeling van de kandidatuurstellingen waardoor ver- zoekster “alsnog gunstig gerangschikt” werd. Ook hieruit put verzoekster morele satisfactie. IX-8631-8/11 Dat verzoekster met terugwerkende kracht tot hoogleraar is bevorderd impliceert ook dat zij voortaan – bijvoorbeeld bij de berekening van haar anciënniteit of bij het opstellen van haar cv – geacht moet worden sedert 1 oktober 2014 hoogleraar te zijn. Welk bijzonder moreel nadeel zij dan ingevolge het vermeende gemis aan “hoger aanzien” heeft geleden, maakt verzoekster opnieuw niet con- creet inzichtelijk. Verzoekster blijft in het inleidend verzoekschrift bij algemeen- heden als “hoger aanzien”, “status” en “full professor”. Aangenomen en gehoopt mag worden, dat bijvoorbeeld de waarde van wetenschappelijk onderzoek of van een publicatie niet afhangt van de graad waarmee de auteur ondertekent – min- stens toont verzoekster het tegendeel niet aan; zij toont niet aan dat zij ingevolge het “lagere” aanzien dat haar als hoofddocent te beurt viel – toch nog steeds lid van het zelfstandig academisch personeel – minder heeft kunnen onderzoeken, publiceren of onderwijzen dan zij als hoogleraar had gekund. Met welke andere egards een ‘hoogleraar’ in vergelijking met een ‘hoofddocent’ wordt bejegend laat verzoekster in het inleidend verzoekschrift onbesproken, laat staan dat zij ervan overtuigt dat het feitelijk moeten voortzetten van haar opdracht als hoofd- docent een zodanige impact heeft gehad, dat een extra vergoeding hiervoor op zijn plaats is.
  21. Met de gegevens waarvan verzoekster in haar uiteenzetting gewag maakt, toont zij niet aan waarom het vernietigingsarrest, met inbegrip van de motieven die aan de vernietiging ten grondslag liggen, geen volledige morele genoegdoening heeft kunnen bieden. Door het vernietigingsarrest, dat een abso- luut gezag van gewijsde erga omnes heeft en waardoor de onwettig bevonden rechtshandeling ab initio uit de rechtsordening werd genomen, staat het nochtans voor eenieder vast dat de griefhoudende beslissing onwettig was. Er zijn bijgevolg geen redenen om te besluiten dat het beweer- de moreel nadeel niet zou zijn hersteld door de kracht zelf van de vernietiging van de onwettig bevonden beslissing, in samenhang met de bevordering die haar IX-8631-9/11 ondertussen is verleend met inbegrip van de reconstructie van haar administratie- ve en geldelijke loopbaan. VI. Kosten
  22. Alhoewel uit wat voorafgaat volgt dat het verzoek moet worden afgewezen, mag niet uit het oog worden verloren dat verzoekster initieel ook een vergoeding vroeg voor de geleden materiële schade en dat die schade, ingevolge haar retroactieve bevordering na het instellen van huidig verzoek, door de verwe- rende partij effectief is hersteld. In die omstandigheden moet de verwerende partij beschouwd worden als een in het ongelijk gestelde partij en past het dat zij de kosten draagt, met inbegrip van de rechtsplegingsvergoeding. BESLISSING
  23. De Raad van State verwerpt het verzoek.
  24. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het verzoek tot schadevergoeding tot herstel, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bij- drage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die ver- schuldigd is aan de verzoekende partij.
  25. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van de verzoekende partij niet bekendgemaakt. IX-8631-10/11 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bruno Seutin, staatsraad, Bert Thys, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-8631-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.408 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.239.467 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.244.939 ECLI:BE:RVSCE:2019:ARR.245.183 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.