← België

Arrest 249409 - Politie - 06/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.409 Rolnummer: A. 222005/XIV-37394 Zaak: Arrest 249409 - Politie - 06/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-01 Raadplegingen: 72 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.409 van 6 januari 2021 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.409 van 6 januari 2021 in de zaak A. 222.005/XIV-37.394 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Marlies De Raeve kantoor houdend te 3520 Zonhoven Spierhoofsesteenweg 3 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de POLITIEZONE 5373 BERINGEN / HAM / TESSENDERLO bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Wim Rasschaert kantoor houdend te 9420 Erpe-Mere Schoolstraat 20 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep

  1. Het beroep, ingesteld op 24 mei 2017, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van het politiecollege van de politiezone Beringen / Ham / Tessenderlo van 13 april 2017 tot voorlopige schorsing van verzoeker bij ordemaatregel voor de duur van vier maanden, welke een inhouding van 25% van de bruto maandwedde inhoudt. II. Verloop van de rechtspleging
  2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. XIV-37.394-1/13 Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. Verzoeker heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020, om 14.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Giovanni D’Hondt, die loco advocaat Marlies De Raeve verschijnt voor verzoeker, en advocaat Robin Beck, die loco advocaat Wim Rasschaert verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Marijke Van Limbergen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
  3. III. Feiten 3.
  4. De feiten zijn uiteengezet in het tussenarrest nr. 238.027 van 27 april
  5. Er wordt naar verwezen. 3.
  6. Het politiecollege verlengt vervolgens nog de voorlopige schorsing van verzoeker bij ordemaatregel bij beslissingen van 26 juli 2017 en 5 december
  7. Deze beslissingen maken het voorwerp uit van de beroepen tot XIV-37.394-2/13 nietigverklaring gekend onder de nummers A. 223.422/XIV-37.527 en A. 224.280/XIV-37.
  8. Deze beroepen zijn nog niet in staat. 3.
  9. De hogere tuchtoverheid legt sindsdien op 22 december 2017 aan verzoeker de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op. Deze beslissing maakt het voorwerp uit van een beroep tot nietigverklaring gekend onder nr. A. 224.473/XIV-37.
  10. Er wordt heden uitspraak over gedaan. IV. Onderzoek van het derde middel Standpunt van de partijen
  11. Verzoeker voert in het derde middel in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en van de materiële- motiveringsplicht, doordat de “verwerende partij het aanvankelijk proces-verbaal van 16.12.2016, door haar reeds ontvangen op 13.01.2017, niet zorgvuldig gelezen heeft, zodat de motivering van haar beslissing van 13.04.2017 niet op deugdelijke motieven steunt waardoor verwerende partij dus naast het zorgvuldig- heidsbeginsel, ook de materiëlemotiveringsplicht geschonden heeft.” Hij licht toe dat hij zelf eind december 2016 de verwerende partij heeft ingelicht over de feiten van 16 december 2016 en dat, bovendien, de verwerende partij op 13 januari 2017 het aanvankelijk proces-verbaal van 16 december 2016 heeft ontvangen vanwege het parket waarin de feiten worden vermeld. Ondanks dat in het begeleidend schrijven van het parket enkel wordt vermeld dat verzoeker een positieve ademtest heeft afgelegd, wordt in het erbij gevoegde aanvankelijk proces-verbaal van 16 december 2016 duidelijk melding gemaakt van het feit dat verzoeker daarnaast met zijn voertuig vertrokken is, spijts verval, en dat deze feiten vervat staan in het proces-verbaal van 17 december
  12. Verzoeker doet gelden dat de verwerende partij al kennis had kunnen nemen van de volledige feiten indien zij het aanvankelijk proces-verbaal van 16 december 2016 zorgvuldiger had gelezen en dat zij op dat moment het proces-verbaal van 17 december 2016 had kunnen opvragen bij het parket. Aldus heeft de verwerende partij de zorgvuldigheidsplicht XIV-37.394-3/13 geschonden. Aangezien de verwerende partij reeds eerder kennis had kunnen nemen van de feiten en hem dus eerder had kunnen schorsen omdat zijn aanwezigheid onverenigbaar zou zijn met de dienst, acht verzoeker ook de materiëlemotiveringsplicht geschonden. De abnormale vertraging in het nemen van de bestreden beslissing stelt volgens verzoeker de opportuniteit ervan in vraag. Het is volgens hem niet te rechtvaardigen om een personeelslid meerdere maanden te laten werken na kennisname van de feiten en vervolgens het personeelslid te schorsen omdat zijn aanwezigheid onverenigbaar zou zijn met het belang van de dienst.
  13. De verwerende partij wijst er in de memorie van antwoord op dat de voorlopige schorsing enkel maar mag worden bevolen vanaf het moment dat de aanwezigheid van verzoeker onverenigbaar is geworden met het belang van de dienst. Te dezen doet de verwerende partij gelden dat het politiecollege onmiddellijk heeft gereageerd na kennisneming van de feiten die voor deze instantie belangrijk waren om tot de bestreden beslissing te komen: - op 7 april 2017 neemt het politiecollege kennis van het schrijven van het parket van 30 maart 2017 waarbij aan dit college enerzijds het volledige gerechtelijk dossier wordt overgemaakt en anderzijds de mededeling wordt gegeven dat verzoeker daadwerkelijk zal worden vervolgd voor deze feiten voor de politierechtbank afdeling Hasselt ter terechtzitting van 26 april 2017; - het politiecollege nodigt daaropvolgend verzoeker onmiddellijk uit op een hoorzitting en neemt een beslissing op 13 april
  14. Dat de overheid reeds op 30 december 2016 in kennis werd gesteld van een gedeelte van de feiten doet volgens de verwerende partij hieraan geen afbreuk: - de tuchtoverheid kreeg op dat ogenblik slechts gedeeltelijk inzage van het gerechtelijk dossier; - in het proces-verbaal dat aan haar werd overgemaakt was inderdaad sprake van een bijkomend proces-verbaal dat ten laste van verzoeker werd opgesteld, doch dit XIV-37.394-4/13 proces-verbaal was niet bijgevoegd. De zwaarwichtigheid van deze feiten kon aldus niet volledig worden ingeschat; - op 7 april 2017 werd de tuchtoverheid in kennis gesteld van het volledige strafdossier en werd haar tevens meegedeeld dat verzoeker zich moet verantwoorden voor de politierechtbank. De verwerende partij betoogt dat het politiecollege rekening moet houden met alle elementen waarover het politiecollege beschikt om de gevolgen te kunnen analyseren op de goede werking van de diensten en het behouden van de betrokken hoofdinspecteur in dienst en dat het hierbij niet lichtzinnig mag te werk gaan. Te dezen veronderstelt het stellen van een eindvordering en de doorverwijzing naar de politierechtbank te Hasselt dat een veroordeling van verzoeker mogelijk is en het dossier zwaarwichtig is. Voorts betoogt de verwerende partij dat tussen het ogenblik van inbeschuldigingstelling en de verwijzing van een persoon naar het vonnisgerecht, het perfect mogelijk is dat de overheid besluit om niet op te treden op administratief vlak teneinde meer precieze elementen te bekomen met betrekking tot de zwaarwichtigheid van de feiten. In deze context kan de verwijzing naar de politierechtbank beslissend zijn om te antwoorden op de vraag of de aanwezigheid van verzoeker binnen zijn dienst nog gewenst is of niet. In haar laatste memorie benadrukt de verwerende partij dat de bestreden beslissing een zware ordemaatregel is die niet lichtzinnig mag worden opgelegd en dat zij zeer bewust heeft gewacht op de definitieve informatie inzake de feiten en de omstandigheden ervan en inzake verzoekers houding en gedrag. Pas na het verkrijgen van die informatie kon zij een zorgvuldige afweging maken van de mogelijke gevolgen voor verzoeker op tuchtrechtelijk gebied, met name het opleggen van het ontslag als de zwaarste tuchtstraf. Voorts doet zij gelden dat zij uit het later bezorgde proces-verbaal van 17 december 2016 zeer relevante informatie heeft geëxtraheerd inzake verzoekers schuldbesef: het totaal gebrek aan schuldbesef vanwege verzoeker was onmogelijk af te leiden uit de aanvankelijke documenten. Pas toen de verwerende partij over het volledige gerechtelijk dossier XIV-37.394-5/13 beschikte, werd de omvang van de feiten en het gebrek aan schuldbesef volkomen duidelijk. Pas op dat ogenblik was het vertrouwen in verzoeker totaal verdwenen, gezien de ernst van de feiten en zijn tuchtrechtelijk verleden. Volgens haar was er slechts sprake van een volledig en objectief samengesteld dossier op 7 april 2017 en is het uit zorgvuldigheidsredenen dat zij heeft besloten de effectieve strafvervolging af te wachten. Beoordeling
  15. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen.
  16. De bestreden beslissing betreft een voorlopige schorsing bij ordemaatregel bedoeld in artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet). XIV-37.394-6/13 Uit deze bepaling volgt dat voor het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel twee cumulatieve voorwaarden vervuld dienen te zijn. In het bijzonder moet in de eerste plaats een tuchtprocedure of een opsporingsonderzoek lopen of een strafvervolging ingesteld zijn en moet ten tweede de aanwezigheid van het betrokken personeelslid bij de lokale politie onverenigbaar zijn met het belang van de dienst. Het betreft derhalve een beslissing die alleen mag worden genomen in het belang van de dienst en die moet worden genomen zodra blijkt dat het in dienst houden van het personeelslid onverenigbaar is met dat belang. Het abnormaal lang uitblijven van die beslissing is voldoende om te doen vermoeden dat ze niet opportuun is. Het voorliggende middel betreft de tweede voorwaarde.
  17. De bestreden beslissing overweegt inzake de onverenigbaarheid van verzoekers aanwezigheid in de dienst het volgende: “5.2.2 Wat de onverenigbaarheid van uw aanwezigheid binnen de organisatie betreft Een maatregel tot voorlopige schorsing wordt genomen in belang van de dienst en heeft géén tuchtrechtelijk karakter. De ordemaatregel beoogt enkel de goede werking van de dienst zonder dat hierbij de schuldvraag kan en mag worden gesteld. In het raam van een procedure voorlopige schorsing moet niet de materialiteit van de ten laste gelegde feiten vastgesteld worden. De tuchtoverheid moet de ernst van de natuur van de betrokken feiten beoordelen en nagaan of deze van die aard zijn dat hierdoor momenteel het vertrouwen in u volledig zoek is en elke samenwerking in de organisatie, op welke dienst en van welke aard dan ook, momenteel onmogelijk is. Tijdens de hoorzitting bracht u volgende argumenten naar voor - U ziet niet in waarom […] uw aanwezigheid binnen het korps plots problematisch zou zijn 4 maanden na de feiten; - U stelt dat er gewerkt wordt met loutere stijlformules; - de uitnodiging tot hoorzitting vermeldt geen termijn van voorlopige schorsing noch enig voorstel om wedde in te houden; - In het dossier is geen enkel stuk aanwezig dat u belet uw functie verder uit te oefenen. Uw argumentatie kan niet weerhouden worden omwille van volgende redenen. • De integriteit van een politieambtenaar is een van de belangrijkste pijlers waarop het goed functioneren van de politie rust. Het feitelijk gedrag van eenieder zowel in de uitoefening van de functie als in de privésfeer, vormt hierbij een belangrijk oriëntatiepunt voor de opinies en handelswijzen zowel voor externen (gerecht/burgers) doch ook en in het bijzonder voor internen (beleid/personeelsleden) van het korps. Naarmate de graad of niveau van het XIV-37.394-7/13 personeelslid, groeit ook de voorbeeldfunctie en de verantwoordelijkheidszin die van een personeelslid mag verwacht worden, Het spreekt voor zich dat de gedragingen, inzonderheid van de operationele personeelsleden, niet kunnen indruisen tegen onder meer de wet noch tegen de algemene principes van de waardigheid van het ambt en de integriteit die binnen onze organisatie mag en moet verwacht worden. Zonder een oordeel te vellen over de feiten zelf - dat in het kader van een ordemaatregel niet aan de orde is - is de tuchtoverheid van oordeel dat gelet op de kwalificatie van de feiten, uw aanwezigheid binnen de organisatie niet meer mogelijk is omdat alle vertrouwen dat in u moet kunnen worden gesteld als integer politieambtenaar, zoek is. • Zoals door u zelf werd vastgesteld werd de tuchtoverheid pas 30.03.2017 in kennis gesteld van het volledige feitenrelaas alsook van het gegeven dat lastens u de eindvordering werd opgesteld en u zich voor de feiten zal moeten verantwoorden voor de politierechtbank afdeling Hasselt. De volledigheid van de feiten heeft aanleiding gegeven tot onderhavige besluit. Terzake heeft de tuchtoverheid een discretionaire bevoegdheid : op het ogenblik van de mededeling van slechts een gedeelte van de feiten, heeft de tuchtoverheid beslist nog geen voorlopige schorsing bij ordemaatregel uit te vaardigen totdat zij meer precies de feiten kon situeren. De tuchtoverheid kan bij een dergelijke ernstige maatregel niet ondoordacht te werk gaan. U genoot als het ware nog het voordeel van de twijfel. Na kennisname van het volledige dossier en meer in het bijzonder na kennisname van de eindvordering en de verwijzing naar de politierechtbank, wordt uw aanwezigheid in de organisatie wél problematisch geacht, met name met betrekking tot het imago, de waardigheid en het respect dat een politiekorps naar de bevolking moet uitstralen enerzijds en het respect en gezag dat een leidinggevend personeelslid moet kunnen afdwingen van zijn medewerkers anderzijds. (zie RvST, 11.10.2013, nr. 225.069, Goorickx) De volledigheid van de gegevens en het feit dat u ter verantwoording wordt geroepen en werd gedagvaard voor de politierechtbank afdeling Hasselt is het centrale element in de besluitvorming. Indien de rechtbank de weerhouden tenlasteleggingen bevestigt, zijn deze van aard het vertrouwen in u volledig en onherstelbaar teniet te doen. • Artikel 63 tuchtwet voorziet in het opleggen van een voorlopige schorsing bij ordemaatregel voor een maximum duur van 4 maanden en het opleggen van een inhouding van de (bruto)wedde ten belope van maximum 25%. Deze grenzen zijn door u ook gekend. Het spreekt voor zich dat de tuchtoverheid de maatregel slechts definitief bepaald nadat zij in kennis is van alle stukken van het dossier en dus ook uw verweerargumenten. • Zonder uitspraak te doen over de schuldvraag, die in het raam van onderhavige procedure niet aan de orde is, stelt de tuchtoverheid vast o dat u noch in uw nota noch in uw mondeling verweer tijdens de hoorzitting de feiten betwist; o dat u noch in uw mondeling verweer noch tijdens de hoorzitting blijk geeft van enig schuld- of normbesef. • Binnen de politieorganisatie bekleedt u de graad van hoofdinspecteur en heeft u een leidinggevende functie. Dit veronderstelt een grote mate van verantwoordelijkheidszin, maturiteit en reëel besef van de normen en waarden binnen de organisatie. Dat u thans - nadat u werd gedagvaard voor de politierechtbank afdeling Hasselt en u zich moet verantwoorden voor voornoemde tenlasteleggingen - nog steeds van mening bent dat u niet ziet waarom uw aanwezigheid binnen het korps XIV-37.394-8/13 problematisch zou zijn en er geen enkel beletsel zou zijn om uw functie verder uit te oefenen, bevestigt het actueel gebrek eraan en versterkt de vaststelling dat in u momenteel geen vertrouwen meer kan worden gesteld. De feiten waarvoor lastens u een gerechtelijk onderzoek werd geopend en waarvoor u zich moet verantwoorden voor de politierechtbank, met name: A. Op een openbare plaats een voertuig of rijdier te hebben bestuurd of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl hij/zij verkeerde in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat o.m. ten gevolge van het gebruik van drugs of van geneesmiddelen terwijl het misdrijf aan zijn/haar persoonlijk toedoen te wijten is B. Op een openbare weg een motorvoertuig te hebben bestuurd terwijl het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, vereist voor het besturen van dit voertuig, met toepassing van artikel 55 onmiddellijk werd ingetrokken. doen ernstige vragen rijzen over uw integriteit en besef van normen en waarden. Na de hoorzitting, het onderzoek van uw argumentatie terzake en na beraadslaging, is het politiecollege van oordeel • dat de feiten van die aard zijn dat, zo zij bewezen zouden zijn en u toegerekend zouden kunnen worden, zij ontegensprekelijk een ernstig tuchtvergrijp uitmaken dat mogelijk een zware disciplinaire maatregel, zo niet de zwaarste tuchtmaatregel, tot gevolg zou kunnen hebben; • dat de feiten van die aard zijn dat, zo zij bewezen zouden zijn en u toegerekend zouden kunnen worden, ontegensprekelijk uw autoriteit als leidinggevend hoofdinspecteur onherstelbaar ondermijnen; • dat op dit ogenblik het vertrouwen in u op dusdanige ernstige wijze is geschaad dat een werkrelatie, binnen welke dienst dan ook, voorlopig niet kan worden verdergezet. De feiten zoals gesteld in de eindvordering zijn van die aard dat momenteel alle vertrouwen in u zoek is, en de aanwezigheid binnen de politieorganisatie, in welke dienst of van welke aard dan ook, onverenigbaar is met het belang van de politieorganisatie. Aan de wettelijke voorwaarden inzake de voorlopige schorsing is voldaan.” De bestreden beslissing leidt de onverenigbaarheid van de aanwezigheid van verzoeker met het belang van de dienst af uit de omstandigheid dat de verwerende partij kennis heeft genomen van het gehele strafdossier en van het gegeven dat verzoeker voor de voornoemde feiten wordt gedagvaard voor de politierechtbank. De mededeling van het strafdossier en de omstandigheid dat verzoeker wordt gedagvaard hebben derhalve de verwerende partij ertoe gebracht verzoeker voorlopig te schorsen. De dagvaarding van verzoeker voor de politierechtbank is een niet onbelangrijk juridisch gegeven dat, algemeen gezien, de verwerende partij toelaat de opportuniteit van zijn verdere tewerkstelling te beoordelen. Op zich rechtvaardigt dit gegeven evenwel niet dat verzoeker op dat ogenblik uit de dienst XIV-37.394-9/13 wordt verwijderd: er moet nog altijd worden aangetoond dat het belang van de dienst de actuele verwijdering noodzakelijk maakt, terwijl die verwijdering voorheen niet nodig werd geacht. De feiten die luidens de bestreden beslissing “aan de grondslag liggen van onderhavige procedure” zijn als volgt uiteengezet in de bestreden beslissing: “
  18. Uiteenzetting van de feiten Volgens de stukken in het dossier wordt of werd u gedagvaard voor de politierechtbank Limburg, afdeling Hasselt ter zitting van 26.04.2017 voor volgende tenlasteleggingen : A. Op een openbare plaats een voertuig of rijdier te hebben bestuurd of een bestuurder te hebben begeleid met het oog op de scholing, terwijl hij/zij verkeerde in staat van dronkenschap of in een soortgelijke staat o.m. ten gevolge van het gebruik van drugs of van geneesmiddelen terwijl het misdrijf aan zijn/haar persoonlijk toedoen te wijten is B. Op een openbare weg een motorvoertuig te hebben bestuurd terwijl het rijbewijs of het als zodanig geldend bewijs, vereist voor het besturen van dit voertuig, met toepassing van artikel 55 onmiddellijk werd ingetrokken. Dit zijn de feiten die aan de grondslag liggen van onderhavige procedure.” Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de verwerende partij ten laatste met de ontvangst van de brief van het parket-generaal van 30 december 2016 kennis had van de brief van het parket Limburg waarin die “voor nuttig gevolg op tuchtrechtelijk vlak” het aanvankelijk proces-verbaal van 16 december 2016 meedeelde. Dat proces-verbaal heeft betrekking op het feit van dronken besturen van een voertuig door verzoeker en de intrekking van zijn rijbewijs. In dat aanvankelijk proces-verbaal is tevens het volgende vermeld: “[de verbalisanten] delen [verzoeker] mee dat hij niet met zijn voertuig mag vertrekken, doch [verzoeker] reageert hier niet op. Om eventuele incidenten te vermijden stelt de LRH350 zich in anoniem voertuig op in de buurt van de Havermarkt. Zij zien bij hun aankomst [verzoeker] vertrekken met zijn voertuig. Deze feiten staan vervat in proces-verbaal met nummer [XXX].” Het betreffen derhalve diezelfde feiten waarvoor verzoeker nadien wordt gedagvaard en die luidens de bestreden beslissing “aan de grondslag liggen van de onderhavige procedure.” Aldus blijkt dat de verwerende partij reeds XIV-37.394-10/13 vanaf de kennisneming van de voormelde brief van 30 december 2016 en inzonderheid van het erbij gevoegde proces-verbaal, over voldoende precieze gegevens beschikte om te kunnen oordelen of het belang van de dienst al dan niet de schorsing van verzoeker vereiste. Op dat ogenblik kon de verwerende partij derhalve reeds inschatten of deze feiten zwaarwichtig genoeg waren om verzoeker in het belang van de dienst te schorsen.
  19. Niet blijkt noch wordt aannemelijk gemaakt dat wat de beoordeling betreft van de noodzaak om verzoeker uit de dienst te verwijderen, de dagvaarding of de ontvangst van het gehele strafdossier op 7 april 2017 iets wezenlijks aan de aan de verwerende partij sedert begin 2017 bekende gegevens heeft toegevoegd. Het argument van de verwerende partij dat zij met die brief van 30 december 2016 slechts gedeeltelijk inzage had in het gerechtelijk dossier en inzonderheid de zwaarwichtigheid van de feiten niet kon inschatten omdat het navolgend proces-verbaal (betreffende het sturen na intrekking rijbewijs) niet was gevoegd, wordt niet bijgetreden. Uit het met de voormelde brief ontvangen aanvankelijk proces-verbaal kan redelijkerwijze worden afgeleid dat verzoeker zowel een voertuig in dronkenschap op de openbare weg bestuurde (feit A vermeld in de bestreden beslissing) als dat hij, na onmiddellijke intrekking van zijn rijbewijs, met dat voertuig toch vertrok (feit B vermeld in de bestreden beslissing). Allicht bood het (navolgend) proces-verbaal betreffende dat sturen na onmiddellijke intrekking van het rijbewijs - waarvan de verwerende partij geen inzage had tot aan de gehele mededeling van het strafdossier -, meer inzichten en details inzake het feit B en inzake verzoekers modus operandi, houding, gedrag en (gebrek aan) schuldbesef en droeg deze kennis wellicht bij tot het bewijs van de feiten. Op zich toont evenwel het verwerven van die grondiger kennis van de feiten en van verzoekers houding en gedrag ten aanzien ervan, niet aan - noch maakt de verwerende partij zulks aan de hand van de bestreden beslissing en het dossier aannemelijk - dat pas op dat ogenblik het belang van de dienst de actuele verwijdering uit de dienst noodzakelijk maakte, terwijl die voorheen (op basis van de eerder gekende feiten) niet nodig werd geacht. Hoewel relevant om de onverenigbaarheid van de aanwezigheid van verzoeker met het belang van de XIV-37.394-11/13 dienst te beoordelen, moet om de voorlopige schorsing in rechte te kunnen verantwoorden de verwerende partij immers nog niet aantonen dat de feiten bewezen zijn, aan verzoeker kunnen worden toegerekend en een tuchtvergrijp uitmaken en moet zij de argumenten van verzoeker ten aanzien van die feiten ook (nog) niet beantwoorden. De eis dat niet lichtzinnig mag worden besloten tot het voorlopig verwijderen van verzoeker uit de dienst belet voorts niet dat, wanneer blijkt dat het belang van de dienst de actuele verwijdering noodzakelijk maakt, daartoe wordt overgegaan.
  20. Uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij niet aannemelijk maakt waarom het alsnog noodzakelijk was om verzoeker, bij wijze van ordemaatregel, met onmiddellijke ingang uit de dienst te verwijderen, terwijl die ordemaatregel voorheen niet nodig werd geacht hoewel zij reeds ruim voor het nemen van de bestreden beslissing over voldoende precieze gegevens beschikte om te kunnen oordelen of het belang van de dienst al dan niet de schorsing van verzoeker vereiste. Aldus miskent de verwerende partij het zorgvuldig- heidsbeginsel door te lang te hebben gewacht vooraleer de schorsing op te leggen. Hieruit volgt tevens dat de bestreden beslissing niet op een deugdelijke grondslag steunt in de mate de verwerende partij niet aantoont dat het in het belang van de dienst alsnog noodzakelijk is dat verzoeker preventief wordt geschorst, zodat ook de materiëlemotiveringsplicht in de aangegeven mate is geschonden.
  21. Het derde middel is in de aangegeven mate gegrond. BESLISSING
  22. De Raad van State vernietigt het beroep.
  23. De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan verzoeker. XIV-37.394-12/13
  24. Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.394-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.409 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2017:ARR.238.027 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.632 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.