id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 06 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.412 Rolnummer: A. 225229/XIV-37720 Zaak: Arrest 249412 - Federale en lokale politie – Reglementen - 06/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-02-01 Raadplegingen: 75 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.412 van 6 januari 2021 Openbaar ambt - Federale en lokale politie – Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK XIVe KAMER nr. 249.412 van 6 januari 2021 in de zaak A. 225.229/XIV-37.720 In zake : XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joost Bosquet kantoor houdend te 2650 Edegem Mechelsesteenweg 326 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de STAD ANTWERPEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Patrick Van Der Straten kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 17 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van de beslissing van de burgemeester van de stad Antwerpen van 28 maart 2018 waarbij aan verzoeker de zware tuchtstraf van de inhouding van brutowedde van 2% gedurende 1 maand wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een verslag opgesteld. XIV-37.720-1/25 Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2020, om 16.00 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Gert Op De Beeck, die loco advocaat Joost Bosquet verschijnt voor verzoeker en advocaat Patrick Van Der Straten, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Geert De Bleeckere heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoeker is inspecteur van politie bij de lokale politiezone Antwerpen (PZ 5345). 3.
- Met het inleidend verslag van 20 oktober 2017 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van de bruto maandwedde met 2% gedurende 1 maand op te leggen. In dit verslag wordt een beschrijving gegeven van de feiten, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aangehaalde tuchtstraf. XIV-37.720-2/25 3.
- Op 4 december 2017 stelt de burgemeester, optredend als de hogere tuchtoverheid, voor om de zware tuchtstraf van inhouding van de bruto maandwedde met 2% gedurende 1 maand op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoeker een verzoek tot heroverweging in bij de Tuchtraad, die op 20 maart 2018 advies verleent. 3.
- De tuchtoverheid legt op 28 maart 2018 aan verzoeker de zware tuchtstraf van inhouding van de bruto maandwedde met 2% gedurende 1 maand op. Dit is de bestreden beslissing. In de bestreden beslissing zijn de feiten als volgt uiteengezet: “
- Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen Door de dienst ‘Gerechtelijke opvolging - Functioneel beheer’ werd bij de behandeling van processen-verbaal vastgesteld dat u werd gevorderd om te tolken en dat u prestaties als tolk heeft verricht terwijl dit volgens de vigerende richtlijnen niet toegelaten is. Dit blijkt uit de staten ‘vordering tolk met geleverde prestaties bij de politie’ van 20 april 2017, 20 mei 2017 en 30 mei 2017, respectievelijk gevoegd bij het proces-verbaal [XXX]. Uit deze documenten ‘vordering tolk met geleverde prestatie bij de politie’ blijkt meer bepaald dat u volgende prestaties hebt verricht als tolk bij een verhoor uitgevoerd door een andere politieambtenaar: - Op 8 mei 2017: aankomst om 10.30 uur en einde wachttijd om 11.30 uur (u werd gevorderd als tolk, doch het verhoor is niet doorgegaan); - Op 24 mei 2017: aankomst om 13.45 uur en getolkt van: 13.45 uur tot 14.45 uur; - Op 30 mei 2017: aankomst om 14.50 uur en getolkt van: 14.50 uur tot 15.31 uur. Deze prestaties werden door u als tolk voor akkoord ondertekend. Volgens uw individueel activiteitenverslag was u op 8 mei 2017 met dienst belast van 11.55 uur tot 20.40 uur; op 24 mei 2017 was u met verlof en op 30 mei 2017 was u met ziekteverlof. Tijdens uw verhoor van 30 augustus 2017 verklaart u niet op de hoogte te zijn dat het als politieman verboden is om als tolk op te treden in een verhoor afgenomen door een andere politieambtenaar. U heeft de e-mail van HINP [N.], Teamleider-coördinator Dienst Gerechtelijke Opdrachten, Kant- schriften en Verdwijningen (GOK), in verband met de richtlijnen voor het XIV-37.720-3/25 optreden als tolk door politieambtenaren ontvangen, maar u vond deze niet duidelijk. U was ook niet op de hoogte van de richtlijnen in Lopaz. Op 30 mei 2017 was u met ziekteverlof, niettemin bent u toen gaan tolken van 14.50 tot 15.31 uur. U verklaart hieromtrent dat u die dag last had van hooikoorts maar u voelde zich goed genoeg om te tolken. Het betrof een kort verhoor.” Inzake het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening van de feiten stelt de bestreden beslissing het volgende: “
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de stukken vervat in het dossier; 6.1 meen ik dat de feiten ontegensprekelijk vaststaan en u kunnen worden toegerekend doordat u op 8 mei 2017, 24 mei 2017 en 30 mei 2017 prestaties als tolk hebt verricht in de processen-verbaal respectievelijk [XXX], zoals ook blijkt uit de door u ondertekende staten ‘vordering tolk met geleverde prestaties bij de politie’ bij de betreffende processen-verbaal. Niettegenstaande het niet toegelaten is voor een politieambtenaar om te tolken bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar en niettegenstaande u hiervan op de hoogte was gebracht onder meer bij e-mail van 8 februari 2017 van HINP [N.], teamleider-coördinator GOK, hebt u als inspecteur van politie dergelijke prestaties als tolk verricht. Tijdens uw verhoor op datum van 30 augustus 2017 verklaart u dat u niet op de hoogte was dat een politieambtenaar niet mag tolken in een verhoor door een andere politieambtenaar. In uw verhoor haalt u ook aan dat u dacht dat u enkel in functie niet meer mocht tolken maar wel nog in uw vrije tijd voor de verhoren Salduz categorie 1 tot en met
- U hebt evenwel op 8 februari 2017 van uw teamleider, HINP [N.], een e-mail ontvangen met duidelijke richtlijnen over het tolken door politieambtenaren. In deze e-mail staat duidelijk vermeld: ‘1.
- Tolken bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar Als tolk optreden bij het verhoor door een andere politieambtenaar kan niet.’ Ook in Lopaz staan de richtlijnen duidelijk uiteengezet (zie Lopaz-procedure verhoren TO2) en op 15 februari 2017 werd er hieromtrent naar alle personeelsleden de e-Pol ‘Tolken bij verhoor’ verstuurd. De bewoordingen van deze e-Pol zijn ook duidelijk: ‘Politieambtenaren treden nooit op als tolk bij een verhoor. Ook een CALog-medewerker kan niet tolken bij een verhoor, tenzij de medewerker niet meer valt onder het personeel van de politie.’ U kunt dus bezwaarlijk voorhouden dat u niet op de hoogte was of had kunnen zijn dat u als politieambtenaar niet als tolk mag optreden bij het verhoor door een andere politieambtenaar. U had als inspecteur van politie zelf de verantwoordelijkheid moeten nemen om, indien de instructies niet duidelijk waren voor u, bijkomende uitleg te vragen aan een leidinggevende. Temeer daar het onderwerp ‘Politieambtenaren die optreden als tolk’, u net in het bijzonder aanbelangde omdat u reeds als beëdigde tolk had opgetreden in het verleden. XIV-37.720-4/25 Op 30 mei 2017 hebt u bovendien prestaties als tolk verricht terwijl u die dag met ziekteverlof was zoals blijkt uit uw individueel activiteitenverslag. U erkent in uw verhoor dat u met ziekteverlof was die dag maar dat u de toestemming had van uw dokter om de woning te verlaten en dat het slechts een kort verhoor betrof. 6.2 meen ik dat deze feiten de volgende tuchtvergrijpen uitmaken: U hebt uw ambtsplichten miskend en de waardigheid van het ambt in het gedrang gebracht door op 8 mei 2017 (van 10.30 tot 11.30 uur), 24 mei 2017 (van 13.45 tot 14.45 uur) en 30 mei 2017 (van 14.50 tot 15.31 uur) als tolk op te treden bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar terwijl dit als politieambtenaar niet toegelaten is. Hierdoor hebt u de vigerende richtlijnen aangaande het tolken door politieambtenaren niet gerespecteerd. Daarenboven heeft u op 30 mei 2017 prestaties als tolk verricht terwijl u die dag met ziekteverlof was. Bijgevolg kwam u tekort aan de volgende bepalingen: Artikel 132 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus luidt gedeeltelijk als volgt: ‘Het personeelslid vermijdt elke gedraging zelfs buiten de uitoefening van het ambt, die het vervullen van de ambtsplichten in de weg kan staan of met de waardigheid van het ambt strijdig is.’ Deze bepaling is tevens opgenomen in artikel 28 van de deontologische code. Artikel 130 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst gestructureerd op twee niveaus luidt als volgt: ‘Het statuut van de politieambtenaren waarborgt hun integriteit. De politieambtenaren moeten elk misbruik bij hun optreden uitsluiten.’ Punt 3 van de deontologische code waar gesteld is dat de politieambtenaar zin voor verantwoordelijkheid moet hebben. Punt 15 van de deontologische code luidt gedeeltelijk als volgt: ‘De personeelsleden eerbiedigen het gezag van hun chefs.’ Punt 32 van de deontologische code luidt als volgt: ‘De personeelsleden nemen hun eigen verantwoordelijkheden op.’ Punt 41 van de deontologische code luidt gedeeltelijk als volgt: ‘De personeelsleden gedragen zich voorbeeldig, in het bijzonder door zelf de wetten en reglementen na te leven.’ IV. Regelmatigheid van de rechtspleging Regelmatigheid van de memorie van antwoord en de laatste memorie van de verwerende partij
- De lokale politiezone Antwerpen is een “ééngemeentezone” (artikel 1 van het koninklijk besluit van 28 april 2000 ‘houdende de indeling van XIV-37.720-5/25 het grondgebied van de provincie Antwerpen in politiezones’), zodat de rechts- persoon de stad Antwerpen is. In geschillen voor de Raad van State als het voorliggende treedt derhalve de stad Antwerpen op als verwerende partij. Ten tijde van het indienen van de memorie van antwoord bepaalde artikel 193, § 1, eerste lid, van het gemeentedecreet van 15 juli 2005 dat het college van burgemeester en schepenen de gemeente vertegenwoordigt in gerechtelijke gevallen. Hieruit volgt dat alle procedurestukken dienen uit te gaan van het college van burgemeester en schepenen. Dit blijft ongewijzigd. Immers, luidens artikel 297, § 1 van het decreet van 22 december 2017 ‘over het lokaal bestuur’, vertegenwoordigt het college van burgemeester en schepenen de gemeente in gerechtelijke gevallen. Hieruit volgt dat alle procedurestukken voor de Raad van State dienen uit te gaan van het college van burgemeester en schepenen.
- Te dezen vermelden de memorie van antwoord en de laatste memorie van de verwerende partij uitdrukkelijk dat de stad Antwerpen wordt vertegenwoordigd door de burgemeester in zijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid. Voorts blijkt uit niets dat dit materiële vergissingen betreffen. Beide processtukken gaan bijgevolg niet uit van het college van burgemeester en schepenen. Er ligt evenmin een uittreksel voor van de notulen van het college van burgemeester en schepenen waaruit zou kunnen blijken dat het college tijdig zijn akkoord heeft betuigd met de (verzending van) de betrokken procedurestukken. De memorie van antwoord noch de laatste memorie gaan derhalve uit van het bevoegde orgaan van de gemeente. XIV-37.720-6/25
- Uit wat voorafgaat volgt dat ambtshalve de memorie van antwoord en de laatste memorie van de verwerende partij uit het debat worden geweerd. V. Onderzoek van het enig middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het enige middel in het verzoekschrift de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het “algemeen rechtsbeginsel ‘nemo auditur turpitudinem allegans’”, van de formelemotiveringsplicht zoals neergelegd in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 ‘betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991), van de materiëlemotiveringsplicht, en “met toepassing van art. 159 Gec. G.W. en uit ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag”, doordat de tuchtrechtelijke tenlasteleggingen voor bewezen worden gehouden op grond van de schriftelijke communicatie betreffende het verbod om als politieambtenaar op te treden als tolk bij een verhoor, waarover volgens de bestreden beslissing geen verwarring mogelijk was. In een eerste onderdeel voert verzoeker in essentie aan dat de communicatie per e-mail van de interne richtlijnen een intrinsieke dubbelzinnigheid vertoonde aangaande de soorten verhoor en onverenigbaarheden, zodat de gehanteerde motieven foutief, niet pertinent, minstens niet draagkrachtig zijn: de e-mail van hoofdinspecteur van politie N. bezit niet meer of minder autoriteit dan de eerste e-mail van hoofdinspecteur van politie D. temeer daar in de e-mail van hoofdinspecteur van politie N., anders dan wordt betoogd in de bestreden beslissing, geen verwijzing wordt gemaakt naar het standpunt van het parket-generaal, maar net als in de e-mail van D., naar het standpunt van de juridische dienst van de politiezone. De motieven om een groter belang te hechten aan het gewijzigde of bijgestelde standpunt van de juridische dient gaan niet terug op een zorgvuldige en correcte feitenvinding die in redelijkheid kon doen besluiten dat er geen verwarring mogelijk was omtrent de XIV-37.720-7/25 draagwijdte van de richtlijnen. De bestreden beslissing gaat ook voorbij aan het eigen foutief en dubbelzinnig handelen. Dat er wel degelijk verwarring mogelijk was blijkt ook uit het feit dat verzoeker door zijn eigen commissaris op 7 februari 2017 als tolk werd gevorderd. De bestreden beslissing steunt aldus niet op een zorgvuldige en correcte feitenvinding die kon toelaten te besluiten dat er in hoofde van verzoeker geen verwarring mogelijk was. De “e-Pol” (derde communicatie) is tot slot slechts een herneming van de eerdere communicatie en neemt de onduidelijkheid niet weg. In een tweede onderdeel voert verzoeker in essentie aan dat de bestreden beslissing ten onrechte voorbijgaat aan het feit dat verzoeker de uitgevoerde tolkopdrachten op vordering van andere politieambtenaren van de politiezone heeft verricht. De Tuchtraad heeft in zijn advies waarop de bestreden beslissing steunt, geoordeeld dat dit geen verschoning uitmaakt. De bestreden beslissing gaat zo voorbij aan de tekortkomingen die toerekenbaar zijn aan aangestelden van de tuchtoverheid en die de rechtstreekse aanleiding waren voor de gestelde handelingen. De omstandigheid dat ook deze politieambtenaren niet op de hoogte waren van de interne richtlijnen inzake het tolken was nochtans bij uitstek relevant. Daarenboven kan deze omstandigheid op grond van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit worden beschouwd als een verschonings- grond voor de door verzoeker gestelde handelingen. Het kan immers volgens verzoeker worden aanzien als een vorm van bedrog wanneer de overheid of haar aangestelden verzoeker oproept om te tolken en om, vervolgens, op die grond verzoeker te bestraffen. De vorderingen om te tolken moeten volgens verzoeker minstens worden beschouwd als een vorm van uitlokking, met impact op zijn toerekenbaarheid. De richtlijnen inzake het tolken waren gericht aan zij die de tolken vorderen. De omstandigheid dat de bestreden beslissing hiermee geen rekening houdt, houdt een schending in van de zorgvuldigheidsplicht en van het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit. De omstandigheden dat aangestelden niet tuchtrechtelijk vervolgd werden en die volgens verzoeker de tuchtrechtelijke tenlasteleggingen hebben uitgelokt, zijn volgens verzoeker elementen waaraan bezwaarlijk kan worden voorbijgegaan. Minstens is dit een XIV-37.720-8/25 externe factor die binnen een hiërarchische structuur relevant is waaraan niet zonder meer kan worden voorbijgegaan. De weigering het bestaan van deze verschoningsgrond te erkennen, maakt de negatie uit een zorgvuldig onderzoek van alle elementen van verweer, en van de toepassing van “het algemeen rechtsbeginsel ‘nemo auditur’”. Voorts wijst verzoeker erop dat hij in 2008 de toelating bekwam om te tolken in bijberoep en dat die nooit werd ingetrokken of is vervallen. De bestreden beslissing kon derhalve dan ook aan deze verschoningsgrond niet voorbijgaan door onder verwijzing naar de korpsnota “Politie-Personeel-Bijberoep” te stellen dat die toelating was vervallen ingevolge zijn functiewijzigingen. De voornoemde korpsnota doet afbreuk aan de voorwaarden van artikel 135 van de wet van 7 december 1998 en moet met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing worden verklaard, hetgeen verzoeker omstandig detailleert. In zoverre de bestreden beslissing de argumentatie van de Tuchtraad niet bijtreedt is er tot slot ook sprake van schending van de formelemotiveringsplicht.
- In de memorie van wederantwoord verduidelijkt verzoeker zijn grief dat de formelemotiveringsplicht is geschonden in zoverre de bestreden beslissing de argumentatie van de Tuchtraad niet bijtreedt. Hij doet gelden dat de bestreden beslissing enkel het advies overneemt, maar niet “de weerlegging van de schending van art. 125 KB van 28 december 1950”. Evenmin bevat de bestreden beslissing “de weerlegging van de middelen die [verzoeker] ten aanzien van de Tuchtraad had ontwikkeld”. Er is volgens hem dan ook sprake van een schending van de formelemotiveringsplicht “aangezien niet alle feitelijke en juridische motieven die konden leiden tot de bestreden beslissing daarin zijn opgenomen.” Voorts betoogt verzoeker dat hij zich niet beperkt tot opportuniteitskritiek. Voor het overige weerlegt verzoeker de argumentatie van de verwerende partij in de memorie van antwoord en wijst hij erop dat er sinds 31 augustus 2018 geen sprake meer is van een algemeen verbod op bijberoepen voor politieagenten, maar dat dit is vervangen door een meldingsplicht. Hij vindt het opmerkelijk dat, rekening houdend met de huidige visie van de wetgever dat XIV-37.720-9/25 een principieel beroepsverbod niet meer verantwoord is en dat algemene onverenigbaarheden enkel bij wet kunnen worden geregeld, aan verzoeker de zwaarste tuchtsanctie wordt opgelegd wegens een vermeende schending van onduidelijk gecommuniceerde richtlijnen. Voorts bevestigt volgens verzoeker artikel 31 van de wet van 19 juli 2018 ‘tot wijziging van diverse bepalingen die betrekking hebben op de politiediensten en betreffende de Romeinse instellingen’ de wettigheid van de reeds in het verleden verleende afwijkingen op de beroepsonverenigbaarheden met inbegrip van de daaraan gekoppelde voorwaarden, alsook “de manifeste onwettigheid van de toevoeging van voorwaarden door middel van een algemene richtlijn aan deze individuele toelatingen.” In de laatste memorie voegt verzoeker er wat het eerste onderdeel betreft, aan toe dat de motieven die aan de basis liggen van het tolkverbod wel relevant zijn, omdat dit gebrek aan motivering ook bijdraagt tot de onduidelijkheid betreffende de draagwijdte van het tolkverbod wat hij detailleert. Ook is hij van mening dat desgevallend de Raad van State ambtshave artikel 159 van de Grondwet moet toepassen wat die richtlijnen betreft “nu deze bepaling de openbare orde raakt.” Inzake het tweede onderdeel voegt verzoeker toe dat het geenszins evident is voor hem om in te gaan tegen een vordering van een overste om een andere, onduidelijke en dubbelzinnig gecommuniceerde richtlijn van een overste niet te schenden. Beoordeling Eerste onderdeel
- De kern van het middelonderdeel betreft de schending van de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. De materiëlemotiveringsplicht houdt in dat iedere administratieve rechtshandeling moet steunen op motieven waarvan het feitelijk XIV-37.720-10/25 bestaan naar behoren is bewezen en die in rechte ter verantwoording van die handeling in aanmerking kunnen worden genomen. Bij de beoordeling van de naleving van de materiëlemotiveringsplicht is de Raad van State niet bevoegd om zijn oordeel omtrent de feiten in de plaats te stellen van het oordeel van de administratieve overheid. Hij is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. Voorts mag enkel met de formeel uitgedrukte motieven rekening worden gehouden. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoeker toe om met concrete gegevens aannemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blijken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoeker van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- Verzoeker voert in essentie aan dat de hogere tuchtoverheid de tenlasteleggingen als bewezen acht op grond van interne richtlijnen waarover geen verwarring mogelijk zou zijn, terwijl volgens verzoeker de verstrekte interne richtlijnen neergelegd in het e-mailverkeer een intrinsieke dubbelzinnigheid vertonen aangaande de soorten van verhoor en de onverenigbaarheid van de beroepsuitoefening in bijberoep binnen en buiten de diensturen. Het middel wordt vanuit dit oogpunt onderzocht. XIV-37.720-11/25 Verzoekers kritiek richt zich tegen de volgende beoordeling van deze grief in de bestreden beslissing: “5.
- Eerste middel U haalt in uw verweer aan dat er verwarring was omtrent het al dan niet mogen tolken door politieambtenaren gezien u hieromtrent twee e-mails had ontvangen. Eén e-mail vermeldt dat er wel mocht getolkt worden en in een andere e-mail werd gemeld dat er niet meer mocht getolkt worden. De verwarring blijkt ook uit het feit dat er volgens uw verweer in andere korpsen wel nog mag getolkt worden en ook gezien u door collega's (waaronder oversten) gevorderd werd als tolk. Ook verwijst u naar de toelating die u heeft ontvangen van de toenmalige burgemeester voor het uitoefenen van uw nevenactiviteit als tolk. Om deze verwarring en uw goede wil aan te tonen brengt u tijdens de hoorzitting verschillende stukken aan. Beoordeling […]. De e-mail die u aanbrengt van HINP [D.] dateert van 26 januari 2017 en is dus van een vroegere datum dan de e-mail van uw teamleider-coördinator HINP [N.] d.d. 8 februari
- De e-mail van HINP [D.] houdt bovendien slechts een persoonlijke interpretatie in zoals ook in de e-mail vermeld staat. Bovendien wordt uw bewering, dat u na ontvangst van de e-mail van HINP [N.] bij HINP [D.] om uitleg bent gaan vragen en hij u aangeraden heeft toch zijn richtlijnen te volgen, door u niet verder gestaafd met een schriftelijk bewijs. De e-mail van HINP [N.] met de verwijzing naar de e-mail van de juridische dienst houdt geen persoonlijke visie in maar is een weergave van het standpunt van het Parket-Generaal. De richtlijnen in deze e-mail zijn duidelijk, concreet en niet voor interpretatie vatbaar. Gezien de e-mail in het bijzonder op u betrekking had omdat u in het verleden reeds als beëdigde tolk opgetreden had, had u deze dan ook zeker grondig moeten lezen. Indien u deze e-mail evenwel toch niet duidelijk vond, had u hieromtrent steeds meer uitleg kunnen vragen hetzij aan HINP [N.], zijnde de opsteller van de e-mail, hetzij aan de juridische dienst die het advies heeft geformuleerd. Uit uw dossier blijkt evenwel dat u dit niet heeft gedaan. Naast de e-mail van HINP [N.] ontving u bovendien op 15 februari 2017 ook een e-Pol met exact dezelfde richtlijnen namelijk dat politieambtenaren nooit mogen optreden als tolk bij een verhoor. De tuchtoverheid kan dan ook bezwaarlijk aannemen dat er op dit punt enige verwarring kon zijn. Zoals hiervoor reeds gesteld, houdt de zienswijze dat er niet mag getolkt worden door een politieambtenaar bij een verhoor, het standpunt in van het Parket-Generaal en geldt deze voor alle politiezones in België. Dit om elke schijn van belangenvermenging tijdens het verhoor en in het strafrechtelijk onderzoek te vermijden. Uw argument dat andere korpsen of andere collega’s het standpunt van het Parket-Generaal niet zouden respecteren, alsook dat u steeds de beste bedoelingen hebt gehad en u uw onderneming intussen hebt stopgezet, doen geen afbreuk aan het feit dat er door u tuchtvergrijpen werden gepleegd. Ik meen dan ook dat de feiten, zoals weergegeven in punt 4 van mijn inleidend verslag, ontegensprekelijk XIV-37.720-12/25 vaststaan en u kunnen worden toegerekend. De feiten aangaande het tolken zelf op de vermelde data in het inleidend verslag worden door u ook niet betwist. In het kader van de tuchtprocedure volstaat bovendien het loutere feit van een tuchtfout. De tuchtoverheid moet het opzet niet bewijzen. Uit uw dossier blijkt onomstotelijk dat u op een correcte en duidelijke manier op de hoogte was gebracht van de gewijzigde regels aangaande het tolken door politieambtenaren. De door u aangehaalde verwarring kan niet aanvaard worden gezien ik als tuchtoverheid meen dat u dus op de hoogte was of minstens had kunnen zijn van de correcte richtlijnen omtrent het tolken. Bovendien is het hierbij irrelevant wat er eventueel in andere korpsen wordt toegelaten gezien u als personeelslid steeds de richtlijnen van Lokale Politie Antwerpen dient te volgen. De toelating voor de uitoefening van uw nevenactiviteit lis tolk, waarnaar u in uw verweer eveneens verwijst, dateert bovendien van 3 juni
- Op dat ogenblik was de richtlijn van het Parket-Generaal omtrent het niet mogen tolken als politieambtenaar echter nog niet van toepassing en kon er hier bij de aanvraag tot uitvoering van uw nevenactiviteit dan ook geen rekening mee worden gehouden. De toestemming voorziet wel expliciet als voorwaarde dat u erover moet waken dat het belang van de dienst niet wordt geschaad en dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de waardigheid van de status van het personeelslid. U heeft als inspecteur van politie steeds een voorbeeldfunctie wat inhoudt dat u bij een wijziging van de vigerende richtlijnen deze ook steeds nauwgezet dient na te leven. U kunt de vermelde toestemming van 2008 dan ook niet aanwenden om u niet te houden aan de korpsrichtlijnen, te meer gezien de tijdsduur en geldigheid van deze toestemming. Voor de tijdsduur verwijs ik naar punt 2.
- van de korpsnota “Politie-Personeel-Bijberoep” (deze is raadpleegbaar op intranet). Punt 2.4 “Geldigheidsduur toestemming” vermeldt immers: “(..) Als het personeelslid van het korps een andere functie wordt aangewezen, vervalt de verkregen toestemming automatisch en moet een nieuwe aanvraag worden ingediend.” U bent in 2015 en 2016 van functie veranderd binnen het korps, waardoor de door u aangehaalde toestemming van 3 juni 2008 dan ook niet meer geldig is.” Ook onder het hiervoor aangehaalde kopje “
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten” (zie supra, punt 3.4.) wordt in de bestreden beslissing hierover gehandeld. Er wordt naar verwezen. De hogere tuchtoverheid sloot zich voorts volledig aan bij het advies van de Tuchtraad. Die beoordeelde in zijn advies deze grief als volgt: “Beoordeling door de Tuchtraad De verzoeker betwist niet dat hij op de drie voormelde data werd opgeroepen om te tolken en dat hij daar ook is op ingegaan. Hij betwist evenmin dat hij XIV-37.720-13/25 getolkt heeft op een dag dat hij in ziekteverlof was meer bepaald op 30 mei
- Met betrekking tot dit laatste feit stelt hij dat hij niet wist dat hij dit niet mocht en hij zich beter voelde na het innemen van zijn medicatie en hij de woning mocht verlaten. De Tuchtraad wijst op het feit dat indien iemand niet gaat werken wegens ziekte deze ook niet een andere betaalde activiteit kan uitoefenen vermits dit laatste ook ‘werken’ is en niet alleen het verlaten van de woning betreft. De verzoeker werpt vervolgens op dat hij niet op de hoogte was van het feit dat hij niet mocht optreden als tolk bij een verhoor afgenomen door een andere politieambtenaar. Uit het tuchtdossier blijkt duidelijk dat de Teamleider- coördinator [N.] op 8 februari 2017 een mail richt aan een 50-tal collega’s waarbij hij hen vraagt kennis te nemen van het onderstaande (onderwerp: politieambtenaren die optreden als tolk) en vraagt aldus te handelen. In de tekst die bijgevoegd werd staat onder meer dat een politieambtenaar niet kan optreden als tolk bij het verhoor door een andere politieambtenaar. De verzoeker heeft geenszins ontkend dat hij deze mail ontvangen had, noch in zijn verhoor van 30 augustus 2017 noch voor de Tuchtraad, maar stelde dat deze mail van 8 februari 2017 zeer onduidelijk was zeker nadat hij een mail van HINP [D.] ontvangen had waarin deze stelde dat politieambtenaren wel konden optreden als tolk. Volgens de verzoeker gaat het aldus eerder om een professionele vergissing/omissie dan om een tuchtvergrijp. Tuchtmaatregelen zijn erop gericht een ambtenaar te bestraffen voor een schuldige gedraging of tekortkoming. Het element schuld is bijgevolg een wezenlijk gegeven van elke tuchtvordering, zonder hetwelk geen tuchtstraf opgelegd kan worden. Feiten die in beginsel aanleiding kunnen geven tot een tuchtrechtelijk optreden, kunnen worden verschoond. Indien immers blijkt dat de feiten te verklaren zijn door een schulduitsluitingsgrond, of met andere woorden dat de betrokkene omwille van deze niet verantwoordelijk gesteld kan worden voor de feiten, kan de tuchtoverheid hem daarvoor geen tuchtstraf opleggen. Geconcretiseerd op het voorliggende verzoek, impliceert het voormelde zorgvuldigheidsbeginsel dat, als het tuchtdossier aanwijzingen bevat dat de betrokkene omwille van een schulduitsluitingsgrond niet verantwoordelijk zou kunnen zijn voor zijn daden, de tuchtoverheid dit gegeven met de nodige zorgvuldigheid onderzoekt. Indien een verzoeker zich beroept op, zoals te dezen, een schulduitsluitingsgrond, dan berust evenwel op het eerste gezicht op hem een aanvoeringslast, die inhoudt dat hij op een geloofwaardige wijze deze grond moet inroepen. Vooreerst stelt de verzoeker dat hij niet wist dat hij niet mocht tolken als politieambtenaar nu de richtlijnen in de mail van 8 februari 2017 onduidelijk waren. Samen met de tuchtoverheid is de Tuchtraad de mening toegedaan dat dit niet het geval is: er werd expliciet gesteld dat het tolken niet kan bij het verhoor door een ander politieambtenaar. XIV-37.720-14/25 Op het gegeven dat de verzoeker, volgens de tuchtoverheid, eveneens op 15 februari 2017 een e-Pol met dezelfde richtlijnen zou ontvangen hebben, antwoordt de verzoeker niet tenzij de verzoeker dit bedoelde met de zinsnede ‘het verslag van de Vooronderzoeker toont ook niet aan dat betrokkene de betekening kreeg van een korpsnota’. Daarenboven doet dit geenszins afbreuk aan het gegeven dat hij de mail van 8 februari 2017 wel degelijk ontvangen heeft. Terecht verwijst de tuchtoverheid in het voorstel van zware straf op het gegeven dat de mail van HINP [D.], waardoor de verwarring bij verzoeker zou ontstaan zijn, dateert van 26 januari 2017 en dit is dus van een vroegere datum dan de mail van [N.] met de duidelijke richtlijnen. Dat er bij de verzoeker verwarring is ontstaan omdat hij een mail van HINP [D.] ontvangen had waarin deze stelde dat politieambtenaren wel konden optreden als tolk is mogelijk maar was een reden te meer waarom hij zich dan diende te bevragen bij de bevoegde instantie gelet op het gegeven dat hij tolk in bijberoep was en de richtlijnen hem dus duidelijk aanbelangden, in tegenstelling tot bepaalde van zijn collega’s die niet optraden als tolk. De door verzoeker ingeroepen verwarring kan dan geenszins als verschoningsgrond of schulduitsluitingsgrond worden aangenomen nu deze, in zoverre deze bestond, gemakkelijk te vermijden was geweest en er duidelijkheid had kunnen geschapen worden op vraag van de verzoeker zelf. De schuld van een eventuele verwarring ligt aldus bij de verzoeker zelf. […].”
- De (e-mail)-communicaties betreffende het verbod tot tolken die volgens verzoeker “een intrinsieke dubbelzinnigheid” vertoonden zijn de volgende. Een eerste communicatie betreft een e-mail van 26 januari 2017, afkomstig van hoofdinspecteur van politie D., teamleider van de dienst Gerechtelijke opdrachten en Verdwijningen en gericht tot onder meer verzoeker. In deze e-mail stelt D. het volgende: “Ik heb even de tijd genomen om het eens goed te lezen. Wat mij betreft mag een politieambtenaar in zijn vrije tijd dus wel degelijk tolken. Hij/zij mag enkel NIET bij het vertrouwelijk overleg aanwezig zijn. Dit houdt in dat een advocaat die de taal van zijn cliënt spreekt een vertrouwelijk overleg kan hebben met zijn cliënt (dus zonder tolk) en dat het tolken bij het verhoor kan gebeuren door een politieambtenaar. Dit is althans mijn visie en ik meen dit ook zo te kunnen afleiden uit de Franse tekst.” XIV-37.720-15/25 Deze e-mail is een reactie op en interpretatie van de e-mail van 25 januari 2017, afkomstig van hoofdinspecteur van politie N., teamleider-coördinator dienst Gerechtelijke Opdrachten, Kantschriften en Verdwijningen (GOK) en gericht tot onder meer verzoeker. In die e-mail maakt N. de e-mail van 25 januari 2017 van de juridische dienst over met betrekking tot het optreden van politieambtenaren als tolk en waarin het volgende wordt gesteld: “Het klopt inderdaad dat Politieambtenaren niet mogen optreden als tolk in het kader van een Salduz-verhoor. Dit heeft inderdaad te maken met de onpartijdigheid van de politieambtenaar die bewaakt moet worden en in strijd zou kunnen komen met het vertrouwelijk karakter van het vertrouwelijk overleg. Omdat het tegenwoordig aangewezen is (indien mogelijk) om dezelfde tolk te laten optreden (voor het vertrouwelijk overleg en voor bijstand tijdens het verhoor) zal het voor de politieambtenaar in de praktijk niet mogelijk zijn om in het kader van de Salduz-verhoren op te treden als tolk. Dit punt werd ooit behandeld tijdens de FAQ’s op de denktank Salduz en werd ook overgenomen in T02 in LOPAZ.” De tweede communicatie betreft een e-mail van 8 februari 2017, afkomstig van de voornoemde hoofdinspecteur van politie N. en gericht tot onder meer verzoeker. Deze e-mail, met als onderwerp “FW: politieambtenaren die optreden als tolk” zendt de e-mail van 7 februari 2017 van de juridische dient door met als opdracht: “gelieve kennis te willen nemen van onderstaande en aldus te handelen”. De er bijgevoegde e-mail van de juridische dienst bevat de richtlijnen betreffende het tolken door politieambtenaren. Daarin wordt onder meer het volgende gesteld: “Dit zijn de regels:
- Kan een politieambtenaar nog tolken bij verhoren ? […]. 1.3 Tolken bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar Als tolk optreden bij het verhoor door een andere politieambtenaar kan niet. […].” De derde communicatie betreft de ‘e-Pol’ ‘Tolken bij verhoor’ die op 15 februari 2017 werd verstuurd naar alle personeelsleden en waarin wordt gesteld: XIV-37.720-16/25 “[…]. Politieambtenaren treden nooit op als tolk bij een verhoor. Ook een CALog medewerker kan niet tolken bij een verhoor, tenzij de medewerker niet meer valt onder het personeel van de politie.” Uit het voorgaande blijkt dat sinds de ontvangst door verzoeker van de e-mail van 8 februari 2017 en de e-Pol van 15 februari 2017, verzoeker op de hoogte is of moest zijn van wat van hem werd verwacht inzake het tolken als politieambtenaar en derhalve ook van het (absoluut) verbod tot tolken bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar. De erin vervatte richtlijnen en verboden zijn eenduidig, de inhoud ervan is voorzienbaar en toegankelijk, zodat verzoeker in redelijke mate de gevolgen van zijn handeling kon voorzien in mei 2017 wanneer hij de in de bestreden beslissing tenlastegelegde tolkprestaties verricht. In hoofde van een normaal voorzichtige en redelijke politieambtenaar die tolkt in bijberoep waardoor de richtlijnen hem dus duidelijk aanbelangden, mag derhalve worden aangenomen dat vanaf 8 februari 2017, laatstens vanaf 15 februari 2017, de richtlijnen inzake het tolken door een politieambtenaar met inbegrip van het erin vervatte verbod tot tolken bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar, duidelijk zijn zodat er ter zake geen redelijke twijfel meer kon bestaan inzake de draagwijdte ervan. Het argument dat er verwarring is ontstaan omdat die e-mail niet (expliciet) de eerdere e-mail van 26 januari 2017 opheft of de wijziging in het beleid toelicht, doet niet anders besluiten. In elk geval kan immers sinds de officiële communicatie aan alle personeelsleden van dit verbod bij e-Pol van 15 februari 2017 redelijkerwijze niet langer worden betwist welke de na te leven richtlijnen en verboden inzake het tolken zijn. De kritiek dat die elektronische nieuwsbrief slechts de loutere bevestiging zou zijn van de eerdere e-mail van N. is niet relevant aangezien niets belet dat een verbod dat eerder aan een beperkt aantal personeelsleden (waaronder verzoeker) werd gecommuniceerd, nadien “bevestigd” wordt aan alle personeelsleden van de betrokken lokale politie. De Raad van State bemerkt overigens dat van verzoeker, optredend als een normaal voorzichtige en redelijke politieambtenaar die tolkt in bijberoep, mag worden XIV-37.720-17/25 verwacht dat, wanneer hij na kennisneming van een onder meer aan hem gericht verbod (tweede communicatie) dat nadien wordt bevestigd in een aan alle personeelsleden gericht verbod (derde communicatie), (nog steeds) twijfelt omtrent de juiste draagwijdte van een verbod omdat hij vóór die tweede en derde communicatie een aan hem gerichte andere interpretatie had ontvangen (eerste communicatie), zich bij de ter zake bevoegde instantie bevraagt, te meer daar elke miskenning van dit verbod zelfs buiten de uitoefening van het ambt, een tuchtvergrijp uitmaakt en derhalve aanleiding kan geven tot het opleggen van een tuchtstraf. Dit zorgvuldig gedrag van verzoeker blijkt niet uit het dossier zoals de Tuchtraad reeds in zijn advies had vastgesteld. Dat in de e-mail van 8 februari 2017 noch in het daarbij behorende “advies” van de juridische dienst – verzoeker doelt op de hiervoor aangehaalde e-mail van 7 februari 2017 van de juridische dienst bevattende de regels – de ratio legis werd meegedeeld is evenmin dienend. Het verbod om te tolken bij het verhoor gevoerd door een politieambtenaar wordt op zich niet minder duidelijk – en dus ook niet verwarrend – indien, zoals verzoeker betoogt, de “achterliggende redengeving” van dit verbod niet is opgegeven, indien geen allusie wordt gemaakt op het vertolken van het standpunt van het parket-generaal, indien niet is vermeld dat het een wijziging betreft van een eerder geldend beleid, noch indien, naar verzoeker betoogt, de in de bestreden beslissing aangevoerde legitimiteit ervan niet zou blijken. De kritiek ter zake van verzoeker moet derhalve niet op zijn merites worden getoetst. Evenmin is relevant verzoekers argument dat die richtlijnen niet preciseren welk onderscheid er binnen of buiten de diensturen werd gemaakt. Het verbod tot tolken bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar is onmiskenbaar een absoluut verbod, zodat het “verzuim” dit onderscheid te maken niet kan leiden tot verwarring ter zake in hoofde van verzoeker. Dat voorts verzoeker op 7 februari 2017 als tolk werd gevorderd door een commissaris van politie doet evenmin anders besluiten. Op dat tijdstip was het verbod tot tolken bij een verhoor hem nog niet meegedeeld en dus hem nog niet tegenwerpelijk. Er kan XIV-37.720-18/25 derhalve geen enkele conclusie uit worden getrokken inzake het al dan niet duidelijk karakter van het verbod sinds 8 februari 2017, minstens sinds 15 februari
- Het bestaan van het verbod of de duidelijkheid ervan kan derhalve op het ogenblik van de feiten, in mei 2017, niet meer in vraag worden gesteld. Aldus maakt verzoeker niet aannemelijk dat de hogere tuchtoverheid, door te oordelen dat de door verzoeker aangehaalde verwarring niet aanvaard kan worden “gezien zij als tuchtoverheid meent dat [verzoeker] dus op de hoogte was of minstens had kunnen zijn van de correcte richtlijnen omtrent het tolken”, niet met inachtneming van de regels van de zorgvuldige bewijsvoering tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen, noch dat zij niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, noch dat zij die niet correct heeft beoordeeld, noch dat zij bij die beoordeling onzorgvuldig is geweest door deze “verwarring” niet als verschoningsgrond te erkennen.
- Verzoeker acht in het onderdeel ook de formelemotiveringsplicht geschonden. Hij zet evenwel in het verzoekschrift niet uiteen op welke wijze de bestreden beslissing de formelemotiveringsplicht miskent. Hij doet in de toelichting van het middelonderdeel wel gelden dat in de communicatie van 8 februari 2017, noch in het daarbij horend advies, ”de achterliggende redengeving [werd] meegedeeld, noch werd gepreciseerd (anders dan in de eerste mail van HINP [D.]) welk onderscheid er binnen of buiten de diensturen werd gemaakt” en dat er “op geen enkele wijze allusie [werd] gemaakt op het vertolken van een standpunt van het Parket Generaal ter zake, of de wijziging van een eerder geldend intern beleid.” Die kritiek betreft evenwel de formele motivering van de communicatie van het tolkverbod op 8 februari 2017 en niet de formele motivering van de bestreden beslissing. Die kritiek raakt derhalve niet het afdoende karakter van de formele motivering van de bestreden beslissing. XIV-37.720-19/25 Met de argumenten en grieven voor het eerst uiteengezet in latere procedurestukken mag voorts geen rekening worden gehouden nu verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij ze niet in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren. In de mate dat verzoeker wat dit eerste onderdeel betreft, de schending van de formelemotiveringsplicht aanvoert, is het middelonderdeel in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond.
- Uit wat voorafgaat, volgt dat het eerste onderdeel niet tot nietigverklaring kan leiden. Tweede onderdeel
- In de mate dat verzoeker de schending aanvoert van de uitdrukking “nemo auditur suam turpitudinem allegans” is dit een rechtsspreuk en geen algemeen rechtsbeginsel noch beginsel van behoorlijk bestuur. De miskenning van zodanige rechtsspreuk kan alleen dan aanleiding geeft tot nietigverklaring als daardoor een rechtsregel waarin zij is vastgelegd, wordt geschonden. In de mate dat verzoeker deze uitdrukking ziet als een algemeen rechtsbeginsel en dat dit geschonden zou zijn, faalt het middelonderdeel in rechte.
- In de mate dat verzoeker in het middelonderdeel de schending aanvoert van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”, verbiedt dat elk bedrog of elke oneerlijkheid met het oogmerk om te schaden of winst te behalen. Het veronderstelt derhalve een bepaald oogmerk. Met de, overigens niet door enig bewijselement ondersteunde, bewering dat “de overheid (of haar aangestelden)” verzoeker (binnen dezelfde politiezone) “oproept (zelfs ‘vordert’) om te tolken en vervolgens op grond hiervan deze persoon tuchtrechtelijk bestraft” zodat er volgens verzoeker sprake is van uitlokking, wordt alvast het bewijs van dat oogmerk niet geleverd. XIV-37.720-20/25
- Verzoeker voert voorts verschillende (feitelijke) kritieken aan waaruit volgens hem het onzorgvuldig handelen van de hogere tuchtoverheid moet blijken. Deze worden hierna op hun merites getoetst. In de mate dat verzoeker aanvoert dat de hogere tuchtoverheid bij haar beoordeling van de tuchtsanctie niet in rekening zou hebben gebracht dat andere politieambtenaren van de zone hem als tolk vorderden – wat volgens hem zou aantonen dat de nieuwe richtlijnen nog niet door iedereen waren gekend – ontslaat de enkele omstandigheid dat, naar verzoeker beweert, anderen de richtlijnen ter zake niet kennen of niet naleven, verzoeker niet van de verplichting om zelf de richtlijnen na te leven, te meer daar het ingestelde verbod om te tolken op hem, als tolk, rust en niet op degenen die hem verzoeken of “vorderen” om te tolken. Het op algemene wijze aangevoerde argument dat de weigering om als tolk een opdracht te aanvaarden een misdrijf vormt, leidt niet tot een ander besluit. Zonder dat de Raad van State moet onderzoeken of het materieel bestanddeel van het misdrijf omschreven in artikel 3, vierde lid, van de programmawet (II) van 27 december 2006 niet alleen vorderingen door magistraten betreft, maar ook “vorderingen” door politieambtenaren, doet verzoeker in elk geval niet blijken dat hij ter gelegenheid van de tolkprestaties die hem in concreto tuchtrechtelijk ten laste zijn gelegd, ten aanzien van de “vorderende” politieambtenaren heeft opgeworpen dat het hem op grond van de korpsrichtlijnen verboden was te tolken noch dat hij, ten aanzien van die “gevorderde” opdrachten, overeenkomstig de algemene principes van het strafrecht, geen beroep kon doen op enige grond tot rechtvaardiging. In zoverre verzoeker aanvoert dat is voorbijgegaan aan het feit dat de collegae-politieambtenaren die verzoeker “vorderden” als tolk niet “in tucht” werden opgeroepen, leiden, los van de vraag of de beweringen van verzoeker op zich volstaan om de Raad van State te doen besluiten dat verzoekers collegae deontologische plichten hebben miskend, hoe dan ook eventuele deontologische tekortkomingen in hoofde van die politieambtenaren niet tot de vaststelling dat de hogere tuchtoverheid niet op wettige wijze kon oordelen dat de XIV-37.720-21/25 aan verzoeker tenlastegelegde bewezen feiten een tuchtvergrijp uitmaken in de zin van artikel 3 van de tuchtwet. Aldus blijkt niet dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig heeft gehandeld door voorbij te gaan aan dit feit. In zoverre verzoeker de hogere tuchtoverheid verwijt dat zij geen rekening hield met het feit dat de richtlijnen waren gericht tot degenen die de tolken vorderen, verliest verzoeker uit het oog dat die richtlijnen ook tot hem waren gericht en dat zij ook ratione personae op hem van toepassing waren. Zulks volstaat opdat hij op grond van die richtlijnen kan worden gestraft. Aldus blijkt niet dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig heeft gehandeld door voorbij te gaan aan het feit dat de richtlijnen (ook) waren gericht tot degenen die “vorderden”. Uit wat voorafgaat volgt dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de hogere tuchtoverheid, door geen rekening te houden met de door hem in het middelonderdeel aangevoerde elementen, doet blijken van onzorgvuldig handelen.
- Verzoeker voert voorts ook aan dat het verwerpen van zijn cumulatiemachtiging als verschoningsgrond niet steunt op een deugdelijke juridische grondslag en dat de hogere tuchtoverheid onzorgvuldig is geweest door aan die verschoningsgrond voorbij te gaan. De interne richtlijn “Politie-Personeel-Bijberoep” die voorziet in een automatische intrekking strijdt immers met artikel 135 van de wet van 7 december 1998 en moet met toepassing van artikel 159 van de Grondwet buiten toepassing moet worden verklaard. Verzoekers kritiek wordt niet bijgevallen. Uit de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.4.) blijkt dat verzoeker tuchtrechtelijk is vervolgd voor het miskennen van zijn ambtsplichten en voor het in het gedrang brengen van de waardigheid van het ambt, door in strijd met de vigerende richtlijnen als tolk te hebben opgetreden bij het verhoor gevoerd door een andere politieambtenaar terwijl dit als politieambtenaar niet is toegelaten. XIV-37.720-22/25 Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid in haar beoordeling van deze tenlastelegging het feit heeft meegenomen dat verzoeker sinds 3 juni 2008 een cumulatiemachtiging bezit, maar dat hij er zich niet op kan beroepen om zich niet te houden aan de korpsrichtlijnen. De hogere tuchtoverheid wijst er in de bestreden beslissing op dat de machtiging immers expliciet als voorwaarde voorziet dat verzoeker “erover moet waken dat het belang van de dienst niet wordt geschaad en dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de waardigheid van de status van het personeelslid” en dat verzoeker, als inspecteur van politie steeds een voorbeeldfunctie heeft hetgeen volgens de hogere tuchtoverheid inhoudt dat hij bij een wijziging van de vigerende richtlijnen die ook steeds nauwgezet dient na te leven. Dit motief om voorbij te gaan aan de verleende cumulatiemachtiging wordt niet betwist door verzoeker en is afdoend ter motivering waarom geen rekening wordt gehouden met de cumulatiemachtiging als verschoningsgrond. Het is immers niet onredelijk te oordelen dat een individuele machtiging tot tolken verleend in afwijking van een toen algemeen geldend cumulatieverbod, verzoeker niet “verschoont” van zijn verplichting om bij de uitoefening van die aldus toegelaten cumulatieactiviteit, de ter zake (in de tijd evoluerende) vigerende richtlijnen en verboden na te leven, vermits op verzoeker ook tijdens de uitoefening van de toegelaten cumulatieactiviteit de tuchtrechtelijk sanctioneerbare plicht rust er over te waken dat hierbij het belang van de dienst niet wordt geschaad noch afbreuk wordt gedaan aan de waardigheid van het ambt van politieambtenaar. In het licht hiervan dient de vaststelling door de hogere tuchtoverheid dat onder verwijzing naar de korpsnota “Politie-Personeel-Bijberoep”, verzoekers machtiging is vervallen, zich aan als een overtollig motief dat, mocht het gegrond worden bevonden, niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. Hieruit volgt dat de vraag of het in ondergeschikt verband aangehouden standpunt dat verzoekers eerder verkregen individuele machtiging tot afwijking is vervallen, niet van belang is bij de beoordeling van het middelonderdeel. Het dient derhalve niet op zijn merites te worden onderzocht. XIV-37.720-23/25
- In fine van de uiteenzetting in het verzoekschrift van het middelonderdeel voert verzoeker ook aan “dat voor zover de bestreden beslissing de argumentatie van de Tuchtraad niet bijtreedt sprake is van de schending van de formelemotiveringsplicht.” De formele motiveringsplicht gaat evenwel niet zover dat zij inhoudt dat de bestreden beslissing formeel moet motiveren waarom zij de argumentatie van een adviesorgaan niet bijtreedt en zulks los van de vaststelling overigens dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk stelt dat “de hogere tuchtoverheid […] volledig aan[sluit] bij het advies van de Tuchtraad.” Met argumenten ontwikkeld in de latere procedurestukken wordt geen rekening gehouden nu verzoeker niet aannemelijk maakt dat hij deze niet in het verzoekschrift had kunnen aanvoeren.
- Het tweede middelonderdeel is, in de mate dat het ontvankelijk is, ongegrond. Conclusie
- Het enige middel kan niet tot nietigverklaring leiden. VI. Rechtsplegingsvergoeding
- Luidens artikel 84/1 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 ‘tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State’, dient het verzoek tot het verkrijgen van een rechtsplegingsvergoeding schriftelijk te gebeuren in een processtuk of een vereffeningsnota. Te dezen heeft de verwerende partij een dergelijk verzoek geformuleerd in de memorie van antwoord en in de laatste memorie die evenwel XIV-37.720-24/25 om de hiervoor vermelde reden uit het debat zijn geweerd. Een dergelijk verzoek wordt derhalve niet in aanmerking genomen.
- Het verzoek van de verwerende partij als de in het gelijk gestelde partij tot het toekennen van een rechtsplegingsvergoeding wordt bijgevolg afgewezen. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoeker niet bekendgemaakt. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zes januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, Carlo Adams, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-37.720-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.412 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.