id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.417 Rolnummer: A. 224434/VII-40189 Zaak: Arrest 249417 - Milieuvergunningen - 07/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-14 Raadplegingen: 88 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.417 van 7 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.417 van 7 januari 2021 in de zaak A. 224.434/VII-40.189 In zake : 1. Freddy DE MIL 2. Marie Jeanne LEIRENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Raf Van Roeyen kantoor houdend te 9120 Beveren Grote Markt 34 B bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : de DEPUTATIE VAN DE PROVINCIERAAD VAN VLAAMS-BRABANT -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 2 februari 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 30 november 2017 waarbij de bestuurlijke beroepen tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Galmaarden van 17 juli 2017, houdende het verlenen aan Erwin Demol van de milieuvergunning voor het verplaatsen van een bestaand landbouwbedrijf naar een nieuwe vestigingsplaats, gelegen aan de Pijpestraat 2A te Galmaarden, deels worden ingewilligd. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.189-1/7 Eerste auditeur Rita Van Den Eeckhout heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partijen hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Raf Van Roeyen, die verschijnt voor de verzoekende partijen, is gehoord. Eerste auditeur-afdelingshoofd Peter Provoost heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Op 20 maart 2017 dient Erwin Demol een vergunningsaanvraag in voor het verplaatsen van een bestaand landbouwbedrijf voor het houden van 140 runderen, gelegen te Galmaarden, Herhout 40, naar een nieuwe vestigingsplaats aan de Pijpestraat 2A te Galmaarden, op percelen kadastraal gekend als derde afdeling, sectie E, perceelnummer 52e. 3.2. Tijdens het openbaar onderzoek worden twee bezwaren ingediend, onder meer door de verzoekende partijen. VII-40.189-2/7 3.3. Bij besluit van 17 juli 2017 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Galmaarden de gevraagde milieuvergunning met oplegging van een aantal bijzondere exploitatievoorwaarden. 3.4. Tegen deze beslissing stellen de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in bij de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 3.5. In het kader van de beroepsprocedure wordt advies uitgebracht door:
- a)de provinciale stedenbouwkundige ambtenaar (gunstig);
- b)de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten (beroepen deels gegrond verklaren);
- c)de Provinciale Milieuvergunningscommissie (beroepen deels inwilligen, mits precisering dat het te verplaatsen landbouwbedrijf ten laatste tegen 1 januari 2020 moet worden stopgezet en aan de exploitatie van de inrichting op de nieuwe vestigingsplaats bijkomende bijzondere exploitatievoorwaarden worden verbonden). 3.6. Met het thans bestreden besluit van 30 november 2017 willigt de deputatie de ingestelde beroepen gedeeltelijk in en vult zij onder meer de na te leven bijzondere vergunningsvoorwaarden aan. IV. Onderzoek van het enige middel Standpunt van de partijen 4. In een enig middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 30 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I), de artikelen 4.1.3.2, 4.3.1.2.1, 5.9.2.1 en 5.9.8.1 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (Vlarem II), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 VII-40.189-3/7 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheidsbeginsel en de ‘principes van behoorlijk bestuur’. De verzoekende partijen betogen dat het bestreden besluit nalaat vast te stellen dat de vergunde inrichting slechts aanvaardbare hinder zal teweegbrengen voor de naburige eigenaars, waarbij zij in het bijzonder beklemtonen dat het van cruciaal belang is dat de zijgevels van de stallen dicht worden gemaakt en dat de vervuilde lucht wordt afgevoerd via luchtpijpen die voorzien zijn van filtersystemen. Voorts laten zij gelden dat geen adequate maatregelen werden opgelegd om de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. In dit verband verwijzen zij naar de best beschikbare praktijken, waaronder een ventilatiesysteem met filter dat door de verwerende partij niet werd opgelegd als bijzondere vergunningsvoorwaarde. 5. De verwerende partij antwoordt dat de beweerd niet vergunningsconforme uitvoering van de twee zijgevels en van de reliëfwijzigingen betrekking heeft op de stedenbouwkundige vergunning en derhalve buiten de beoordelingsbevoegdheid valt van de milieuvergunnende overheid. Voorts stelt zij dat enkel de milieuhinder moest beoordeeld worden op de beoogde nieuwe vestigingsplaats en niet de hinder die uitgaat van het naast elkaar bestaan van twee landbouwinrichtingen met 150 runderen. In dit verband verduidelijkt de verwerende partij dat de hinder van de te verplaatsen inrichting niet toegeschreven kan worden aan de inrichting op de beoogde nieuwe plaats van exploitatie en dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de te verwachten geurhinder afkomstig van de nieuwe inrichting, die volledig in agrarisch gebied gesitueerd is, onaanvaardbaar zal zijn. Met betrekking tot de aanleg van een groenscherm merkt de verwerende partij op dat deze verplichting werd opgelegd in de verleende stedenbouwkundige vergunning en dat aan de uitvoering van deze verplichting geen aandacht moet worden besteed in het kader van de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag. 6. In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen dat de wijze van mestopslag niet overeenstemt met het voorwerp van de milieuvergunningsaanvraag (namelijk een potstal), dat het groenscherm evenmin VII-40.189-4/7 vergunningsconform werd uitgevoerd en dat de beweerde onaanvaardbare geurhinder niet wordt toegeschreven aan de oude, te verplaatsen, inrichting maar wel degelijk aan de nieuwe inrichting waarvan de (open) zijgevels niet conform de stedenbouwkundige vergunning werden uitgevoerd. Bovendien laten de verzoekende partijen gelden dat de architecturale afwijkingen niet verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving van een woonkern, dat geen plaatsbezoek werd uitgevoerd, dat er geen sprake is van een afbouw van het bedrijf op de oorspronkelijke vestigingsplaats, dat de exploitant met alle milieuvoorschriften een loopje neemt, dat de inrichting niet als hoofdzakelijk vergund kan worden beschouwd en de gevraagde milieuvergunning om die reden moet worden geweigerd, en dat de opgelegde bijzondere vergunningsvoorwaarden onzekerheid laten over de aanvaardbaarheid van de hinder. Tot slot vestigen zij, omtrent het vermijden van geurhinder, nogmaals de aandacht op het belang van het dichtmaken van de zijgevels en van het voorzien van een luchtfiltersysteem. 7. De verzoekende partijen voegen in hun laatste memorie nog toe dat de verwerende partij bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag is uitgegaan van “diverse aannames van de aanvrager […] zonder deze te toetsen op hun werkelijkheidsgehalte temeer [zij] bij herhaling [hebben] gewezen op de onjuistheid van diverse feitelijke gegevens en aannames”. Zij beklemtonen dat de verwerende partij geen enkel onderzoek heeft uitgevoerd “om het waarheidsgehalte van diverse aannames te toetsen en dat men alzo tot besluitvorming is gekomen op basis van onvolledige en onjuiste gegevens”. Ook houden de verzoekende partijen vol dat bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag het zorgvuldigheidsbeginsel niet in acht werd genomen, inzonderheid doordat de door hen aangevoerde feitelijke onjuistheden en onwaarheden omtrent het vergunningsdossier door de verwerende partij niet werden onderzocht. Beoordeling 8. De essentiële taak van de overheid die uitspraak moet doen over een milieuvergunningsaanvraag bestaat erin om met de vereiste zorgvuldigheid en rekening houdend met alle relevante feitelijke omstandigheden, te beoordelen of VII-40.189-5/7 de hinder die door de inrichting zal worden veroorzaakt, tot een aanvaardbaar niveau kan worden beperkt. De Raad van State mag zijn beoordeling van de hinderlijkheid niet in de plaats stellen van deze van het bestuur. De Raad mag enkel nagaan of de vergunningverlenende overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, die gegevens correct werden beoordeeld en op grond daarvan in redelijkheid over de vergunningsaanvraag werd beslist. 9. In zoverre de verzoekende partijen in het middel bij herhaling en met betrekking tot verscheidene aspecten opwerpen dat de exploitant geen volledige uitvoering zou geven aan de verleende stedenbouwkundige vergunning en milieuvergunning, wordt vooreerst vastgesteld dat deze kritieken niet tot de nietigverklaring van de thans bestreden milieuvergunning kunnen leiden. Hetzelfde geldt voor de bewering dat er in werkelijkheid geen sprake zou zijn van de verplaatsing van het landbouwbedrijf omdat de exploitant op de oorspronkelijke vestigingsplaats de activiteiten nog zou verder zetten. 10. Op 10 november 2016 heeft de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant aan Erwin Demol een stedenbouwkundige vergunning verleend voor het regulariseren van de gevels van de rundveestal en voor het plaatsen van een sleufsilo, op het perceel gelegen aan de Pijpestraat 2A te Galmaarden. De verzoekende partijen betwisten niet dat deze stedenbouwkundige vergunning een definitief karakter had op het ogenblik dat de milieuvergunningsaanvraag tot verplaatsing van 140 runderen naar de stal op het voormelde adres werd ingediend. Bijgevolg moest de verwerende partij bij de beoordeling van de milieuvergunningsaanvraag die tot de bestreden beslissing heeft geleid uitgaan van de omgevingshinder die de “geregulariseerde” inrichting, met inbegrip van de wijziging van de zijgevels van de stal en de aanleg van een sleufsilo, zou teweegbrengen. 11. Met hun betoog dat de hinder slechts binnen aanvaardbare perken kan worden gehouden indien de stal wordt gebouwd conform de oorspronkelijke stedenbouwkundige vergunning en daarenboven gekozen wordt VII-40.189-6/7 voor een ander ventilatiesysteem, nodigen de verzoekende partijen de Raad van State uit om zelf over te gaan tot een (her)beoordeling van de aanvaardbaarheid van de te verwachten hinder rekening houdend met alle concrete feitelijke omstandigheden van de zaak. Zoals reeds werd aangegeven, kan die opdracht niet ingepast worden in de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de verwerende partij van oordeel was dat de in het vooruitzicht gestelde maatregelen volstaan om de hinder tot een aanvaardbaar niveau te beperken. Met de in het enige middel uiteengezette grieven, tonen de verzoekende partijen niet aan dat deze conclusie de redelijkheid te buiten gaat. 12. Het enige middel is ongegrond. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het beroep. 2. De verzoekende partijen worden verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 400 euro, elk voor de helft. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van zeven januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.189-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.417 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div