id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.484 Rolnummer: A. 224797/VII-40232 Zaak: Arrest 249484 - Milieuvergunningen - 14/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-28 Raadplegingen: 77 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.484 van 14 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.484 van 14 januari 2021 in de zaak A. 224.797/VII-40.232 In zake : 1. Alain DELTENRE 2. Bert CODDENS 3. Caroline DEBEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Joris Claes en Stijn Verbist kantoor houdend te 2000 Antwerpen Graaf van Hoornestraat 51 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Bronders kantoor houdend te 8400 Oostende Archimedesstraat 7 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij: de NV SARENS BE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Tom Malfait, Vanessa McClelland en Eva De Witte kantoor houdend te 9000 Gent Kasteellaan 141 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het beroep, ingesteld op 19 maart 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 10 januari 2018 waarbij het beroep ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 22 juni 2017, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Sarens BE voor een inrichting VII-40.232-1/18 voor het onderhoud van voertuigen (voornamelijk hoogtewerkers), gelegen aan de Jacobsveldweg 8 te Wommelgem, ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. II. Verloop van de rechtspleging 2. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van wederantwoord ingediend. De nv Sarens BE heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 16 mei 2018. De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partijen hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Staatsraad Pierre Lefranc heeft verslag uitgebracht. Advocaat Joris Claes, die tevens loco advocaat Stijn Verbist verschijnt voor de verzoekende partijen en advocaat Fien Decorte, die loco advocaten Tom Malfait, Vanessa McClelland en Eva De Witte verschijnt voor de tussenkomende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. VII-40.232-2/18 Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3. Op 30 november 2016 werd door de tussenkomende partij een milieuvergunningsaanvraag ingediend voor het verder exploiteren en veranderen door wijziging en uitbreiding van een inrichting voor het onderhoud van voertuigen, voornamelijk hoogtewerkers, op een perceel aan de Jacobsveldweg 8 te Wommelgem, er kadastraal bekend als afdeling 1, sectie B, perceelnummer 154Z(deel). De inrichting is volgens het gewestplan “Antwerpen” gelegen in industriegebied, evenals in het BPA “zonevreemde bedrijven”, goedgekeurd door de deputatie van de provincieraad van Antwerpen op 7 april 2004. 4. Tijdens het openbaar onderzoek, dat liep van 13 maart 2017 tot en met 11 april 2017, werden 3 schriftelijke bezwaren ingediend. Daarin werd onder meer aangevoerd dat het perceel B-143B “wel degelijk [wordt] gebruikt door de exploitant terwijl er geen stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het verharden van het terrein” en dat “de exploitant niet [beschikt] over een stedenbouwkundige vergunning voor het gewoonlijk gebruiken van een grond voor de opslag van allerlei materialen en materieel, parkeren van voertuigen en wagens voor perceel B-154Z en B-143B”. 5. De gemeentelijke dienst “gelast met het onderzoek en de behandeling van milieudossiers” stelt in het voorwaardelijk gunstig advies onder meer dat het “[p]erceel 11052_B_0143_B000_00 […] niet [werd] opgenomen in het aanvraagdossier, hoewel dit perceel feitelijk ook deel uitmaakt van de exploitatie”. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem verleent op 2 mei 2017 een voorwaardelijk gunstig advies mits de VII-40.232-3/18 bijzondere vergunningsvoorwaarde dat “[a]lle bedrijvigheid op perceel 1052_B_0143_B_000_00 […] met onmiddellijke ingang [dient] stopgezet te worden”. Het gunstig advies van het departement Omgeving - afdeling Milieuvergunningen (hierna: AMV) stelt onder meer dat het “achterliggende deel van het perceel 1-B-154Z […] wordt gebruikt voor niet-ingedeelde activiteiten. Dit deel van het perceel bevindt zich in agrarisch gebied. Het betreft opslag van houten stutbalken/contragewichten en niet-oliehoudende metalen onderdelen van kranen. De opslag gebeurt deels ook op het perceel 1-B-143B. De milieucoördinator bevestigde telefonisch dat de opslag van hout minder dan 100 ton/200m³ bedraagt en dus niet ingedeeld is”. Verder wordt gesteld dat in het kader van het openbaar onderzoek drie bezwaren werden ingediend die onder meer betrekking hebben op het gebruik van het achterliggende perceel 154Z en op het perceel 143B “waar de niet-ingedeelde opslag plaatsvindt” en “Indien de exploitant voor het achterliggende deel van perceel 1-B-154Z en perceel 1-B-143B geen stedenbouwkundige vergunning/ omgevingsvergunning heeft voor de stedenbouwkundige handelingen die er plaatsvinden, is het aan de toezichthouder om hier tegen op te treden. We wijzen de exploitant erop dat in dat geval ook de niet-ingedeelde opslag niet kan plaatsvinden. Bovendien staat de niet-ingedeelde opslag niet aangeduid op het uitvoeringsplan”. Op de hoorzitting van de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC) verklaart de vertegenwoordiger van de exploitant dat de opslag van metalen onderdelen, contragewichten e.d.m. op perceel 143B geen indelingsplichtige rubriek betreft, dat op dat perceel geen voertuigen en/of aanhangwagens worden gestald, dat een stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het uitvoeren van terreinwerken op perceel 143B, en dat de steenslagverharding volgens de bij de stedenbouwkundige vergunningsaanvraag gevoegde nota “dienst [zou] doen voor de opslag van niet-hydraulische onderdelen”. VII-40.232-4/18 De PMVC overweegt in haar advies van 30 mei 2017: - “dat uit het advies van de AMV en de verklaringen van de exploitant ter zitting blijkt dat op perceel 1-B-143B geen vergunningsplichtige activiteiten gebeuren. De PMVC stelt voor om in de overwegingen van het besluit op te nemen dat de milieucoördinator bevestigt dat de opslag deels ook op het perceel 1-B-143B gebeurt; dat de milieucoördinator telefonisch bevestigde dat de opslag van hout minder dan 100 ton/200 m³ bedraagt en dus niet ingedeeld is; dat de vertegenwoordigers van de exploitant ter zitting van de PMVC bevestigen dat er geen vergunningsplichtige activiteiten gebeuren op het perceel 1-B-143B”; - omtrent de “stedenbouwkundige verenigbaarheid” dat de gemeentelijke milieudienst opmerkt dat het perceel 143B niet werd opgenomen in het aanvraagdossier “hoewel dit perceel feitelijk ook deel uitmaakt van de exploitatie” en dat de stedenbouwkundige vergunning van 8 november 2007 niet conform werd uitgevoerd en dat geen stedenbouwkundige vergunning werd aangevraagd voor het gewoonlijk gebruik van dat perceel 143B en dat de PMVC “het standpunt van de AMV [volgt] en stelt dat de aanvraag louter betrekking heeft op perceel 1-B-154Z (deel)”; - ter weerlegging van het bezwaar dat het perceel 143B wel degelijk wordt gebruikt door de exploitant die geen stedenbouwkundige vergunning heeft voor het gewoonlijk gebruik voor beide percelen, dat “voorliggende aanvraag enkel betrekking heeft op perceel 1-B-154Z (deel) zoals aangevraagd” en dat “het toezicht op de naleving van de stedenbouwkundige voorschriften […], behoort tot de bevoegdheid van de toezichthoudende instantie”; - het voorstel van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Wommelgem om de bijzondere voorwaarden van het met onmiddellijke ingang stopzetten van alle bedrijvigheid op perceel 143B en het ogenblikkelijk verwijderen van alle materiaal, materialen, voertuigen en aanhangwagens op te nemen, niet te volgen omdat het perceel 143B “geen deel uit[maakt] van het voorwerp van de aanvraag aangezien hierop geen milieuvergunningsplichtige activiteiten gebeuren”. 6. Op 22 juni 2017 verleent de deputatie van de provincieraad van Antwerpen (hierna: deputatie) de milieuvergunning aan de tussenkomende partij. VII-40.232-5/18 De deputatie overweegt onder meer: “Overwegende dat de milieucoördinator bevestigt dat er ook opslag gebeurt op het perceel 1-B-143B; dat de milieucoördinator telefonisch bevestigde dat de opslag van hout minder dan 100 ton/200 m³ bedraagt en dus niet ingedeeld is; dat de vertegenwoordigers van de exploitant ter zitting van de PMVC bevestigen dat er geen vergunningsplichtige activiteiten gebeuren op het perceel 1-B-143B; Overwegende dat voor de evaluatie van de tijdens het openbaar onderzoek uitgebrachte bezwaren en opmerkingen en van de elementen die de aanvrager heeft aangebracht tijdens het horen van de PMVC, kan verwezen worden naar het advies van de PMVC”. 7. Op 11 augustus 2017 stellen de verzoekende partijen bestuurlijk beroep in tegen de beslissing van de deputatie. Zij argumenteren onder meer dat de aanvraag enkel betrekking heeft op het perceel 154Z terwijl het perceel 143B wel degelijk wordt gebruikt door de exploitant “als inrichting voor de exploitatie van het kraanbedrijf” terwijl er geen stedenbouwkundige vergunning werd verleend voor het verharden van het terrein, de exploitant niet beschikt over een stedenbouwkundige vergunning voor het gewoonlijk gebruik van het terrein, de stedenbouwkundige vergunning van 8 november 2007 niet correct en niet tijdig werd uitgevoerd, uit de luchtfoto‟s duidelijk blijkt dat zowel het perceel 154Z als het perceel 143B worden gebruikt voor de opslag van materialen en voertuigen. 8. Gunstig advies wordt verstrekt op 25 september 2017 door de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -projecten, (GOP) (Milieuvergunningen) die onder meer overweegt: “dat de exploitant milieuvergunning vraagt voor het perceel 1-B-154Z; dat het perceel 1-B-143B niet aangevraagd wordt door de exploitant en bijgevolg ook niet kan beoordeeld worden bij onderhavige milieuvergunningsaanvraag; dat het perceel 1-B-143B geen deel uitmaakt van de milieuvergunning”. Op 2 oktober 2017 wordt gunstig advies verleend door de afdeling GOP (Ruimte). VII-40.232-6/18 Op de hoorzitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie (hierna: GMVC) verklaart de exploitant onder meer dat het perceel 143B niet werd opgenomen in de milieuvergunningsaanvraag zodat “hier […] [dus] geen beroep tegen ingediend [kan] worden”. De GMVC verleent op 3 oktober 2017 een gunstig advies. 9. Bij besluit van 10 januari 2018 verleent de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw de bestreden milieuvergunning aan de tussenkomende partij. De minister overweegt onder meer: “dat de exploitant milieuvergunning vraagt voor perceel 1-B-154Z; dat perceel 1-B-143B niet aangevraagd wordt door de exploitant en bijgevolg ook niet kan beoordeeld worden bij onderhavige milieuvergunningsaanvraag; dat perceel 1-B-143B geen deel uitmaakt van de milieuvergunning”. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Exceptie van de tussenkomende partij 10. De tussenkomende partij werpt op dat de verzoekende partijen zich aan de grens hebben gevestigd van een woonzone met landelijk karakter en een industriegebied en “een hogere tolerantie dienen te hebben voor eventuele hinder van bedrijfsactiviteiten rondom zich”. Zij stelt ook dat de verzoekende partijen de ernst van de hinder sterk overdrijven en geen abnormale hinder aantonen. Zij concludeert dat de verzoekende partijen geen belang hebben bij hun beroep. 11. De verzoekende partijen repliceren onder meer dat niet betwist wordt dat zij hinder ondervinden hetgeen volstaat om een belang bij hun beroep te hebben. VII-40.232-7/18 Beoordeling 12. Om zijn belang aan te tonen bij de nietigverklaring van de vergunning voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting, moet degene die opkomt tegen die vergunning minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie. Opdat van een voldoende belang sprake zou zijn, moet niet aan de hand van stukken worden aangetoond dat die hinder onaanvaardbaar is. Een beweerd hogere tolerantiedrempel is evenmin van aard het belang van een omwonende te ontnemen. 13. Rekening houdend met de concrete gegevens van de zaak en het feit dat de tussenkomende partij erkent dat de exploitatie van haar inrichting hinder teweegbrengt, kan de Raad van State niet vaststellen dat de verzoekende partijen geen enkele hinder van de vergunde activiteiten zullen ondervinden. 14. De exceptie wordt verworpen. V. Onderzoek van de middelen Eerste middel Standpunt van de partijen 15. De verzoekende partijen voeren de schending aan van artikel 1.1.2, § 1, 8°, en artikel 1.2.1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat nergens uit het bestreden besluit blijkt dat de verwerende partij een globale beoordeling van de feitelijke exploitatie en de mogelijke hinder van de tussenkomende partij heeft uitgevoerd bij de besluitvorming aangaande de betrokken milieuvergunningsaanvraag. De exploitatie van de inrichting vindt niet enkel plaats op het perceel vermeld in de VII-40.232-8/18 vergunningsaanvraag, doch eveneens op een stuk van het perceel nummer 143B. Beide percelen zijn in handen van de exploitant. Dit kon reeds eerder worden vastgesteld door de verzoekende partijen en de milieudienst van de gemeente Wommelgem, en wordt tevens bevestigd door luchtfoto‟s waarop heel wat materialen en voertuigen op dit perceel te zien zijn. Dit alles gebeurt op de beide percelen evenwel zonder de noodzakelijke stedenbouwkundige vergunning. Doordat geen rekening wordt gehouden met het gebruik van beide percelen gaat de verwerende partij in de bestreden beslissing eraan voorbij dat in casu sprake is van een milieutechnische eenheid in de zin van het DABM. In casu is het zeer duidelijk dat het achterliggend perceel nummer 143B wordt aangewend voor dezelfde activiteiten en exploitatie als perceel nummer 154Z. De hele inrichting moet als één geheel worden beschouwd bij de beoordeling van de exploitatie van het bedrijf en de hinder die hieruit voortkomt. In de vergunningsaanvraag wordt ten onrechte gesteld dat het gebruikte gedeelte van het perceel 154Z onverhard terrein is, waarop geen vergunningsplichtige activiteiten worden uitgevoerd, enkel opslag van houten stutbalken/contragewichten en niet-oliehoudende metalen onderdelen van kranen. De opslagplaats is in werkelijkheid één ruimte, waarbij er geen absolute scheiding is tussen de vermeende houtopslag en de opslag van andere materialen en voertuigen. Men kan niet voorhouden dat de tussenkomende partij op het perceel 143B een onafhankelijke en/of verschillende bedrijvigheid uitoefent. De samenhang tussen beide percelen staat vast. Tijdens het openbaar onderzoek werd hierop reeds gewezen en in het gemeentelijk advies werd gevraagd om als bijzondere voorwaarde op te leggen dat alle bedrijvigheid op dit perceel zou worden stopgezet en de aanwezige materialen zouden worden verwijderd. Door de twee percelen die in feite onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn als milieutechnische eenheid, toch niet gezamenlijk te betrekken in een milieuvergunningsaanvraag aangaande de uitbreiding van de exploitatie van de gehele inrichting, is de milieuvergunningsaanvraag misleidend en wordt de hinder voortkomend van het perceel 143B ten onrechte niet in de beoordeling betrokken. De impact op de omwonenden en het milieu wordt op die manier onderschat en is derhalve geenszins in overeenstemming met de realiteit. In de bestreden beslissing wordt hierop slechts kort ingegaan en gesteld dat de milieuvergunningsaanvraag slechts betrekking heeft op perceel nummer 154Z, zodat perceel 143B “bijgevolg ook niet kan beoordeeld worden”, waardoor de bestreden beslissing op dit punt de VII-40.232-9/18 artikelen 2 en 3 van de motiveringswet schendt. Een dergelijke nalatige beoordeling van een milieuvergunningsaanvraag, houdt de onwettigheid van de besluitvorming in. Er diende een globale beoordeling van de exploitatie te worden gedaan. Artikel 1.2.1 DABM dat de hoogste bescherming van mens en milieu vooropstelt, de materiëlemotiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel zijn geschonden. Het is bovendien kennelijk onredelijk dat het bestreden besluit volledig abstractie maakt van de bijzondere voorwaarden die reeds door de gemeente werden geadviseerd met betrekking tot het stopzetten van de bedrijvigheid op perceel nummer 143B, inclusief het verwijderen van alle materialen, voertuigen en aanhangwagens. 16. De verwerende partij repliceert: “Bij het beoordelen van de hinder die uitgaat van de aangevraagde inrichting, kan de verwerende partij slechts uitgaan van de vergunningsaanvraag, met name van de hernieuwing en verandering van de exploitatie van de inrichting op perceel nr. 154z. De exploitant beschikt niet over een milieuvergunning voor het perceel nr. 143b, en die wordt ook niet aangevraagd. Het is de exploitant aldus niet toegelaten om welke als hinderlijk ingedeelde inrichting dan ook te exploiteren op het perceel met nr. 143b, en overeenkomstig de milieuvergunningsaanvraag doet de exploitant dat ook geenszins. Ook uit de beslissing van de deputatie blijkt dat een vertegenwoordiger van de exploitant werd gehoord door de provinciale milieuvergunningscommissie, en aldaar heeft bevestigd dat alle Vlarem-indelingsplichtige activiteiten zich situeren op perceel nr. 154z, terwijl er op perceel nr. 143b enkel opslag gebeurt van metalen onderdelen, contragewichten e.d., die geen indelingsplichtige rubriek vormen. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partijen beweren blijkt dat ook te worden bevestigd door de beschikbare luchtfoto (www.geopunt.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.