id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.485 Rolnummer: A. 225357/VII-40291 Zaak: Arrest 249485 - Milieuvergunningen - 14/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-21 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-20 00:29 Fiche Arrest nr 249.485 van 14 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.485 van 14 januari 2021 in de zaak A. 225.357/VII-40.291 In zake : de GEMEENTE MAASMECHELEN bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Koen Geelen, Wouter Moonen en Sarah Jacobs kantoor houdend te 3500 Hasselt Gouverneur Roppesingel 131 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Bart Staelens kantoor houdend te 8000 Brugge Gerard Davidstraat 46, bus 1 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 1 juni 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 29 maart 2018 waarbij het beroep tegen het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 5 oktober 2017, houdende weigering van de vergunning aan de nv A.L.G. Genk Noord voor het exploiteren van een nieuw bevoorradingsstation voor motorvoertuigen aan de Steenweg naar As 16 te Maasmechelen, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.291-1/15 Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een verslag opgesteld. De verwerende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verzoekende partij heeft een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december
- Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Samuel Mens, die loco advocaat Bart Staelens verschijnt voor de verwerende partij, is gehoord. Adjunct-auditeur Benny De Sutter heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Op 22 februari 2017 dient de NV A.L.G. Genk Noord bij de deputatie van de provincie Limburg een milieuvergunningsaanvraag in voor de exploitatie van een nieuwe inrichting voor het bevoorraden van motorvoertuigen op een perceel gelegen aan de Steenweg naar As in Maasmechelen, kadastraal gekend als afdeling 1, sectie E, nr. 924E
- De aanvraag wordt vervolledigd op 27 maart 2017 en ontvankelijk en volledig verklaard op 10 april
- VII-40.291-2/15 3.
- Naar aanleiding van het openbaar onderzoek over deze aanvraag, wordt één schriftelijke opmerking ingediend door De Watergroep, die als volgt luidt: “Na controle van de vergunde rubrieken en ligging van de activiteiten heeft de Watergroep geen bezwaar tegen deze vergunningsaanvraag. De activiteiten zijn gelegen buiten de beschermingszone van de waterwinning maar wel binnen het aandachtsgebied, wat betekent dat mogelijke verontreiniging de waterwinning te Eisden vroeg of laat kan bereiken. De Watergroep vraagt om terdege de opslag van gevaarlijke producten uit te voeren strikt volgens de regels van Vlarem om risico’s te vermijden. Verder moeten alle maatregelen worden genomen om verontreiniging van bodem en grondwater te vermijden”. 3.
- Op 9 juni 2017 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Maasmechelen een ongunstig advies. In haar advies van 19 juni 2017 komt de afdeling Gebiedsontwikkeling, Omgevingsplanning en -Projecten (hierna: GOP) - dienst Milieuvergunningen van het departement Omgeving tot het volgende voorstel: “- de exploitant erop te wijzen dat men voor de exploitatie van de ondergrondse houder mogelijk nog over een milieuvergunning beschikt; - de gevraagde milieuvergunning te weigeren”. 3.
- Op 3 juli 2017 verleent de Provinciale Milieuvergunningscommissie (hierna: PMVC), na eerder de aanvrager en het studiebureau te hebben gehoord, een unaniem gunstig advies voor een beperkte termijn van tien jaar, op basis van een aangepast uitvoeringsplan met juiste intekening van de verdeelinstallatie en waarbij de afwatering via coalescentiefilter op de KWS-afscheider gebeurt op het eigen perceel, met lozing in de voorliggende ingebuisde gracht aan de Steenweg naar As. 3.
- De deputatie weigert op 5 oktober 2017 de gevraagde vergunning. 3.
- Tegen dit besluit stelt de nv A.L.G. Genk Noord een bestuurlijk beroep in. VII-40.291-3/15 3.
- De afdeling GOP (Milieu) van het departement Omgeving verleent op 4 januari 2018 een gunstig advies. De afdeling GOP (Ruimte) van het departement Omgeving verleent, eveneens op 4 januari 2018, een ongunstig advies. Na het horen van de exploitant verleent de gewestelijke milieuvergunningscommissie op 13 februari 2018 een gunstig advies. 3.
- Bij besluit van 29 maart 2018 verklaart de minister het beroep gegrond en verleent zij de gevraagde vergunning. Dit is het bestreden besluit, dat in essentie als volgt is gemotiveerd: “Overwegende dat het beroep ingediend door de exploitant betrekking heeft op het weigeren van de vergunning voor het exploiteren van een nieuw bevoorradingsstation voor motorvoertuigen; dat op dezelfde plaats een bestaand tankstation staat dat gedurende zes jaar niet werd uitgebaat; Overwegende dat in een straal van 100 m rondom de perceelsgrens van de inrichting één woning en zes gebouwen zijn gelegen; dat de dichtste woning op circa 90 m van de perceelsgrens van de inrichting ligt; Overwegende dat tijdens het openbaar onderzoek één bezwaar werd ingediend, dat betrekking heeft op het vermijden van verontreiniging van bodem en grondwater; Overwegende dat de exploitant met deze aanvraag een milieuvergunning beoogt te bekomen voor de exploitatie van een nieuw tankstation; Overwegende dat de verdeling van diesel en benzine plaatsvindt op een vloeistofdichte piste; dat de leverende tankwagen op een vloeistofdichte piste kan opgesteld worden; dat beide pistes uitgevoerd zijn in vloeistofdichte beton en zich in goede toestand bevinden; Overwegende dat de opslag van benzine en diesel plaatsvindt in ondergrondse dubbelwandige houders, voorzien van een lekdetectie, een overvulbeveiliging en kathodische bescherming; dat het hier een gecompartimenteerde houder betreft; Overwegende dat volgens de gegevens van het dossier in eerste aanleg het niet-verontreinigd hemelwater afgevoerd wordt naar een ingebuisde gracht aan de Steenweg naar As; dat het mogelijk verontreinigd hemelwater (bedrijfsafvalwater) een koolwaterstofafscheider met coalescentiefilter passeert vooraleer het ook wordt geloosd in de ingebuisde gracht aan de Steenweg naar As; dat de inrichting kan voldoen aan de voorwaarden van het lozen in oppervlaktewater; Overwegende dat de installatie voorzien is van een fase 1 en fase 2 damprecuperatiesysteem conform titel II van het VLAREM; Overwegende dat uit het uitvoeringsplan kan afgeleid worden dat de ontluchtingsleidingen voorzien worden ter hoogte van de vulmonden voor de ondergrondse houders; dat deze ontluchtingsleidingen zich op meer dan 3 m van de perceelsgrens bevinden en tenminste 3 m hoog zijn; dat er een VII-40.291-4/15 verwaarloosbare impact op de luchtkwaliteit verwacht wordt ten gevolge van de opslag en de verdeling van benzine; Overwegende dat uit het bijgevoegde uitvoeringsplan blijkt dat de ondergrondse houder voldoet aan de van toepassing zijnde inplantingsregels conform artikel 5.17.4.2.1 van titel II van het VLAREM; Overwegende dat de exploitatie gelegen is langs de N763 en zich in een industriegebied bevindt; dat de impact op de mobiliteit en het geluid als beperkt tot verwaarloosbaar beschouwd wordt; Overwegende dat de beoogde inrichting zal grenzen aan het Vogel- en Habitatrichtlijngebied 'Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek'; dat dit gebied ook aangeduid is als VEN-gebied 'De Hoge Kempen'; Overwegende dat, gezien de aard van de exploitatie, er geen betekenisvolle aantasting is van de natuurlijke kenmerken van het Habitat- of Vogelrichtlijngebied en er door de beoogde exploitatie geen onvermijdbare en onherstelbare schade wordt veroorzaakt aan de natuur in het VEN-gebied; Overwegende dat het goed volgens het van kracht zijnde gewestplan 'Limburgs Maasland', goedgekeurd bij koninklijk besluit van 1 september 1980, in een industriegebied ligt; Overwegende dat industriegebieden bestemd zijn voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven; dat ze een bufferzone omvatten; dat voor zover dit in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel kunnen omvatten; dat tevens in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten worden, namelijk bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop; Overwegende dat het tankstation in overeenstemming is met de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan; Overwegende dat er voor het betrokken industrieterrein een gewestelijk RUP 'Enclaves Hoge Kempen' in opmaak is, met als doel om een aantal gebieden te herbestemmen naar natuurgebied zodat deze deel uit kunnen maken van grote eenheden natuur, het betrokken industrieterrein is gesitueerd binnen het deelplan 3 'Mechels Bos - Stokkembos', waarvoor op 18 april 2017 de plenaire vergadering werd gehouden; dat evenwel dit gewestelijk RUP 'Enclaves Hoge Kempen' nog niet van kracht is en bijgevolg nog niet kan toegepast worden voor een milieuvergunningsaanvraag; Overwegende dat de aangevraagde inrichting verenigbaar is met de stedenbouwkundige voorschriften en de goede ruimtelijke ordening; Overwegende dat de hinder en de effecten voor mens en milieu en de risico's voor de externe veiligheid, veroorzaakt door de aangevraagde inrichting, mits naleving van de milieuvergunningsvoorwaarden tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt; Overwegende dat er bijgevolg aanleiding toe bestaat het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit op te heffen”. VII-40.291-5/15 IV. Onderzoek van het eerste en het tweede middel A. Eerste middel Standpunten van de partijen
- De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 4.1.1, § 1, 5°, 4.3.2, § 2bis en 4.3.3, § 2, en van de bijlage II van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: milieubeleidsdecreet), van artikel 2, § 7, van het besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectenrapportage (hierna: project-MER-besluit), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet), en van het zorgvuldigheids- en het materiëlemotiveringsbeginsel. In een eerste onderdeel betoogt zij dat de bestreden beslissing op geen enkele manier ingaat op de MER-plicht en dat er geen milieueffectenbeoordeling is uitgevoerd, terwijl een bevoorradingsstation voor motorvoertuigen nochtans een MER-plichtig project betreft. In een tweede onderdeel werpt zij op dat de bestreden beslissing zonder afdoende motivering, zonder eigen beoordeling en dus ook zonder toepassing van de criteria uit bijlage II bij het milieubeleidsdecreet de noodzaak tot een project-MER afwijst. Voor zover de overweging in dat verband uit de beslissing van de deputatie in aanmerking zou kunnen worden genomen, merkt de verzoekende partij op dat die overweging tot een loutere stijlformule is beperkt. Daarnaast wijst zij op fouten en lacunes in de screeningsnota, zodat het niet mogelijk is om op basis van die nota te oordelen dat er geen aanzienlijke effecten volgen uit het betrokken project. VII-40.291-6/15
- De verwerende partij stelt hier tegenover dat "geen van de partijen" zich heeft verzet tegen de beslissing van 10 april 2017 dat er geen milieueffectenrapport opgesteld moest worden. Volgens haar bevat de bestreden beslissing een antwoord op de in het beroep naar voor gebrachte argumenten. Aangezien de project-m.e.r.-screeningsnota niet aan bod kwam in de naar voor gebrachte bezwaren, kan het haar ook niet ten kwade worden geduid dat zij daaromtrent geen nieuw onderzoek heeft gevoerd. Het tweede onderdeel van het middel is volgens de verwerende partij niet ontvankelijk, aangezien het is gericht tegen de beslissing van de deputatie en de verzoekende partij onvoldoende informatie verschaft over haar belang. Hoe dan ook zou niet blijken dat de criteria uit bijlage II bij het milieubeleidsdecreet zijn geschonden. De verzoekende partij brengt volgens haar geen enkel bewijs bij dat haar beweringen kan staven, en zij zou niet concreet aannemelijk maken waarom de deputatie onjuist heeft geoordeeld. Beoordeling
- In het tweede middelonderdeel wordt betoogd dat het bestreden besluit niets vermeldt over de milieueffectenbeoordeling. Vervolgens wordt uiteengezet dat de motivering in eerste aanleg evenmin afdoende was, zodat geen gebruik kan worden gemaakt van de techniek van motivering door verwijzing. Er valt niet in te zien waarom de verzoekende partij geen belang zou hebben bij het aldus ontwikkelde middelonderdeel. De exceptie wordt verworpen.
- Bijlage III bij het project-MER-besluit bepaalt voor welke categorieën van projecten overeenkomstig artikel 4.3.2, §§ 2bis en 3bis, van het milieubeleidsdecreet‚ een project-MER of een project-m.e.r.-screeningsnota moet worden opgesteld. VII-40.291-7/15 Onder punt 6, c), "Chemische industrie" (projecten die niet onder bijlage I of II vallen) ressorteren "opslagruimten voor aardolie, petrochemische en chemische producten bij inrichtingen behorend tot de chemische industrie". Artikel 2, § 7, van het project-MER-besluit bepaalt: “De overheid die beslist over de ontvankelijkheid en volledigheid van de vergunningsaanvraag beslist geval per geval over die project-m.e.r.-screeningsnota’s. Ze beslist op basis van die selectiecriteria, vermeld in bijlage II van het decreet”. Uit het administratief dossier blijkt dat de aanvrager een project-m.e.r.-screeningsnota heeft gevoegd bij de milieuvergunningsaanvraag. Het besluit van de aanvrager luidt dat, rekening houdend met de kenmerken van het project, de omgeving en de analyse in de screeningsnota, de mogelijke milieueffecten van het project niet aanzienlijk zijn. Artikel 9, § 5bis, van het milieuvergunningsdecreet bepaalt onder meer dat de overheid bij wie de aanvraag is ingediend, de screeningsnota onderzoekt en beslist of er een milieueffectenrapport over het project moet worden opgesteld. In de ontvankelijkheids- en volledigheidsverklaring wordt het volgende vermeld: “Op basis van de door u verstrekte gegevens in [de] project-m.e.r.-screeningsbijlage van het aanvraagdossier, kan aangenomen worden dat het voorgenomen project geen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor het milieu en een project-MER redelijkerwijze geen nieuwe of bijkomende gegevens over aanzienlijke milieueffecten kan bevatten. Er moet geen milieueffectenrapport over het project worden opgesteld”. De overheid in eerste aanleg overweegt in haar beslissing: “Gelet op het feit dat de milieuvergunningsaanvraag betrekking heeft op een activiteit die voorkomt op de lijst van bijlage III bij het besluit van de Vlaamse regering d.d. 1 maart 2013 (B.S. 29 april 2013), inzake de nadere regels van de project-m.e.r.-screening; dat het aanvraagdossier daarom VII-40.291-8/15 tijdens het volledig- en ontvankelijkheidsonderzoek getoetst werd aan de criteria van bijlage II van het Decreet Algemene Bepalingen Milieubeleid (milieubeleidsdecreet); dat geoordeeld werd dat over het project geen milieueffectrapport moet worden opgesteld”. Zij beweert derhalve dat zij heeft getoetst aan de criteria van bijlage II van het milieubeleidsdecreet, maar dit is noch in de beslissing, noch in het dossier terug te vinden. Ook in graad van beroep heeft de minister niet concreet gemotiveerd waarom er geen aanzienlijke invloeden kunnen zijn op de speciale beschermingszones, VEN-gebieden of natuurgebieden, hoewel blijkt dat de betrokken inrichting in de onmiddellijke omgeving ervan is gelegen. In de bestreden beslissing wordt overwogen dat de beoogde inrichting zal grenzen aan het Vogel- en Habitatrichtlijngebied "Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek", dat dit gebied ook aangeduid is als VEN-gebied "De Hoge Kempen" en dat, gezien de aard van de exploitatie, er geen betekenisvolle aantasting is van de natuurlijke kenmerken van het Habitat- of Vogelrichtlijngebied en er door de beoogde exploitatie geen onvermijdbare en onherstelbare schade aan de natuur in het VEN-gebied wordt veroorzaakt. Het belang van de milieueffectenrapportering had de minister ertoe moeten aanzetten om een onderzoek te voeren en in de bestreden beslissing een motivering op te nemen inzake de MER-plicht, waarin onder meer aan bod kon komen in hoeverre de activiteiten al dan niet konden leiden tot aanzienlijke effecten op de nabijgelegen bijzondere beschermde gebieden. De onvolkomenheden inzake de MER-plicht tasten de bestreden beslissing over de oorspronkelijk ingediende aanvraag aan. Het eerste middel is gegrond. VII-40.291-9/15 B. Tweede middel Standpunten van de partijen
- In het tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 14, 16 en 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: natuurbehouddecreet), van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet, en van het materiëlemotiverings- en zorgvuldigheidsbeginsel. In het eerste middelonderdeel werpt zij op dat geen passende beoordeling of screening heeft plaatsgevonden met betrekking tot de inpasbaarheid van de vergunde inrichting ten overstaan van het Habitat- en Vogelrichtlijngebied "Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek", waar de exploitatie vlakbij is gelegen. Uit het bestreden besluit blijkt volgens haar niet dat de verwerende partij de bestreden milieuvergunning heeft verleend met de zekerheid dat de vergunde activiteiten geen schadelijke gevolgen zullen hebben voor de natuurlijke kenmerken van de vlakbij gelegen speciale beschermingszone. De motivering in het bestreden besluit in dat verband is niet afdoende. Uit de concrete beleidsplannen van de verzoekende partij blijkt dat er een significante impact zal uitgaan van de betrokken inrichting op de nabijgelegen natuurwaarden. In het tweede middelonderdeel voert zij aan dat noch uit het bestreden besluit, noch uit het administratief dossier blijkt dat de verwerende partij rekening heeft gehouden met de effecten van de aanvraag op de aanwezige natuurwaarden en haar zorgplicht is nagekomen.
- Aangaande het eerste middelonderdeel wijst de verwerende partij vooreerst op de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State. Voorts werpt zij op dat zij heeft gesteund op de adviezen van het departement Omgeving, afdeling GOP (Milieu) en van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, waarin werd gesteld dat er, gezien de aard van de exploitatie, geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone voorligt en er evenmin onvermijdbare en onherstelbare VII-40.291-10/15 schade aan het VEN wordt veroorzaakt. Volgens haar vereist de zorgvuldigheidsplicht niet dat zij zelf een eigen onderzoek voert om de bevindingen van de adviesinstanties te controleren op hun waarheidsgetrouwheid. De toetsing aan artikel 36ter van het natuurbehouddecreet heeft bovendien nooit problemen gesteld, zodat het haar niet ten kwade kan worden geduid dat zij daaromtrent geen specifiek nieuw onderzoek heeft gevoerd. Het komt volgens haar overigens aan de verzoekende partij toe om aan te tonen dat een schending van artikel 36ter van het natuurbehouddecreet voorligt, hetgeen niet is gbeurd. Ook wat het tweede middelonderdeel betreft wijst de verwerende partij op de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State. De impact van de exploitatie op de lokale natuurwaarden wordt volgens haar wel degelijk betrokken op het criterium van de onvermijdbare en onherstelbare schade. Bovendien zou de verzoekende partij niet aantonen welke schade wordt geleden en hoe die schade zou kunnen worden beperkt of gecompenseerd. Beoordeling
- Uit artikel 36ter, § 3, van het natuurbehouddecreet volgt dat milieuvergunningsplichtige activiteiten die een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kunnen veroorzaken, onderworpen dienen te worden aan een "passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone". Artikel 2, 30°, van het natuurbehouddecreet definieert een "betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone" als: "een aantasting die meetbare en aantoonbare gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, in de mate er meetbare en aantoonbare gevolgen zijn voor de staat van instandhouding van de soort(en) of de habitat(s) waarvoor de betreffende speciale beschermingszone is aangewezen of voor de staat van instandhouding van de soort(en) vermeld in bijlage III van dit decreet voor zover voorkomend in de betreffende speciale beschermingszone". Hiermee stelt het natuurbehouddecreet de instandhouding voorop van de "natuurlijke kenmerken" van de speciale beschermingszone. VII-40.291-11/15 Een dergelijke beoordeling houdt in dat, op basis van de beste wetenschappelijke kennis ter zake, alle aspecten van het plan of het project die op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten de instandhoudingsdoelstellingen van het betrokken gebied in gevaar kunnen brengen, moeten worden geïnventariseerd. Rekening houdend met de conclusies van de beoordeling van de gevolgen van het plan of project voor het betrokken gebied, mag de overheid dergelijk plan of project pas goedkeuren nadat zij zekerheid heeft verkregen omtrent het feit dat het geen schadelijke gevolgen heeft voor de natuurlijke kenmerken van het betrokken gebied. Die zekerheid is voorhanden “wanneer er wetenschappelijk gezien redelijkerwijs geen twijfel bestaat dat er geen schadelijke gevolgen zijn”. Een passende beoordeling is geen loutere vormvereiste voor sommige vergunningsaanvragen, maar een specifiek onderzoek dat moet worden gevoerd vooraleer sommige vergunningen kunnen worden verleend. Te dezen wordt in het bestreden besluit overwogen dat de beoogde inrichting zal grenzen aan het Vogel- en Habitatrichtlijngebied "Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek" en dat‚ "gezien de aard van de exploitatie, er geen betekenisvolle aantasting is van de natuurlijke kenmerken van het Habitat- of Vogelrichtlijngebied". Nergens wordt evenwel aangegeven dat er een screening zou zijn gebeurd overeenkomstig artikel 36ter van het natuurbehouddecreet. De nabijheid van de speciale beschermingszone komt wel ter sprake, maar er is geen duidelijke, concrete beoordeling terug te vinden als zou een mogelijke betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken met zodanige zekerheid kunnen worden uitgesloten dat een passende beoordeling overbodig is. De voormelde overweging komt dan ook voor als een loutere stijlformule. Met de verzoekende partij moet worden vastgesteld dat de adviezen waar de verwerende partij naar verwijst zich beperken tot een algemene formule. Er blijkt niet uit dat een screening overeenkomstig artikel 36ter van het natuurbehouddecreet heeft plaatsgevonden, zodat niet dienstig naar deze adviezen kan worden verwezen. Daarvoor zou uit de betrokken adviezen immers moeten blijken dat werd onderzocht of de exploitatie een risico zou inhouden van een VII-40.291-12/15 betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de nabijgelegen speciale beschermingszone. Dit is te dezen niet het geval. Artikel 16, § 1, van het natuurbehouddecreet luidt: “In het geval van een vergunningsplichtige activiteit, draagt de bevoegde overheid er zorg voor dat er geen vermijdbare schade aan de natuur kan ontstaan door de vergunning of toestemming te weigeren of door redelijkerwijze voorwaarden op te leggen om de schade te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen”. Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat met “vermijdbare schade” wordt bedoeld: “die schade die kan vermeden worden door de activiteit op een andere wijze uit te voeren (bvb. met andere materialen, op een andere plaats, ...)” (Parl. St. Vl. Parl. 2001-02, nr. 967/1, p. 17). Onvermijdbare schade is dan “de schade die men hoe dan ook zal veroorzaken, op welke wijze men de activiteit ook uitvoert”. Uit de bestreden beslissing, of minstens uit de stukken van het dossier, moet blijken dat de vergunningverlenende overheid de haar door voormeld artikel opgelegde zorgplicht is nagekomen. Overeenkomstig de aangehaalde bepaling, dient elke overheid die wordt gevat door een vergunningsaanvraag er zorg voor te dragen dat door het opleggen van voorwaarden of het weigeren van de vergunning er geen vermijdbare schade aan de natuur ontstaat. Er wordt in de bestreden beslissing niet verwezen naar een natuurtoets en het administratief dossier blijkt er evenmin een te bevatten. In het bestreden besluit wordt overwogen dat “de ontluchtingsleidingen voorzien worden ter hoogte van de vulmonden voor de ondergrondse houders; dat deze ontluchtingsleidingen zich op meer dan 3 m van de perceelsgrens bevinden en tenminste 3 m hoog zijn; dat er een verwaarloosbare impact op de luchtkwaliteit verwacht wordt ten gevolge van de opslag en de verdeling van benzine”, “dat de exploitatie gelegen is langs de N763 en zich in een industriegebied bevindt; dat de impact op de mobiliteit en het geluid als beperkt tot verwaarloosbaar beschouwd wordt” en dat de beoogde inrichting zal grenzen aan VII-40.291-13/15 het Vogel- en Habitatrichtlijngebied “Mechelse heide en vallei van de Ziepbeek”. Vervolgens wordt besloten dat “gezien de aard van de exploitatie, er geen betekenisvolle aantasting is van de natuurlijke kenmerken van het Habitat- of Vogelrichtlijngebied en er door de beoogde exploitatie geen onvermijdbare en onherstelbare schade wordt veroorzaakt aan de natuur in het VEN-gebied”. Het blijkt evenwel niet dat de aanwezige natuurlijke kenmerken van de onmiddellijke omgeving in het oordeel werden betrokken of dat de vermijdbaarheid van de natuurschade werd onderzocht. Uit de conclusie dat er geen “betekenisvolle aantasting” is van de natuurlijke kenmerken van het Habitat- of Vogelrichtlijngebied, blijkt nochtans dat de verwerende partij aanneemt dat de beoogde activiteit - al dan niet vermijdbare - schade aan de natuur zal toebrengen. Het gegeven dat die schade niet “betekenisvol” zou zijn, doet niets af aan deze vaststelling. De verzoekende partij maakt aldus aannemelijk dat de verwerende partij tekort is geschoten aan de ingeroepen zorgplicht. Het tweede middel is gegrond. BESLISSING
- De Raad van State vernietigt het besluit van de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw van 29 maart 2018 waarbij het beroep tegen het besluit van de deputatie van de provincie Limburg van 5 oktober 2017, houdende weigering van de vergunning aan de nv A.L.G. Genk Noord voor het exploiteren van een nieuw bevoorradingsstation voor motorvoertuigen aan de Steenweg naar As 16 te Maasmechelen, gegrond wordt verklaard en de gevraagde vergunning onder voorwaarden wordt verleend.
- Dit arrest dient bij uittreksel te worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. VII-40.291-14/15
- De verwerende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.291-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.485 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div