← België

Arrest 249486 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 14/01/2021

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 14 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.486 Rolnummer: A. 229455/VII-40676 Zaak: Arrest 249486 - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen - 14/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-22 Raadplegingen: 79 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.486 van 14 januari 2021 Sociale zaken en volksgezondheid - Artsen, geneesheren-specialisten en dierenartsen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.486 van 14 januari 2021 in de zaak A. 229.455/VII-40.676 In zake : Françies COUCKE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Christophe Coen kantoor houdend te 2018 Antwerpen Mechelsesteenweg 210A, bus 10 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het RIJKSINSTITUUT VOOR ZIEKTE- EN INVALIDITEITSVERZEKERING woonplaats kiezend te 1150 Brussel Tervurenlaan 211 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep 1. Het cassatieberoep ingesteld op 31 oktober 2019, strekt tot de nietigverklaring van de (tussen)beslissing van de nederlandstalige Kamer van beroep, ingesteld bij de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle (DGEC) van het RIZIV, van 24 september 2019, houdende uitspraak over het beroep tegen de beslissing van de Kamer van eerste aanleg van 21 december 2017. II. Verloop van de rechtspleging 2. Het cassatieberoep is toelaatbaar verklaard bij beschikking van 28 november 2019. De verwerende partij heeft een memorie van antwoord en verzoeker heeft een memorie van wederantwoord ingediend. VII-40.676-1/33 Eerste auditeur Anja Somers heeft een verslag opgesteld, op grond van artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State. Verzoeker heeft een verzoek tot voortzetting van de procedure teneinde te worden gehoord ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 17 december 2020. Kamervoorzitter Eric Brewaeys heeft verslag uitgebracht. Advocaat Christophe Coen, die verschijnt voor verzoeker, is gehoord. Eerste auditeur Anja Somers heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973. III. Feiten 3.1. Na een onderzoek naar het voorschrijven van groeihormonen door verzoeker werd hem het volgende ten laste gelegd: “Het opmaken, ondertekenen en uitreiken van aanvragen voor tegemoetkoming van farmaceutische producten opgenomen in Hoofdstuk IV van de lijst van de vergoedbare specialiteiten (bijlage I van het KB van 21/12/2001) zonder dat aan de wettelijke vergoedingsvoorwaarden werd voldaan, waardoor tussen augustus 2008 en april 2010 deze farmaceutische producten ten onrechte werden in rekening gebracht aan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.” VII-40.676-2/33 Dit betreft volgens de DGEC een inbreuk op artikel 73bis, 2° van de ZIV-wet en op het voormelde hoofdstuk IV betreffende de medicatie (terugbetalingsmodaliteiten biosynthetisch somatropine, (Genotonorm, Nutropinaq). 3.2. De Kamer van eerste aanleg verklaart op 21 december 2017 de vordering van de DGEC bij het RIZIV ten aanzien van verzoeker ontvankelijk en gegrond. Hij werd veroordeeld tot: -de terugbetaling van de waarde van de ten laste gelegde verstrekkingen voor een bedrag van 253.475,59 euro; -de betaling van een administratieve geldboete voor een bedrag van 200 euro te vermeerderen met 4,5 opdecimen (en derhalve te vermenigvuldigen met 5,5). 3.3. Verzoeker heeft hoger beroep aangetekend tegen deze beslissing. 3.4. Bij arrest van 24 september 2019 oordeelt de Kamer van beroep dat het middel gesteund op het gebrek aan onafhankelijkheid niet kan worden bijgetreden, dat op de vorderingen gesteund op een schending van de Salduz –leer of van de rechten van verdediging niet kan worden ingegaan, dat de ingeroepen schending van de redelijke termijn geen grond oplevert om bij voorbaat te moeten besluiten tot de onontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde en dat het middel van onontvankelijkheid in zoverre dit steunt op de onduidelijkheid van de tenlastelegging of de verjaring niet kan worden bijgetreden. In die mate wordt de beslissing bestreden. De Kamer van beroep besluit ambtshalve tot de heropening van de debatten ten einde de partijen te horen over de tenlasteleggingen, nadat zij in conclusies hun standpunt hierover hebben meegedeeld en de desbetreffende stavende stukken concreet hebben aangeduid en/of toegevoegd aan hun stukkenbundel VII-40.676-3/33 3.5. De aangevochten onderdelen van het bestreden arrest steunen op volgende motieven: “[…] 5.2. De gegrondheid van het hoger beroep 5.2.1. De onafhankelijkheid van de Kamer van beroep 13. De appellant werpt op dat de artikelen 151, § 1 van de Grondwet en artikel 6. 1. van het EVRM geschonden zijn omdat het huidig geschil niet wordt beslecht door een onpartijdige en onafhankelijke rechter. Deze stelling kan evenwel niet worden bijgetreden. 14. De Kamer van beroep doet in deze zaak uitspraak als administratief rechtscollege met volle rechtsmacht (cf. RvSt 14 februari 2013, nr. 222.509, www.raadvst-consetat. be). Deze uitspraak komt in de plaats van deze van de Kamer van eerste aanleg, ongeacht of het hoger beroep wordt ingewilligd of afgewezen. Dit betekent dat de vraag of de Kamer van eerste aanleg al dan niet een onafhankelijke en onpartijdige instantie is, in de huidige stand van de zaak geen weerslag heeft op de oplossing van het geschil. Op deze vraag dient thans dan ook niet te worden ingegaan (cf. RvSt 14 februari 2013, nr. nr. 222. 509; www. raadvstconsetat.be). 15. Het recht op een eerlijk proces vereist dat de Kamer van beroep als rechterlijke instantie onafhankelijk is van de partijen betrokken in de zaak. Gelet op het geheel van de wettelijke bepalingen en uitgangspunten in zake de benoeming, de samenstelling en de bevoegdheid van de Kamer van beroep, is de onafhankelijkheid van dit rechtscollege ten aanzien van de partijen in deze zaak en in het bijzonder ook ten aanzien van het RIZIV en haar diensten (zoals de DGEC) gewaarborgd en dit om volgende redenen. De Kamer van beroep is overeenkomstig artikel 145, § 1 van de ZIV-wet 1994 samengesteld uit: “1° een door de Koning benoemde voorzitter, raadsheer, in functie of emeritus, plaatsvervangend of toegevoegd, bij de in artikel 40 van de Grondwet bedoelde hof van beroep of arbeidshof, of een magistraat van het Openbaar ministerie bij deze hoven, als werkend lid; 2° twee leden, artsen, met raadgevende stem, benoemd. door de Koning uit de kandidaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen op dubbele lijsten, als werkende leden; 3° twee leden, met raadgevende stem, benoemd door de Koning uit de kandidaten die op dubbele lijsten worden voorgedragen door de groepen die respectievelijk zijn bedoeld in artikel 140, § 1, eerste lid, 3°, 5B~tot 21°, als werkende leden. Deze leden hebben slechts zitting voor de zaken welke de groep die hen heeft voorgedragen, rechtstreeks aanbelangen.” In de huidige zaak is de Kamer van beroep overeenkomstig deze bepaling samengesteld uit een magistraat-voorzitter, uit twee leden, artsen, VII-40.676-4/33 voorgedragen door de verzekeringsinstellingen en uit twee leden, artsen, voorgedragen door de representatieve verenigingen van artsen. Deze leden zijn, zoals bij wet voorgeschreven, benoemd door de Koning. De duur van het mandaat van de voorzitter en de leden van de Kamer van beroep is bepaald op vier jaar en is hernieuwbaar (art. 145, § 2, derde lid ZIV-Wet 1994). Enkel de voorzitter-magistraat van de Kamer van beroep, die uit de aard van zijn/haar functie waakt over de onafhankelijkheid van de Kamer, heeft beslissingsbevoegdheid. De overige leden hebben enkel een raadgevende stem. Zij leggen de bij decreet van 20 juli 1831 voorgeschreven eed af betreffende de naleving van de wet (art. 145, § 9 van de ZIV-wet 1994, ingevoegd bij wet van 19 maart 2013). Deze raadgevende leden zetelen niet ais vertegenwoordiger van een verzekeringsinstelling of de beroepsgroep die hen heeft voorgedragen, maar in hun persoonlijke naam (cf. RvSt 14 februari 2013, nr. 222.509; RvSt 3 november 2016, nr. 236. 345, www.raadvst-consetat.be). Ook de raadgevende leden adviseren bijgevolg vrij en naar eigen goeddunken. Zij hebben geen instructies te ontvangen van de verzekeringsinstelling of van de beroepsgroep die hen heeft voorgedragen. Het mandaat van de. raadgevende leden is onverenigbaar is met dat van lid van het Comité van de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle (art. 145, § 2, tweede lid ZIV-wet 1994). Alle voormelde elementen worden in acht genomen, dient te worden vastgesteld dat het wettelijk kader, zoals toegepast in de praktijk, de nodige waarborgen biedt inzake de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de Kamer van beroep, opdat het recht op een eerlijk proces wordt gewaarbord. 16. De elementen die de appellant aanvoert, ondergraven de voormelde rechten en waarborgen niet. Dit geldt vooreerst voor de stelling dat enkel de Orde van artsen als een representatieve organisatie kan worden beschouwd, doch deze geen leden van de Kamer van beroep mag voordragen. Welke impact deze bemerking kan hebben op de onafhankelijkheid van de artsen die werden voorgedragen en die zetelen in de Kamer van beroep, is immers de vraag. Hierop wordt door de appellant niet ingegaan. Daarnaast merkt de appellant op dat de verzekeringsinstellingen in deze zaak de belangen van de adviserende artsen zouden verdedigen en belangrijke schuldeisers zijn van het RIZIV. De verzekeringsinstellingen zijn ter zake evenwel geen partij en worden, zoals hoger reeds vermeld, in de Kamer van beroep evenmin vertegenwoordigd. Het andersluidend uitgangspunt van de appellant kan dan ook geen argument opleveren om de onafhankelijkheid van de Kamer van beroep in vraag te moeten stellen. Verder beroept de appellant zich op het feit dat de artsen, die in de Kamer van beroep zetelen, duidelijk concurrenten zouden zijn van de zorgverlener waarmee het RIZIV een geschil heeft. Om welke reden de leden die deel uitmaken van de Kamer van beroep in de huidige zaak kunnen geacht worden een concurrentieel tegenstrijdig belang VII-40.676-5/33 te hebben bij een vordering tot terugbetaling van ten onrechte aangerekende verstrekkingen, gesteld ten aanzien van de appellant, is echter de vraag. Hierop blijft de appellant het antwoord schuldig (cf. RvSt 14 februari 2013, nr. 222.509). Tenslotte verwijst de appellant naar de principes van objectieve onpartijdigheid zoals vastgelegd door het Europees Hof van de Rechten van de Mens in onder meer het arrest van dit hof van 25 april 2015 (Morice t/Frankrijk), alsook naar het feit dat er geen schijn van partijdigheid mag zijn. Op basis van welke elementen er conform deze rechtspraak aanleiding zou zijn om te besluiten tot een gebrek aan onafhankelijkheid of onpartijdigheid, wordt echter niet vermeld. De Kamer van beroep kan enkel vaststellen dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens reeds meer dan eens oordeelde dat de schijn van partijdigheid of de vrees omtrent het gebrek aan onpartijdigheid en onafhankelijkheid ten aanzien van de Kamer van beroep niet objectief gestaafd zijn (cf. EHRM 18 december 2018, Depraetere t/ België (n° 52691/13), met verwijzing naar EHRM 20 april 2006, Defalque V België (n° 37330/02). 17. De Kamer van beroep besluit dan ook dat het middel gesteund op het gebrek aan onafhankelijkheid kan niet worden bijgetreden. 5. 2.2. De schending van de Salduz-leer 18. De appellant stelt dat de vorderingen van de geïntimeerde onontvankelijk zijn omdat de Salduz-rechtspraak/-leer bij het verhoor werd geschonden. Hij klaagt met name aan dat zijn raadsman, die aanwezig was bij het verhoor, dit niet langer mocht bijwonen vanaf het ogenblik dat de patiëntendossiers ter sprake kwamen (cf. proces-verbaal van verhoor van 23 juni 2010). De appellant besluit dat er sprake is van een inbreuk op artikel 6 EVRM en op de Salduz-rechtspraak/-leer, zoals verder uitgewerkt in de Richtlijn 2013/EU/48. De Kamer van beroep is van oordeel dat deze stelling evenwel niet kan worden bijgetreden om volgende redenen. 19. Vooreerst moet worden opgemerkt dat de rechten die artikel 6 EVRM volgens de Salduz-rechtspraak, alsook volgens de Richtlijn 2013/EU/48 omvat - met name het recht op bijstand van een advocaat, het non-incriminatierecht, het zwijgrecht en de desbetreffende cautieplicht-, pas van toepassing zijn wanneer er sprake is van een beschuldiging en de persoon als verdachte wordt verhoord. Ter zake kan echter niet worden vastgesteld dat de appellant in die hoedanigheid zou zijn gehoord. Daartoe volstaat het immers niet om vast te stellen dat er een vermoeden van een inbreuk bestaat. Dit vermoeden moet ook voldoende concreet zijn. Dat dit voorafgaand aan het verhoor van de appellant reeds het geval was, wordt door hem niet ingeroepen, noch aangetoond. Daartegenover staat overigens dat het proces-verbaal van vaststelling, waarbij hij werd beschuldigd van inbreuken, pas dateert van na zijn verhoor VII-40.676-6/33 (cf. VAN DE WEYER, P. en LIERMAN, S, “Rechten van verdediging in een administratieve sanctieprocedure bij de Dienst voor Geneeskundige Evaluatie en Controle”, T. Gez., 2017-18, afl. 4, blz. 240). 20. In de tweede plaats dient ten aanzien van de Salduz-rechtspraak van het EHRM waarnaar de appellant venwijst, te worden opgemerkt dat deze betrekking heeft op personen die zijn aangehouden, of die door de politie worden verhoord en nood hebben aan bescherming tegen onjuiste dwang van de overheid. Het betreft met andere woorden personen die zich in een kwetsbare positie bevinden. Zoals door het Hof van Cassatie werd beslist bij arrest van 17 april 2012, kan er ten aanzien van een verhoor door sociaal inspecteurs evenwel niet bij voorbaat worden vastgesteld dat de verhoorde persoon zich in een kwetsbare positie bevindt. De sociaal inspecteurs beschikken immers slechts over beperkte bevoegdheden en zijn niet in de mogelijkheid om de vrijheid van de verhoorde persoon te benemen, noch om andere dwangmaatregelen te gebruiken (cf. Cass. 17 april 2012, P. 11.0975, TGRnVW2012, afl. 4. 283). 21. Ten slotte blijkt er ter zake ook geen aanleiding te zijn om te besluiten tot een schending van de rechten van verdediging. De appellant haalt aan dat het niet mogelijk was om advies te bekomen van zijn raadsman om anders en beter te antwoorden op de gestelde vragen, noch om door zijn raadsman een voorstel tot schorsing van hef verhoor te laten doen met het oog op de voorlegging van stukken uit het patiëntendossiers, noch om via zijn raadsman er op te wijzen dat verdere onderzoeksdaden nodig waren of om na overleg met zijn raadsman opmerkingen te formuleren. Geen van de voormelde argumenten laat echter toe om te besluiten dat de rechten van verdediging onherroepelijk zouden geschaad zijn. Vooreerst dient te worden opgemerkt dat het eerste deel van het verhoor van de appellant verliep met bijstand van zijn raadsman. Bovendien betwist de appellant niet dat de afspraak voor het verhoor op voorhand is gemaakt en dat hij via de uitnodigingsbrief werd geïnformeerd over de lijst van alle te bespreken verzekeren. Bijgevolg was het mogelijk om hierover vooraf te overleggen met zijn raadsman en om de dossiers klaar te leggen voor het onderhoud. Klaarblijkelijk werd ervoor gekozen om dit laatste niet te doen. Verder blijkt uit het proces-verbaal van verhoor niet dat er sprake was van enige dwang om zelfincriminerende verklaringen af te leggen. Over welke verklaringen het dan wel zou gaan, is overigens de vraag. Ten slofte werd het proces-verbaal van verhoor van 23 juni 2010 bij aangetekende brief van 1 juli 2010 ter kennis gebracht van de appellant. Ook dit liet hem toe om hierop met bijstand van zijn raadsman opmerkingen te formuleren, verdere onderzoeksdaden te vragen, patiëntendossiers voor te leggen,.... Op grond van de voormelde overwegingen besluit de Kamer van beroep dat de voorwaarden om te spreken van een schending van artikel 6 EVRM of van de Salduz-rechtspraak niet vervuld blijken te zijn. VII-40.676-7/33 22. In zoverre er alsnog redenen zouden zijn om te besluiten tot een verhoor van de appellant als verdachte en tot een miskenning van bepaalde rechten opgelegd door de Salduz-leer, werd er hoe dan ook niet aangetoond dat de inbreuk in voorkomend geval aanleiding geeft tot de onontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde. Dat het recht op een eerlijk proces hierdoor onherstelbaar zou zijn aangetast, kan immers niet automatisch worden aangenomen (cf. Cass. 23 november 2010, RW 2011-12, 308-314; Cass. 14 oktober 2014, P. 14. 0666. N). Dit werd in de gegeven omstandigheden ook niet aangetoond. In dit verband past het vooreerst op te merken dat aan de appellant zowel in het kader van de procedure voor de Kamer van eerste aanleg, als voor de Kamer van beroep de gelegenheid werd geboden om verweer te voeren, om in voorkomend geval op zijn verklaringen terug te komen en om patiëntendossiers voor te leggen. Bovendien werden de inbreuken niet louter gesteund op de verklaringen afgelegd door de appellant in het kader van zijn verhoor, maar ook op basis van de aanvragen tot tegemoetkoming en van de voorschriften die voor het groeihormoon en voor de andere farmaca zijn afgeleverd. 23. Op grond van deze overwegingen besluit de Kamer van beroep dat op de vorderingen van de appellant gesteund op een schending van de Salduz-leer of van de rechten van verdediging niet kan worden ingegaan (cf. RvSt 18 november 2014, nr. 229. 197). 5.2.3. De schending van de redelijke termijn en van de rechten van verdediging 24. De appellant stelt dat de redelijke termijn en de rechten van verdediging zijn geschonden doordat er nagenoeg 3 jaar verlopen zijn tussen het verhoor en het inleidend verzoekschrift. De geïntimeerde betwist dit omdat de vordering is ingesteld binnen de bij wet bepaalde termijn. 25. Overeenkomstig artikel 142, § 3, 3° van de ZIV-wet 1994, dat ter zake van toepassing is, dient de betwisting te worden ingeleid bij de Kamer van eerste aanleg binnen een termijn van 3 jaar te rekenen vanaf het proces-verbaal van vaststelling. Dit wettelijk uitgangspunt wordt op zich niet in vraag gesteld. De appellant betwist evenmin dat deze termijn ter zake werd gerespecteerd. Dit is terecht : het proces-verbaal van vaststelling dateert immers van 15 september 2010 en de zaak werd ingeleid op 2 april 2013. 26. De appellant stelt dat de termijn onredelijk lang is omdat er na het verhoor niets is gebeurd en het na 3 jaar moeilijker is om zijn verdediging voor te bereiden, temeer daar zijn raadsman bij het verhoor geweerd werd. Deze stelling kan evenwel niet worden gevolgd. Zij gaat voorbij aan het feit dat de appellant na het verhoor van 23 juni 2010 in eerste instantie bij brief van 1 juli 2010 in kennis is gesteld van het desbetreffende proces-verbaal met verwijzing naar de voorwaarden die na te leven zijn bij het voorschrijven van groeihormonen en met opgave van de namen van de patiënten waarover hieromtrent vragen zijn gesteld. VII-40.676-8/33 Vervolgens werd hem ook het proces-verbaal van vaststelling van 15 september 2010 overgemaakt, waarin per patiënt werd vermeld welke geneesmiddelen er volgens de DGEC ten onrechte zijn afgeleverd. De desbetreffende aangetekende zendingen blijken weliswaar tot twee maal toe als onbesteld te zijn teruggekeerd, doch dit belet echter niet dat het proces-verbaal van verhoor reeds toeliet om voorzorgsmaatregelen te nemen omtrent een mogelijk later verweer. Daarenboven werd ook niet aangetoond dat het tijdsverloop in deze zaak de mogelijkheid om stukken te voegen of om verweer te voeren, zou hebben gehypothekeerd. In welke zin dit het geval zou zijn, wordt immers niet nader uitgelegd. Dat de bedoelde stukken of verweermogelijkheden ter zake bepalend kunnen zijn, blijkt evenmin. 27. Op grond van deze overwegingen besluit de Kamer van beroep dat de ingeroepen schending van de redelijke termijn geen grond oplevert om bij voorbaat te moeten besluiten tof de onontvankelijkheid van de vordering van de geïntimeerde. 5.2.4. De onduidelijkheid van de tenlastelegging 28. De appellant werpt op dat uit de tenlastelegging niet kan worden afgeleid welke handelingen in de tijd en plaats bepaalbaar, precies bedoeld worden. Dit maakt volgens hem eveneens een schending uit van de rechten van verdediging. De geïntimeerde betwist dit middel omdat de tenlastelegging in het proces-verbaal van vaststelling, in de synthesenota en in het inleidend verzoekschrift voldoende duidelijk werd omschreven. 29. De Kamer van beroep stelt vast dat de tenlastelegging in de voormelde stukken telkens luidt als volgt : “Het opmaken, ondertekenen en uitreiken van aanvragen voor tegemoetkoming van farmaceutische producten opgenomen in Hoofdstuk IV van de lijst van de vergoedbare specialiteiten (bijlage I van het K. B. van 21/12/2001) zonder dat aan de wettelijke vergoedingsvoorwaarden werd voldaan, waardoor tussen augustus 2008 en april 2010 deze farmaceutische producten ten onrechte werden in rekening gebracht aan de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen.” Bovendien werd in het proces-verbaal van vaststelling, in de synthesenota en in de gevalsbespreking ook de lijst gevoegd van de betrokken patiënten en van de farmaceutische producten die per patiënt ten onrechte in rekening zijn gebracht in de periode tussen september 2008 en april 2010. Aan de hand van de voormelde elementen werd ten aanzien van de appellant, als zorgverlener die de aanvragen voor de tegemoetkoming voor de met name genoemde patiënten en farmaceutische producten (groeihormonen) heeft opgemaakt en deze heeft voorgeschreven, dan ook voldoende duidelijk gemaakt op welke handelingen in tijd en ruimte de inbreuken slaan. 30. De appellant stelt dat de omschrijving van de tenlastelegging ten minste aangeeft dat bepaalde feiten hieronder niet vallen of verjaard zijn. VII-40.676-9/33 Dit geldt volgens hem met name voor tenlasteleggingen die hun oorsprong vinden in feiten die dateren van vóór 1 augustus 2010 of die gepleegd zijn vóór 23 juni 2008. Deze redenering, die klaarblijkelijk is gesteund op de data van de aanvragen van tegemoetkoming door de ziekteverzekering in de kosten van het groeihormoon, kan echter niet worden bijgetreden. Artikel 142, § 2, tweede lid van de ZIV-wet, zoals van toepassing ten tijde van de feiten en op het ogenblik van het proces-verbaal van vaststelling, bepaalt ten aanzien van de processen-verbaal van vaststelling immers het volgende: “Op straffe van verval moeten deze processen-verbaal zijn opgesteld binnen twee jaar vanaf de datum waarop de verzekeringsinstellingen de documenten betreffende de strafbare feiten hebben ontvangen.” Artikel 174, eerste lid, 10° van de ZIV-wet luidde op het ogenblik van de feiten als volgt: “(...) 10° Voor de toepassing van artikel 142, § 1, moeten de vaststellingen, op straffe van nietigheid, binnen de twee jaar plaatsvinden:

  1. a)te rekenen vanaf de datum waarop de verzekeringsinstellingen de documenten betreffende de strafbare feiten hebben ontvangen.” Het uitgangspunt van de termijn van twee jaar is bijgevolg niet het tijdstip waarop de inbreuk of het strafbaar feit werd begaan, maar het ogenblik waarop de verzekeringsinstellingen de desbetreffende documenten hebben ontvangen. Aangezien het proces-verbaal van vaststelling dateert van 15 september 2010 en werd verzonden op 21 september 2010, werd de termijn van twee jaar gerespecteerd ten aanzien van de documenten ontvangen tussen oktober 2008 en april 2010. Dat de documenten betreffende de aanrekening van de groeihormonen tussen september 2008 ]en april 2010 pas vanaf oktober 2008 zijn ontvangen, staaf op zich trouwens niet ter discussie. Dat de desbetreffende aanvragen of voorschriften dateren van vóór deze periode is geen reden om te besluiten dat de vaststellingen laattijdig zouden zijn gedaan, noch om de feiten als verjaard te beschouwen. 31. Het middel van onontvankelijkheid kan, in zoverre dit wordt gesteund op de onduidelijkheid van de tenlastelegging of de verjaring, niet worden bijgetreden. 5.2.5. De gegrondheid van de vordering 5.2.5.1. De wettelijke basis […] 33. De appellant stelt vooreerst de rechtskracht in vraag van de lijst van de vergoedbare specialiteiten en van de wettelijke vergoedingsvoorwaarden daarin bepaald. Als reden daartoe wordt opgegeven dat deze lijst niet in het Belgisch Staatsblad werd gepubliceerd als bijlage bij het KB van 21 december 2001. Het is juist dat de bijlage I bij het Koninklijk besluit van 21 december tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige VII-40.676-10/33 verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten niet samen met dit Koninklijk besluit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. Dit belet echter niet dat de bedoelde bijlage werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2002 en als dusdanig gevoegd werd bij het Koninklijk besluit van 18 februari 2002 tot bevestiging van de lijst van de op 1 januari 2002 vergoedbare farmaceutische specialiteiten, bedoeld in artikel 34, eerste lid, 5° b en c van de ZIV-wet. Krachtens artikel 1 van dit Koninklijk besluit van 18 februari 2002 wordt deze bijlage 1 bovendien toegevoegd aan het Koninklijk besluit van 21 december 2001. Krachtens artikel 2 van het Koninklijk besluit van 18 februari 2002 treedt dit besluit in werking op datum van bekendmaking in het Belgische Staatsblad, zijnde 8 maart 2002. Bijgevolg heeft de bijlage I bij het Koninklijk besluit van 21 december 2002 vanaf deze laatste datum zonder twijfel rechtskracht. Het argument van appellant, nl. dat de lijst gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2002 niet de lijst zou zijn die gevoegd was bij het Koninklijk besluit van 21 december 2001, maar een aangepaste oude lijst gevoegd bij het Koninklijk besluit van 2 september 1980, doet aan de voormelde vaststelling geen afbreuk. Voortaan had de lijst zoals gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2002 rechtskracht vermist zij, zoals reeds vermeld, bij Koninklijk besluit van 18 februari 2002 werd toegevoegd aan het Koninklijk besluit van 21 december 2001. Ook de bemerking van de appellant dat in de aldus gevoegde lijst nog verwijzingen zijn opgenomen naar wijzigingsbesluiten van het Koninklijk besluit van 2 september 1980, is geen reden om anders te oordelen. Dat dergelijke verwijzingen terzake dienend zijn of slaan op de vergoedbare specialiteiten die ter zake aan de orde zijn, blijkt overigens niet. 34. De appellant stelt in de tweede plaats dat aan de hand van de lijst van vergoedbare specialiteiten ten onrechte werd geoordeeld dat er aanvragen zijn opgesteld zonder dat aan de wettelijke vergoedingsvoorwaarden werd voldaan. Dit argument raakt aan de tenlastelegging zelf en niet aan de wettelijke basis van de inbreuk. Dit komt pas aan bod bij de bespreking van de tenlastelegging per verzekerde (cf. verder nr. 37). De appellant werpt bovendien op dat de geïntimeerde in de tenlastelegging verwijst naar de hoofdstuk IV van de bedoelde lijst zoals deze in voege was vanaf 1 augustus 2008, terwijl tal van aanvragen dateren van voordien. Ook dit argument doet geen afbreuk aan de wettelijke basis. Uit een vergelijking in de tijd van de vergoedbaarheidsvoorwaarden van het groeihormoon bij volwassenen blijkt immers dat de kernvoorwaarden van meet af aan dezelfde waren, nl. dat voorafgaand aan het aanvatten van de therapie met groeihormoon een suppletietherapie moet zijn ingesteld voor een andere hypofysaire hormoondeficiëntie, die tezamen met de groeihormoondeficiëntie werd gediagnosticeerd (cf. de voorwaarden op de lijst gepubliceerd in het B.S, van 8 maart 2002 op blz. 9314, cf. Ministerieel besluit van 12 januari 2006 tot wijziging van de lijst gevoegd bij het Koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de VII-40.676-11/33 procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten, B.S. 20 januari 2006 (ed. 3), blz. 3482-3483). Vermits een schending van deze kernvoorwaarden ter zake aan de orde is gesteld, is er geen reden om te twijfelen aan de wettelijke basis ervan en dit zowel voor als na 1 augustus 2008. Voor het overige kan enkel worden herhaald dat ook de aanvragen tot tegemoetkoming van v66r 1 augustus 2008 in aanmerking kunnen worden genomen, in zoverre zij nadien - in de periode vanaf September 2008 tot april 2010 - aanleiding hebben gegeven tot het ten onrechte laten aanrekenen van de prestaties nadien (cf. hoger nr. 30). 35. De appellant betwist ten slotte dat de ingeroepen feiten onder het toepassingsgebied van artikel 73bis, 2° van de ZlV-wet kunnen vallen, zijnde de bepaling waarop de geïntimeerde zich beroept om te besluiten tot de bestraffing ervan overeenkomstig artikel 142 van dezelfde wet. Artikel 73bis, 1° en 2° van de ZlV-wet, zoals ingevoegd bij wet van 13 december 2006 en voor de aanpassing ervan bij wet van 29 maart 2012, luidde als volgt: „(…) Onverminderd eventueel straf- en/of tuchtrechtelijke vervolging, en onafgezien van de bepalingen uit de overeenkomsten of verbintenissen bedoeld in Titel HI, is het de zorgverleners en gelijkgestelden verboden, op straffe van maatregelen voorzien in artikel 142, § 1: 1° reglementaire documenten voorzien in deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan op te stellen, te laten opstellen, af te leveren of te laten afleveren wanneer de verstrekkingen niet werden verfeend of afgeleverd; 2° hogervermelde reglementaire documenten op te stellen, te laten opstellen, af te leveren of te laten afleveren wanneer de verstrekkingen niet voldoen aan de voorwaarden bepaald in deze wet, zijn uitvoeringsbesluiten of de krachtens deze wet afgesloten overeenkomsten en akkoorden; (…)‟ De appellant betwist dat de toepassing van net voormelde 2° van artikel 73bis kan worden ingeroepen, omdat het voorschrijven van farmaceutische specialiteiten geen verstrekking van zorgen of behandeling betreft. Dit laatste is terecht, doch belet niet dat de ingeroepen inbreuken tot het toepassingsgebied van artikel 73bis, 2° van de ZIV-wet kunnen gerekend worden. Aan de appellant wordt niet het verstrekken van geneesmiddelen ten laste gelegd, maar wel het feit dat hij reglementaire documenten, nl. aanvragen voor de toekenning van vergoedbare specialiteiten, heeft opgesteld en afgeleverd terwijl de behandeling die hij verstrekt niet aan de desbetreffende vergoedingsvoorwaarden voldoet. Dergelijke inbreuk ressorteert onder het toepassingsgebied van artikel 73bis, 2° van de ZlV wet. 5.2.5.2. De machtiging van de adviserende geneesheer van de verzekeringsinstelling VII-40.676-12/33 36. De appellant stelt dat hem geen inbreuken ten laste kunnen worden gelegd vermits hij voor de farmaceutische specialiteiten die hij heeft voorgeschreven, enkel een verslag diende op te stellen waaruit blijkt dat naar zijn mening aan de criteria is voldaan en hij geen reglementaire formulieren moest indienen waarin uitdrukkelijk moet worden bevestigd dat de voorwaarden voor terugbetaling verenigd zijn. Ook deze stelling kan evenwel niet worden bijgetreden om volgende redenen. Vooreerst past het op te merken dat in artikel 736/s, 2° van de ZlV-wet niet verwezen wordt naar het opstellen van reglementaire „formulieren‟, maar wel naar reglementaire „documenten‟. Bovendien is het document, nl. het verslag, dat volgens de lijst van vergoedbare specialiteiten van de behandelende endocrino-diabetologie wordt gevraagd, bedoeld als basis voor het verlenen van een machtiging tot vergoeding door de adviserend geneesheer en dient uit dit verslag onder meer te blijken dat aan de vermelde criteria - die als vergoedingsvoorwaarden gelden -, voldaan is. Bijgevolg dient het bedoelde verslag, minstens in zoverre dit moet aantonen dat de vergoedingsvoorwaarden vervuld zijn en het de grondslag vormt voor het verlenen van een machtiging, te worden beschouwd als een „reglementair document‟. Het is immers bedoeld om een vergoeding te bekomen voor de verstrekking van farmaceutische specialiteiten. Dat de adviserende geneesheer aan de hand van dit document dient na te gaan of de voorwaarden vervuld zijn en in voorkomend geval zijn/haar goedkeuring geeft, ontslaat de appellant ook niet van zijn verantwoordelijkheid (cf. RvSt nr. 222.509 van 14 februari 2013). Als zorgverlener in de zin van artikel 2,
  2. n)van de 2IV-wet wordt de appellant immers geacht zijn medewerking te verlenen aan een openbare dienst (cf. Arbitragehof nr. 133/2001 van 30 oktober 2001; Arbitragehof nr. 26/2002 van 30 januari 2002) en de verplichting na te komen om enkel verstrekkingen te laten aanrekenen aan de ziekteverzekering indien de desbetreffende voorwaarden van de nomenclatuur en de regiementaire bepaiingen vervuld zijn.” IV. Middelen A. Eerste middel Standpunt van verzoeker 4. Verzoeker voert de schending aan van artikel 151, §1 van de Grondwet, artikel 6,1 van het EVRM en artikel 145 van de gecoördineerde wet van VII-40.676-13/33 14 juli 1994 betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen. Overeenkomstig artikel 145 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 is de Kamer van beroep samengesteld uit onder meer vier raadgevende leden waarvan er twee worden gekozen uit artsen voorgesteld door de verzekeringsinstellingen. Op de dubbele lijst van de artsen voorgedragen door de verzekeringsinstellingen komen alleen artsen voor die adviserend-geneesheer zijn en in loondienst zijn van de verzekeringsinstellingen. In huidige zaak hebben ook twee artsen tewerkgesteld bij een verzekeringinstelling als raadgevend lid gezeteld. Het koninklijk besluit van 6 juli 2016 waar beide artsen in loondienst werden benoemd, schendt volgens verzoeker artikel 151, §1 van de Grondwet en artikel 6,1 EVRM en is overeenkomstig artikel 159 niet regelmatig. De Kamer van beroep was bij gebreke aan rechtsgeldige benoeming van de raadgevende leden benoemd door de Koning op voordracht van de verzekeringsinstellingen. Overeenkomstig hun staat dienen de adviserende geneesheren in hun taak onafhankelijk te zijn. Wanneer zij evenwel in de Kamer van beroep of de Kamer vaan eerste aanleg bij de DGEC van het RIZIV zetelen, treden zij niet als adviserend geneesheer op maar als arts aangeduid door een verzekeringsinstelling. Het geschil heeft betrekking op de informatie die de adviserend geneesheren kregen van verzoeker. Zij zijn volgens verzoeker betrokken partij. De adviserend geneesheer heeft een actieve rol wanneer door de verzekerde hem het akkoord wordt gevraagd voor terugbetaling van een geneesmiddel. De adviserend geneesheren die lid van het rechtscollege zijn, kunnen onmogelijk bewijzen dat zij onafhankelijk en onpartijdig zijn nu zij VII-40.676-14/33 verbonden zijn met een arbeidsovereenkomst met de verzekeringsinstelling en onder hun leiding en toezicht. De schijn volstaat. Artikel 145 van de ZIV-wet is volgens verzoeker dan ook ongrondwettelijk in de interpretatie dat de verzekeringsinstellingen eigen werknemers mogen voordragen als leden van de Kamer van eerste aanleg en de Kamer van Beroep bij de Dienst Geneeskundige evaluatie en controle bij het RIZIV. Verzoeker suggereert om volgende vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen: “Schendt artikel 145, §1, alinea 2,2° en 3,2° alsook §2 van ZIV wet de artikelen 10 en 11, 151 van de Grondwet en artikel 6, al. 1 EVRM in de interpretatie dat zowel voor de Kamer van eerste aanleg bij de Dienst Geneeskundige evaluatie en controle bij het RIZIV als voor de Kamer van Beroep bij de Dienst Geneeskundige evaluatie en controle bij het RIZIV, wanneer de Koning artsen-werknemers van de verzekeringsinstellingen die onder hun leiding en gezag werken, benoemt als werkend en plaatsvervangend lid van de Kamer van Eerste aanleg of als raadgevend lid of plaatsvervangend lid van de Kamer van Eerste aanleg of als raadgevend of plaatsvervangend raadgevend lid van de Kamer van Beroep uit de kandidaten door de verzekeringsinstellingen voorgedragen op dubbele lijsten, als werkende leden. 5. In de samenvattende memorie zet verzoeker nog het volgende uiteen: “Vermeld arrest bevestigt inderdaad de evenwichtige samenstelling van de Kamer vaan eerste aanleg en de Kamer van Beroep en stelt dat er geen bezwaar is dat er artsen worden benoemd uit lijsten voorgedragen door de verzekeringsinstellingen. Verzoeker in cassatie heeft hiertegen ook geen bezwaar voorzover de artsen die aangeduid worden geen werknemer zijn van de verzekeringsinstellingen daar zij werken onder gezag en leiding van de verzekeringsinstellingen. De voordracht door de verzekeringsinstellingen van werknemers die onder hun gezag en leiding werken, ondermijnt hun onafhankelijkheid en creëert een schijn van partijdigheid. Overigens is thans ook gebleken dat uit het dossier van RIZIV niet achterhaald kan worden welke artsen - adviserende geneesheren de machtigingen die thans ter discussie staan, hebben afgeleverd daar deze zich niet in het dossier bevinden. Het spreekt vanzelf dat een lid van de VII-40.676-15/33 Kamer van Eerste Aanleg of de Kamer van Beroep benoemd uit de lijst van de verzekeringsinstellingen, zich dient terug te trekken zo zijn beslissing ter discussie staat. Door werknemers van verzekeringsinstellingen te benoemen, zijn de leden niet onafhankelijk en ontstaat het risico zoals in casu, dat een lid van de Kamer van eerste aanleg of de Kamer van Beroep zelf een ter discussie staande beslissing heeft genomen. Daar uit dossier niet steeds afgeleid kan worden welke adviserende artsen machtiging heeft verleend, bestaat ook het risico dat de leden van de Kamer van Beroep zelf één van de ter discussie staande beslissingen heeft genomen. Het staat dus volgens verzoeker vast dat werknemers van de verzekeringsinstellingen onmogelijk onafhankelijk kunnen oordelen zodat de voorgestelde prejudiciële vraag zeker aan het Grondwettelijk Hof dient gesteld te worden”. Beoordeling 6. Uit het arrest van het Grondwettelijk Hof nr. 15/2019 van 31 januari 2019 blijkt dat het hof zich reeds uitsprak over de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de rechter in zoverre artikel 145 van de ZIV-wet moet worden geïnterpreteerd dat de twee artsen die met raadgevende stem in de kamer van beroep zetelen, als vertegenwoordigers van de verzekeringinstellingen moeten worden beschouwd. Hierbij wordt ook uitgegaan van het standpunt dat het feit dat de artsen werknemers zijn van de verzekeringinstellingen ertoe leidt dat deze niet onpartijdig en onafhankelijk kunnen zijn. Het Hof oordeelde dat de adviserende artsen geen instructies mogen ontvangen en dat de rol van de verzekeringsinstellingen beperkt is tot de voordracht: “B.6.1. Uit het in het geding zijnde artikel 145, §1, van de ZIV-wet, uit de wordingsgeschiedenis van die bepaling en uit de voormelde parlementaire voorbereiding blijkt dat de kamer van beroep een administratief rechtscollege is dat wordt voorgezeten door een beroepsmagistraat die stemgerechtigd is en bij wie vier, door de Koning benoemde artsen worden gevoegd, waarvan twee kandidaten werden voorgedragen op dubbele lijsten ingediend door de verzekeringsinstellingen, en twee andere kandidaten werden voorgedragen op dubbele lijsten ingediend door de representatieve beroepsorganisaties van de zorgverleners. Die leden-artsen nemen zitting met raadgevende stem als vertegenwoordigers van de verzekeringsinstellingen, wat de eerstgenoemde betreft, of als vertegenwoordigers van de representatieve beroepsorganisaties van de zorgverleners, wat de laatstgenoemden betreft. VII-40.676-16/33 B.6.2. De aanwezigheid binnen de kamers van beroep van de adviserend artsen voorgedragen door de verzekeringsinstellingen werd in de parlementaire voorbereiding van de programmawet van 24 december 2002 verantwoord door het feit dat de verzekeringsinstellingen rechtstreeks betrokken zijn, vermits zij de betwiste prestatie hebben uitbetaald (Parl. St., Kamer, 2002-2003, DOC 50-2125/005, p. 28). Hoewel het juist is dat het luidens artikel 154, eerste lid, van de ZIV-wet, de verzekeringsinstellingen zijn die de adviserende artsen in dienst nemen en bezoldigen, kunnen volgens het tweede en het derde lid van hetzelfde artikel die ambten slechts worden opgedragen aan artsen die beëdigd zijn door de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle, die slechts kunnen worden erkend nadat het Comité van die Dienst de bevoegde Provinciale raad van de Orde der artsen om advies heeft verzocht. Het statuut en de bezoldiging van de adviserend artsen worden bepaald door de Koning (artikel 154, vijfde lid), die ook de regels en de procedure met betrekking tot de toekenning van hun accreditering vaststelt (artikel 154, zesde lid). B.6.3. De aanwezigheid van artsen in de kamer van Beroep wordt verantwoord door hun deskundigheid en door de techniciteit van de materie (vgl. het arrest nr. 133/2001 van 30 oktober 2001). B.6.4. Bij zijn arrest Defalque t. België heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld dat de vroegere samenstelling van de kamers van beroep de onafhankelijkheid en de objectieve onpartijdigheid ervan waarborgde. Het hield daarbij met name rekening met het feit dat de commissie van beroep werd voorgezeten door een magistraat, met het feit dat haar beslissingen het voorwerp konden uitmaken van een cassatieberoep bij de Raad van State, met de paritaire samenstelling wat de adviserend artsen betreft, met de wettelijk bepaalde duur van het mandaat, met de onverenigbaarheid met andere mandaten binnen het Comité van de Dienst voor geneeskundige evaluatie en controle en met het feit dat artsen slechts over een raadgevende stem beschikken (EHRM, 20 april 2006, Defalque t. België, §31). B.6.5. Om al die redenen voldoet ook de huidige samenstelling van de kamers van beroep aan de vereisten van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid, gewaarborgd door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. De gemengde en paritaire samenstelling, wat de adviserend artsen betreft, van die kamers waarborgt overigens dat zowel de belangen van de verzekeringsinstellingen als die van de zorgverleners in aanmerking worden genomen door de magistraat die alleen uitspraak doet over de betwisting, na de artsen uit de twee voormelde beroepscategorieën te hebben geraadpleegd. B.6.6. De artsen die in de kamer van beroep zetelen als “vertegenwoordigers” van de verzekeringsinstellingen en als “vertegenwoordigers” van de beroepsorganisaties van de zorgverleners, zijn geen lasthebbers in de zin van artikel 1984 tot 2010 van het Burgerlijk Wetboek. Die artsen mogen bij de behandeling van de dossiers immers geen instructies ontvangen van de verzekeringsinstellingen of van de VII-40.676-17/33 beroepsorganisaties van de zorgverleners, maar dienen enkel op grond van de elementen van het dossier hun raadgevende stem uit te oefenen. De rol van de verzekeringsinstellingen en van de beroepsorganisaties van de zorgverleners is ertoe beperkt een “voordracht” te doen van de kandidaat artsen op een dubbele lijsten waaruit de Koning de artsen benoemt die zitting nemen in de kamer van beroep. B.7. Uit al die elementen volgt dat de onafhankelijkheid en de objectieve onpartijdigheid van de kamer van beroep voldoende zijn gewaarborgd. B.8. Het in het geding zijnde artikel 145 van de ZIV-wet is niet onbestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.” De door verzoeker thans geformuleerde vraag heeft hetzelfde onderwerp als de reeds beantwoorde vraag. Die vraag is dus wel degelijk te beschouwen als een vraag met een identiek onderwerp waarover het Grondwettelijk Hof reeds uitspraak heeft gedaan. De vraag wordt dan ook niet gesteld. De verzekeringsinstellingen die de adviserend geneesheren in dienst hebben, zijn overigens geen partij in het geding voor de Kamer van beroep. Dit geding wordt immers gevoerd tussen de DGEC en verzoeker, zodat de verzekeringsinstellingen niet rechtstreeks bij dit geding betrokken zijn. Het middel kan niet tot cassatie leiden. B. Tweede middel Standpunt van verzoeker 7. In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van “de bewijskracht van de stukken uit het dossier (artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk wetboek) en schending van recht op bijstand van een advocaat tijdens verhoor; de rechten van de verdediging, artikel 6 EVRM (Salduz rechtspraak), de motiveringsplicht zoals onder meer bepaald in artikel 149 Grondwet en het zorgvuldigheidsbeginsel”. VII-40.676-18/33 Eerste onderdeel 8. De overweging dat er geen schending zou zijn van de aangehaalde wetsbepalingen en beginselen omdat voorafgaand aan het verhoor er geen concreet vermoeden was van een inbreuk is volgens verzoeker in strijd met de bewijskracht van de stukken uit het dossier. De kamer van beroep stelt volkomen ten onrechte, met miskenning van de bewijskracht van het proces-verbaal van 23 juni 2010, dat op basis van de uitnodiging, verzoeker zijn verdediging kon voorbereiden en dat hij dit niet betwistte omdat hij de lijsten die hem werden getoond tijdens het verhoor niet vooraf had ontvangen. Tweede onderdeel 9. In tegenstelling tot wat de bestreden beslissing beweert, werden de rechten van verdediging geschonden omdat aan de toenmalige raadsman van verzoeker bevel werd gegeven het lokaal te verlaten tijdens het grootste gedeelte van het onderzoek toen de patiëntendossiers ter sprake kwamen. Indien de raadsman bijstand had kunnen verlenen dan had deze verzoeker kunnen adviseren om anders en beter te antwoorden, stukken te tonen, onderzoeksdaden te vragen en had hij na het verhoor opmerkingen kunnen formuleren. Het beroepsgeheim zou niet geschonden worden omdat de advocaat zelf gebonden is door een beroepsgeheim. Voorts meent verzoeker dat de rechten van verdediging werden geschonden omdat het onderzoek werd gevoerd in het AZ Lokeren terwijl de patiëntendossiers zich op een andere plaats bevonden. Verzoeker betoogt ook dat de motivering van de bestreden beslissing dat hij dan maar opmerkingen had moeten formuleren op het VII-40.676-19/33 proces-verbaal terwijl zijn raadsman het verhoor niet kon bijwonen, indruist tegen de rechten van verdediging en de Salduzrechtspraak over artikel 6 van het EVRM. Dit druist eveneens in tegen het zorgvuldigheidsbeginsel. Een onderzoek dient om de waarheid aan het licht te brengen en niet om lukraak iemand te beschuldigen. Het feit dat verzoeker later na de aanhangigmaking van de zaak de mogelijkheid had om patiëntendossiers voor te leggen, kan de schending van de Salduzrechtspraak niet recht trekken. De Kamer van beroep heeft in de bestreden beslissing trouwens zelf erkend dat de DGEC, die steeds toegang kon hebben tot de patiëntendossiers op basis van de door verzoeker voorgebrachte patiëntendossiers, haar standpunt dient uiteen te zetten en heeft hiervoor de debatten meer dan 10 jaar na de feiten heropend. Het feit dat de DGEC deze dossiers niet onderzocht en doelbewust naar een kliniek ging waar deze dossiers niet voorhanden waren, schendt duidelijk de rechten van de verdediging. Uit de bestreden beslissing blijkt duidelijk dat de Kamer van beroep aanvaardt dat de procedure een strafrechtelijk karakter heeft in de zin van de rechtspraak van het EVRM. In de bestreden beslissing wordt trouwens verwezen naar het artikel van Van de Weyer P. en Lierman S. (Rechten van de verdediging in een administratieve sanctie procedure bij de DGEC, Tijdschrift voor gezondheidsrecht 2017, afl. 4 p. 236-248) waar dit duidelijk wordt uiteengezet. De bestreden beslissing antwoordt niet afdoende op de argumenten opgeworpen door verzoeker in zijn beroepsconclusie in verband met de schending van de rechten van verdediging. De beslissing schendt de motiveringsplicht alsook de rechten van verdediging. VII-40.676-20/33 10. In de samenvattende memorie voegt verzoeker hier het volgende aan toe: Eerste onderdeel: “In zijn memorie van antwoord verwijst de verwerende partij naar een uitnodigingsbrief, beweerdelijk verzonden op 28 mei 2010, die niet bij het dossier waren gevoegd en die niet in de procedure aan bod kwam. Het gaat niet op in een cassatieprocedure stukken te gaan toevoegen daar uw raad overeenkomstig artikel 14, §2 van de gecoördineerde wetten niet in plaats van de Kamer van Beroep bijkomende stukken kan onderzoeken. De Raad mag de zaak immers niet zelf beoordelen. In de inventaris van de stukken van het dossier komt vermeld stuk niet voor. (kopie van de inventaris van de stukken van DEC wordt bij de huidige memorie gevoegd als stuk 1). Bovendien vermeld stuk, zo het bewijs zou geleverd worden dat de verzoekende partij in cassatie deze heeft ontvangen, houdt slechts een lijst van patiënten in zonder enige indicatie. Op het verhoor wordt hij plots geconfronteerd met een geanonimiseerde tabel waarop hij zich uiteraard niet kon verdedigen.” Tweede onderdeel: “In haar memorie van antwoord tracht de verwerende partij het gebrek aan motivering op te lossen door zelf motieven aan te reiken. De verwerende partij kan zich onmogelijk in de plaats stellen van de Kamer van Beroep. De verwerende partij citeert ook de randnummers 21 en 22 van de bestreden beslissing maar verliest uit het oog dat verzoeker enkel stelt dat de Kamer van Beroep zich niet mag steunen op het PV van 23 juni 2010. Daar dit enig stuk ten laste is, blijft er niets over van het onderzoek. Het PV van vaststelling van 15 september 2010 steunt evenwel op het PV van verhoor.” Beoordeling Eerste onderdeel 11. De artikelen 1319, 1320 en 1322 van het Burgerlijk Wetboek zijn van toepassing telkens de rechter in het kader van de voor hem gevoerde bewijslevering, zijn beslissing steunt op de inhoud van een bewijskrachtig geschrift. VII-40.676-21/33 Als cassatierechter mag de Raad van State niet in tweede instantie de feitelijke beoordeling van de Kamer van beroep overdoen maar mag hij enkel nagaan of het hem voorgelegde arrest overeenkomstig de wet is genomen. Luidens artikel 14, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State treedt de afdeling Bestuursrechtspraak in geval van cassatieberoep immers “niet in de beoordeling van de zaken zelf”. Het behoort aldus niet tot de bevoegdheid van de cassatierechter om op basis van de feiten te beoordelen of het vermoeden al dan niet concreet was. 12. De bewering in de memorie van wederantwoord dat de verwerende partij naar een uitnodigingsbrief verwijst beweerdelijk verzonden op 28 mei 2010 die niet bij het dossier was gevoegd en die nooit in de procedure aan bod kwam, mist feitelijk grondslag. Deze brief wordt immers aangehaald door de verwerende partij in de procedure voor de Kamer van eerste aanleg. Bovendien heeft de verzoekende partij noch voor de Kamer van eerste aanleg noch voor de Kamer van beroep de schending van de rechten van verdediging aangevoerd wegens het feit dat hij zijn verdediging niet kon voorbereiden op basis van de uitnodiging. Verzoeker kan dit niet op ontvankelijke wijze voor het eerst voor de cassatierechter aanvoeren. De motivering van de bestreden beslissing miskent evenmin de bewijskracht van het PV door te oordelen dat verzoeker zich kon voorbereiden aan de hand van de uitnodigingsbrief. Het eerste onderdeel kan niet tot cassatie leiden. Tweede onderdeel 13. De bij artikel 149 van de Grondwet opgelegde verplichting aan de rechter om zijn rechterlijke uitspraak te motiveren heeft het karakter van een VII-40.676-22/33 vormvereiste met beperkte draagwijdte. Artikel 19, § 6, van het Procedurereglement van de Kamer van eerste aanleg en van de Kamers van beroep bij de DGEC heeft geen andere inhoud. Een uitspraak is gemotiveerd wanneer de rechter duidelijk en ondubbelzinnig de redengeving uiteenzet - al ware die redengeving verkeerd of onwettig - die hem ertoe brengt die beslissing te nemen en de aangebrachte excepties en beroepsgrieven te verwerpen of in te willigen. Alleen een gemis aan motivering of daarmee gelijkgestelde gevallen, - zoals tegenstrijdigheid in de motieven - maakt een schending uit van artikel 149 van de Grondwet. De bestreden jurisdictionele beslissing is met redenen omkleed. De motieven verduidelijken waarom de door verzoeker aangevoerde schendingen niet worden bijgetreden. Aan de jurisdictionele motiveringsplicht is op dit punt dan ook voldaan. Verzoeker zet niet uiteen op welke argumenten niet geantwoord zou zijn. Het tweede onderdeel kan niet tot cassatie leiden. 14. Het tweede middel kan niet tot cassatie leiden. C. Derde middel Standpunt van verzoeker 15. In een derde middel voert verzoeker de schending aan van de redelijke termijn. Hij stelt dat de onderzochte feiten dateren van 2006 tot april 2010. De tenlastelegging heeft betrekking op feiten tussen augustus 2008 en april 2010. VII-40.676-23/33 Na september 2010 is in dit dossier niets gebeurd totdat plots op 2 april 2013 een verzoekschrift wordt neergelegd op de griffie van de Kamer van eerste aanleg bij de DGEC van het RIZIV. De Kamer van eerste aanleg doet uitspraak op 21 december 2017. De Kamer van Beroep zal er bijna twee jaar over doen om een tussenbeslissing uit te spreken. In de bestreden beslissing wordt het arrest Defalque van 20 april 2006 van het EHRM aangehaald over de samenstelling van de toenmalige commissies in beroep, maar vermeld arrest heeft België veroordeeld voor overschrijding van de redelijke termijn daar de procedure acht jaar had geduurd, inclusief de procedure voor de Raad van State. Na het PV van 15 september 2010 is er in dit dossier niets gebeurd. Thans zijn we 9 jaar verder en is er nog geen eindbeslissing. In de bestreden beslissing wordt gesteld dat de reeds doorlopen tijd niet duidt op een schending van de redelijke termijn terwijl in het arrest Defalque een duurtijd van 8 jaar duidelijk als een schending van de redelijke termijn werd beschouwd. Door te stellen dat de redelijke termijn niet is overschreden, schendt de bestreden beslissing duidelijk artikel 6,1 van het EVRM. 16. In de samenvattende memorie voegt verzoeker hier het volgende aan toe: “In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij dat ingevolge verzoek van zijn toenmalige raadsman dd 10 december 2014 de zaak werd uitgesteld. Dit is correct. Alweer worden nieuwe stukken bij het dossier gevoegd met name beweerdelijke rappels aan de toenmalige raadsman van 10 juni 2015 en 30 juni 2016 vanwege DGEC. Deze stukken hebben niet het voorwerp uitgemaakt van het debat en kunnen dan ook in een cassatieprocedure niet VII-40.676-24/33 worden neergelegd en beoordeeld door uw Raad. Verder zelfs indien deze stukken zouden zijn verzonden aan de zwaar zieke raadsman van verzoeker, ontheft dit geenszins de verwerende partij van haar plicht om de voortgang van de zaak te benaarstigen. Zij heeft dit in 2017 gedaan waarna verzoeker in cassatie een nieuwe raadsman raadpleegde die de zaak pleitte op basis van de conclusie neergelegd door de vorige raadslieden. Was de zaak vroeger vastgesteld geweest, dan had verzoeker in cassatie zeker sneller een nieuwe raadsman geraadpleegd. Door het gevraagde uitstel op 10 december 2014 kan hoogstens enkele maanden vertraging aan verzoeker in cassatie toegemeten worden. Het feit dat door de bestreden tussenbeslissing de zaak nog steeds niet ten einde is, toont ook aan dat de verwerende partij op zeer onzorgvuldige wijze haar onderzoek voerde en zonder enige reden het dossier tot en met 2 april 2013 liet liggen alvorens de Kamer van eerste aanleg te vatten. Door de tussenbeslissing werd aan de verwerende partij gevraagd duidelijk uitleg te verschaffen over de beweerde inbreuken zodat het verweer in huidige procedure dat alles zeer duidelijk is, door de beslissing van de Kamer van Beroep wordt weerlegd”. Beoordeling 17. De beweerde schending van de redelijketermijneis als beginsel van behoorlijk bestuur kan niet dienstig worden aangevoerd tegen een juridictionele beslissing. Deze beginselen gelden immers voor de overheid, maar zijn niet van toepassing op beslissingen van administratieve rechtscolleges. Het middel is in die mate niet ontvankelijk vermits het een rechtsnorm inroept die niet kan worden betrokken op de bestreden beslissing. Verzoeker voert niet concreet aan dat de procedure voor de Kamer van beroep onredelijk lang zou hebben geduurd. Het middel is in die mate niet gegrond. 18. Als cassatierechter komt het de Raad van State niet toe na te gaan of op het ogenblik dat de hem voorgelegde beslissing werd genomen de redelijke termijn werd overschreden. Wanneer de Raad optreedt als cassatierechter, is hij slechts bevoegd om na te gaan of de feitenrechter uit de gegevens die hij onaantastbaar vaststelt wettig heeft kunnen afleiden dat de redelijke termijn niet is verstreken. VII-40.676-25/33 Verzoeker gaat niet in op de redenen waarom de Kamer van beroep heeft geoordeeld waarom de ingeroepen schending van de redelijke termijn geen grond oplevert om tot de onontvankelijkheid van de vordering te besluiten. Het derde middel kan niet tot cassatie leiden. D. Vierde middel Standpunt van verzoeker 19. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van artikel 159 van de Grondwet, artikel 73bis van de ZIV-wet, en de artikelen 6 en 7 van het EVRM. Eerste onderdeel 20. In een eerste onderdeel betoogt verzoeker dat de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten (hierna: koninklijk besluit van 21 december 2001), waarnaar wordt verwezen in de tenlasteleggingen, nooit werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, zodat deze lijst geen rechtskracht heeft en de Kamer van beroep overeenkomstig artikel 159 van de Grondwet het besluit niet kon aanvaarden als regelmatig. Verzoeker betwist dat de lijst die in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2002 werd gepubliceerd de lijst gevoegd bij het koninklijk besluit van 21 december 2001 was. VII-40.676-26/33 Tweede onderdeel 21. In een tweede onderdeel stelt verzoeker kort samengevat dat "de extensieve interpretatie die de Kamer van beroep heeft gegeven aan artikel 73bis, 2° ZIV wet door te stellen dat het verslag (dat) aan de patiënt wordt overhandigd en waarop de adviserende arts zich zal steunen om te oordelen of hij een reglementair document zal afleveren, een reglementair document is" in strijd is met de duidelijke tekst van de wet en dan ook de artikelen 6 en 7 van het EVRM schendt. Volgens de bestreden beslissing betwist verzoeker dat de toepassing van het voormelde artikel 73bis, 2°, kan worden ingeroepen omdat het voorschrijven van farmaceutische specialiteiten geen verstrekking van zorgen of behandeling betreft. Dat het niet om een verstrekking van zorgen of een behandeling gaat, belet volgens de bestreden beslissing niet dat de ingeroepen inbreuken tot het toepassingsgebied van artikel 73bis, 2°, van de ZIV- wet behoren. Verzoeker wijst erop dat de bestreden beslissing alleszins impliciet oordeelt dat de procedure een strafvervolging uitmaakt in de zin van artikel 6 EVRM. Hij leidt hieruit af dat voormeld artikel 73bis, 2°, restrictief dient te worden geïnterpreteerd. Het geschil heeft betrekking op het feit dat verzoeker groeihormonen heeft voorgeschreven aan patiënten die beweerdelijk niet aan de voorwaarden voldeden om terugbetaling te krijgen van de geneesmiddelen door het RIZIV en die dit gekregen hebben omdat de adviserend arts volgens het RIZIV verkeerdelijk zijn akkoord gaf. Verzoeker vervolgt dat de verstrekking die hij verleende een consultatie was, waarvoor de patiënt hem heeft betaald en nadien terugbetaling heeft gekregen kreeg van het RIZIV, via zijn verzekeringsinstelling. Tijdens de consultatie werden wel geneesmiddelen voorgeschreven, maar het is de apotheker VII-40.676-27/33 die als enige zorgverlener geneesmiddelen aflevert. Verzoeker heeft geen geneesmiddelen afgeleverd of verstrekt. Een voorwaarde voor de terugbetaling door het RIZIV is het voorafgaandelijk akkoord van de adviserende arts van zijn verzekeringsinstelling. Verzoeker gaf dan ook aan zijn patiënten een verslag waarin hij uiteenzette welke voorwaarden vervuld waren. Maar het was de adviserend geneesheer die besliste of aan de voorwaarden was voldaan. Artikel 73bis van de ZIV-wet, ingevoegd bij artikel 96 van de wet van 13 december 2006, luidt als volgt: “Onverminderd eventuele straf- en/of tuchtrechtelijke vervolging en onafgezien van de bepalingen uit de overeenkomsten of verbintenissen bedoeld in Titel III, is het de zorgverlener en gelijkgestelden verboden, op straffe van maatregelen voorzien in artikel 142, §1: 1° reglementaire documenten voorzien in deze wet of de uitvoeringsbesluiten ervan op te stellen, te laten opstellen, af te leveren of te laten afleveren wanneer de verstrekkingen niet werden verleend of afgeleverd; 2° hogervermelde reglementaire documenten op te stellen, te laten opstellen, af te leveren of te laten afleveren wanneer de verstrekkingen niet voldoen aan de voorwaarden bepaald in deze wet, zijn uitvoeringsbesluiten of de krachtens deze wet afgesloten overeenkomsten en akkoorden; (...) 6° farmaceutische specialiteiten bedoeld in artikel 35bis, §10, tweede lid, voor te schrijven boven de drempels bepaald door de indicatoren, zonder voldoende de aanbevelingen na te leven zoals bepaald in artikel 73, §2, tweede lid; (...)”. Verzoeker meent dat hij niet wordt vervolgd omdat hij een reglementair document zou hebben opgesteld zoals bedoeld in artikel 73bis, 2° aangezien dit document afgeleverd werd door de adviserend arts. Hij zou wel een voorschrift hebben opgesteld, maar nooit vermeld hebben dat aan de voorwaarden was voldaan om terugbetaling te VII-40.676-28/33 bekomen. Volgens verzoeker heeft hij wel een verslag opgesteld om de adviserend geneesheer te laten beslissen of aan de voorwaarden is voldaan. Ingeval van onduidelijkheid had de adviserend arts van de verzekeringsinstelling conform zijn statuut contact moeten opnemen met verzoeker. Verzoeker wijst in dat verband naar artikel 26 van het koninklijk besluit nr. 35 van 20 juli 1967, "dat duidelijk stelt dat bij het vervullen van zijn opdracht (...) de adviserend geneesheer verbinding (houdt) met de behandelend geneesheer". Aangezien verzoeker nooit geneesmiddelen heeft verstrekt, kunnen de feiten waarvoor hij wordt vervolgd geenszins onder artikel 73bis, 2° van de ZIV-wet vallen. Het ten onrechte voorschrijven van farmaceutische specialiteiten wordt in artikel 73bis, 6° voorzien, maar hiervoor wordt hij niet vervolgd. 22. In zijn samenvattende memorie voegt verzoeker hier nog het volgende aan toe: “Zij verliest uit het oog dat verzoeker in cassatie geen reglementair document opstelde maar een verslag dat door de patiënt aan de adviserende geneesheer werd overhandigd. Dit verslag werd overigens opgesteld volgens sjabloon van de geneesmiddelen producent die overigens over een juridische dienst beschikt waar zowel juristen als apothekers deel uitmaken en die vermeld formulier hebben opgesteld met inachtname van het MB van 12 januari 2006 (Belgisch Staatsblad van 20 januari 2006 3de editie) dat §41 van hoofdstuk IV van de bijlage 1 bij het KB van 21 dec. 2001. (zie stuk 000118 van DGEC reeds neergelegd in 1) aanleg – kopie gevoegd bij huidige memorie). Het is pas vanaf 1 augustus 2008 dat de criteria voor de terugbetaling veranderden en dat duidelijk diende vermeld te worden op welke assen er een bijkomende deficiëntie was. Er dient opgemerkt te worden dat de Kamer van beroep ten onrechte de tekst van bijlage I van het KB van 21 december 2001 zoals het gold op 1 augustus 2008 terwijl zij gevat wordt voor aanvragen van voor 1 augustus 2018. Het feit dat deze aanvragen uitwerking hebben na 1 augustus 2008, heeft niet tot gevolg dat deze aanvragen getoetst moeten worden aan wetgeving die na de aanvraag werd gewijzigd. VII-40.676-29/33 Verweerster in cassatie citeert correct de tekst van artikel 142, §1 van de gecoördineerde ZIV wet van 14 juli 1994 zoals het gold op het ogenblik van de feiten. Er dient wel opgemerkt dat artikel 142, §1, 2° werd gewijzigd bij wet van 10 april 2014 en dat thans enkel de waarde van terugbetaling kan gevorderd worden en niet meer de volledige waarde van de verstrekking. Het woord verstrekking heeft zoals in artikel 73bis, §1, 2° dezelfde betekenis. In het Frans wordt de term “prestations” gebruikt zodat duidelijk de prestatie of de verstrekking van de zorgverlener wordt beschouwd en niet het afleveren van geneesmiddelen door een apotheker. Het voorschrijven of uitvoeren van overbodige of onnodige dure verstrekkingen wordt daarentegen vermeld als inbreuk onder artikel 73bis §1, 8° doch verzoeker in cassatie wordt hiervoor niet vervolgd. Inbreuken op artikel 73bis, §1, 8° worden bestraft conform artikel 142, §1, 8° en niet artikel 142, §1, 2° van de gecoördineerde ZIV wet van 14 juli 1994. Beoordeling Eerste onderdeel 23. De bestreden beslissing bevat een motivering over de rechtskracht van de lijst van de vergoedbare specialiteiten en van de wettelijke vergoedingsvoorwaarden daarin bepaald. 24. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 18 februari 2002 bepaalt : “Artikel 1. In het koninklijk besluit van 21 december 2001 tot vaststelling van de procedures, termijnen en voorwaarden inzake de tegemoetkoming van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen in de kosten van farmaceutische specialiteiten worden de bijlagen I en II van de lijst, zoals ze gevoegd zijn bij dit besluit, toegevoegd.” VII-40.676-30/33 25. Dit koninklijk besluit en zijn bijlagen werden gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 8 maart 2002 (p. 9106 ev). Bijgevolg heeft de bijlage I bij het koninklijk besluit van 21 december 2002 vanaf de publicatie op 8 maart 2002 rechtskracht (artikel 2 van het koninklijk besluit van 18 februari 2002). De bestreden beslissing schendt artikel 159 van de Grondwet niet. Het onderdeel faalt naar recht. Tweede onderdeel 26. De tenlastelegging betreft volgens de DGEC een inbreuk op artikel 73bis, 2° van de ZIV-wet en op het voormelde hoofdstuk IV betreffende de medicatie (terugbetalingsmodaliteiten biosynthetisch somatropine, (Genotonorm, Nutropinaq).” Artikel 73bis, 2° van de ZIV-wet bepaalt: “2° hogervermelde reglementaire documenten op te stellen te laten opstellen, af te leveren of te laten afleveren wanneer de verstrekkingen niet voldoen aan de voorwaarden bepaald in deze wet, in haar uitvoeringsbesluiten en verordeningen, in de overeenkomsten en akkoorden afgesloten krachtens deze zelfde wet”. Artikel 142, §1 van de ZIV-wet bepaalt de maatregelen die worden opgelegd. De Kamer van beroep oordeelde dat aan verzoeker niet het verstrekken van geneesmiddelen ten laste wordt gelegd, maar wel het feit dat hij reglementaire documenten, namelijk aanvragen voor de toekenning van vergoedbare specialiteiten heeft opgesteld en afgeleverd terwijl de behandeling die hij verstrekt niet aan de desbetreffende vergoedingsvoorwaarden voldoet. VII-40.676-31/33 De uiteenzetting van de verzoeker mist aldus feitelijke grondslag. Het gaat er niet om of de consultatie de verstrekking is en of verzoeker al dan niet geneesmiddelen heeft verstrekt. De tenlastelegging heeft betrekking op het opstellen en afleveren van reglementaire documenten terwijl de verstrekkingen/voorgeschreven geneesmiddelen niet voldoen aan de desbetreffende vergoedingsvoorwaarden. 27. In de bestreden beslissing wordt ingegaan op de gevolgen van de machtiging van de adviserend geneesheer. Het reglementair document opgesteld door verzoeker vormt de basis voor het verlenen van een machtiging tot vergoeding door de adviserend geneesheer. Uit dit verslag dient te blijken dat aan de vermelde criteria, die als vergoedingsvoorwaarden gelden, is voldaan. Dit verslag is een reglementair document, bedoeld om een vergoeding te verkrijgen voor de verstrekking van farmaceutische specialiteiten. Artikel 153 van de ZIV-wet bepaalt dat de beslissingen van de adviserend geneesheren bindend zijn voor de verzekeringsinstellingen. Er wordt dus niet gesteld dat deze beslissingen ook voor het RIZIV of de zorgverlener bindend zijn. De omstandigheid dat de adviserend geneesheer zijn goedkeuring geeft, heeft geen weerslag op de verantwoordelijkheid van de behandelend geneesheer voor de toepassing van de ZIV-reglementering. Het invullen van een aanvraag voor tegemoetkoming van een voorgeschreven middel dient steeds het voorwerp uit te maken van de beoordeling van de behandelend geneesheer aan de hand van de vastgelegde criteria in het kader van de ziekteverzekering. De machtiging door de adviserend geneesheer ontslaat de behandelend arts niet van zijn verplichting om geneesmiddelen voor te schrijven waarbij de vergoedingsvoorwaarden vervuld zijn. Uit deze machtiging kan niet worden afgeleid dat de voorwaarden correct zouden zijn toegepast door de behandelend geneesheer. Het tweede onderdeel faalt naar recht. VII-40.676-32/33 28. Het vierde middel kan niet tot cassatie leiden. BESLISSING 1. De Raad van State verwerpt het cassatieberoep. 2. Verzoeker wordt verwezen in de kosten van het cassatieberoep, begroot op een rolrecht van 200 euro en een bijdrage van 20 euro. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van veertien januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Bart Tettelin, griffier. De griffier De voorzitter Bart Tettelin Eric Brewaeys VII-40.676-33/33 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.486 Gerelateerde publicatie(
  3. s)geciteerd door: ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.702 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.258.703 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.