id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.498 Rolnummer: A. 231187/XIV-38409 Zaak: Arrest 249498 - Tucht (openbaar ambt) - 15/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-25 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.498 van 15 januari 2021 Openbaar ambt - Tucht (openbaar ambt) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER nr. 249.498 van 15 januari 2021 in de zaak A. 231.187/XIV-38.409 In zake: XXXX bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Dimitri Dedecker en Rob Trips kantoor houdend te 8000 Brugge Maria Van Bourgondiëlaan 33A bij wie woonplaats wordt gekozen tegen: de POLITIEZONE 5419 SCHELDE-LEIE bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Joris Van Cauter kantoor houdend te 9000 Gent Gustaaf Callierlaan 175 -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van de vordering
- De vordering, ingesteld op 18 augustus 2020, strekt tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het politiecollege van de politiezone 5419 Schelde-Leie van 30 juni 2020, waarbij aan verzoekster als zware tuchtsanctie het ontslag van ambtswege wordt opgelegd. II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een nota en een administratief dossier ingediend. Eerste auditeur Joke Goris heeft een verslag opgesteld. XIV-38.409-1/44 De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 16 december 2020 om 16.15 uur en op 18 december 2020, om 13.30 uur. Kamervoorzitter Geert Debersaques heeft verslag uitgebracht. Advocaat Rob Trips, die verschijnt voor verzoekster, en advocaat Gaëlle De Reu, die loco advocaat Joris Van Cauter verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Joke Goris heeft een met het dispositief overeenstemmend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- III. Feiten 3.
- Verzoekster is commissaris van politie bij de lokale politiezone Schelde-Leie (PZ 5419). 3.
- Op 18 oktober 2019 stelt commissaris van politie D. het vol- gende informatierapport op lastens verzoekster: […]
- Vaststelling alcoholintoxicatie Op 18/10/2019 had ik omstreeks 09:30 uur een afspraak met [verzoekster] om nog een aantal elementen […] te bespreken. Om 09:36 uur kwam ik aan op het hoofdcommissariaat, waar ik [verzoekster] zag aan de dienstingang van het commissariaat en haar begroette. [verzoekster] zag er niet fris uit en wanneer ik samen met haar het commissariaat binnen ging, nam ik een eerste keer een alcoholgeur waar. Omstreeks 09:45 uur begonnen wij dan aan onze meeting in mijn kantoor. In de gesloten ruimte van mijn bureel, rook ik opnieuw een sterke alcoholgeur. [Ver- zoekster] kwam ook enkele malen achter mijn bureaumeubel staan om zaken te tonen op mijn computerscherm, waarbij ik telkens een sterke alcoholgeur waarnam. XIV-38.409-2/44 De uitleg die [verzoekster] gaf over nieuwe invulformulieren, kwam onsamen- hangend over. Ik diende verschillende malen te vragen wat ze nu juist bedoelde en wat juist het probleem was. Gelet op het bovenstaande, deelde ik haar mee dat ik door de bovenvermelde ele- menten de indruk kreeg dat ze gedronken had. Ik vroeg of ze bereid was om een ademtest af te leggen. Volgens de korpsonderrichtingen is het in onze zone de OBP met dienst die een ademtest dient af te nemen. Op het ogenblik van de feiten, was ik OBP met dienst. Ze stemde in met de ademtest, maar stelde onmiddellijk zelf dat ze niets van alcohol had gedronken. Ze verzocht ons niet om een wachttijd van 15 minuten. Hierop vroeg ik aan HINP [X.], dagcoördinator met dienst, om mij een ademtest- toestel te bezorgen. HINP [X.] vervoegde mij dan op mijn bureel met het toestel. HINP [X.] startte het toestel op. Eens het toestel klaar was, toonde ik [verzoekster] dat ik een nieuw blaaspijpje nam, haalde het uit de verpakking en plaatste het zonder aan te raken op het toestel. Ik vroeg dan aan [verzoekster] om te blazen. Het ademtesttoestel dat gebruikt werd was het toestel met serienummer […]. Het toestel is geijkt tot 12/11/
- Dit alles is duidelijk op het toestel zelf aangegeven. Om 10:04 uur gaf de test als resultaat positief. Ik nam van het resultaat een foto (zie bijlage). [Verzoekster] beweerde evenwel dat dit niet kon, dat ze de avond voordien slechts twee wijntjes had gedronken en daarbij gegeten had. Bovendien zei ze medicatie te nemen en ze daarop nooit alcohol zou drinken. Verder zei ze dat ze toch niet bij mij zou komen voor een vergadering, als ze zou gedronken hebben. Ik deelde haar mee dat in dat geval een ademanalyse verder uitsluitsel zou kunnen geven. Om deze ademanalyse te kunnen uitvoeren, vroeg ik HINP [XX], van onze verkeerscel, om met de rest van de apparatuur (koffer) nodig voor een analyse, tot bij ons in het bureel te komen. HINP [X.] verliet bij aankomst van HINP [XX] mijn bureel. Terwijl HINP [XX] bezig was met alles klaarte maken voor de analyse, vroeg [verzoekster] zich luidop af of ze eigenlijk geen recht had op een uitstel van een kwartier. Evenwel was de ademtest toen al afgenomen en voor de afname van de ademtest had ze deze vraag niet gesteld. De ademtest werd bovendien afgenomen om 10:04, bijna 30 minuten nadat ik [verzoekster] had ontmoet en voor het eerst had vastgesteld dat zij naar alcohol rook. Eens HINP [XX] het toestel (zelfde toestel als waarmee de ademtest werd afge- nomen: […]) had klaargezet en van een nieuw blaaspijpje had voorzien, zonder dit aan te raken en na dit getoond te hebben aan [verzoekster], legde [verzoekster] een blaasprestatie voor analyse af om 10:16 uur. Het resultaat gaf 0,53 mg/L aan. Een uitprint van dit resultaat wordt gevoegd in bijlage. Ik vroeg aan [verzoekster] of ze nog een tweede blaasprestatie ter analyse wou, waarop ze zei dat ze dat niet wou. Nadat het ticketje met het resultaat was afgedrukt, vroeg ze vooralsnog om een tweede blaasprestatie ter analyse te mogen doen. Aangezien ze eerder had gezegd geen tweede blaasprestatie te willen doen, was de verrichting op het toestel en dus het resultaat reeds definitief en kon er geen tweede blaasprestatie meer plaatsvinden. Ik deelde [verzoekster] mee dat ze gelet op de situatie, haar dienst niet kon verder zetten en ze best naar huis ging, dit evenwel niet met haarvoertuig, [verzoekster] zei dat ze aan een collega ging vragen om haar naar huis te voeren. [Verzoekster] bleef constant herhalen dat ze enkel gisterenavond twee wijntjes had gedronken en voor de rest niets drinkt omwille van haar te nemen medicatie en dat ze dus niet begreep hoe haar adem naar alcohol kon ruiken en ze een positieve ademtest kon afleggen.” XIV-38.409-3/44 3.
- Met het inleidend verslag van 6 november 2019 stelt de hogere tuchtoverheid voor om verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. In dit verslag wordt een uiteenzetting gegeven van de feiten, de omstandigheden en de gevolgen ervan, van de datum van kennisneming van de feiten, van het vaststaan, de kwalificatie en de toerekening ervan. Tevens bevat het een voorstel tot zware tuchtstraf, met name de hiervoor reeds aange- haalde tuchtstraf. 3.
- Op 18 december 2019 wordt verzoekster gehoord door de ho- gere tuchtoverheid. “Gelet op het aanhalen van uw medische toestand als verscho- ningsgrond en er vanuit mijn hoedanigheid als tuchtoverheid enige twijfel is die mogelijk in uw voordeel kan spelen”, beslist de hogere tuchtoverheid op dezelfde datum aan verzoekster “de kans te laten tegen [15 januari 2020] het oorzakelijk verband aan te tonen tussen het gebruik van het medicijn Lyrica en de hoge al- coholwaarden die bij [verzoekster] werden waargenomen” en om de hogere tuchtoverheid “in staat te stellen een toxicologisch onderzoek betreffende dit ge- neesmiddel aan te vragen.” 3.
- Op 19 december 2019 vraagt de hogere tuchtoverheid een ex- pertise aan het klinisch laboratorium AZ Groeninge te Kortrijk “als gerechtelijk expert en als deskundige in het bepalen van het alcoholgehalte in het bloed”. Hierin wordt inzonderheid het volgende gevraagd: “[…] In haar verweerschrift, bevestigd tijdens het verhoor door de tuchtoverheid, beroept betrokken personeelslid zich erop dat de feiten verschoond kunnen worden door haar gezondheidstoestand. Zij wordt immers op medisch vlak begeleid en dient hiervoor medicatie te nemen. Op doktersadvies nam zij sinds 5 oktober 2019 Lyrica. Sinds 10 oktober 2019 bedroeg de dosis ‘s morgens 75 mg en ‘s avonds 75 mg. Zij heeft die medicatie eveneens ingenomen op 17 oktober toen zij in haar woning een feestje gaf. Betrokkene dronk, volgens haar verklaring, tijdens de avond voor de blaasprestatie drie glazen wijn tijdens het eten en om 1 uur ‘s morgens een glas Ricard. De medische verschoningsgrond wordt gestaafd door een medisch attest van de behandelende arts die bevestigt dat de ‘positieve waarden zeker te verklaren zijn XIV-38.409-4/44 door alcoholinname in combinatie met Lyrica daags voordien’. Graag kregen wij hieromtrent uitsluitsel van een expert ter zake. Heeft het gebruik van het geneesmiddel Lyrica invloed op het afleggen van een positieve ademtest en de afbraak van alcohol in het bloed en indien positief, in welke mate? Is het mogelijk dat het aangegeven alcoholverbruik aanleiding geeft tot voornoemd positief resultaat rekening houdend met de tijd die verstreken is tussen de laatste alcoholinname en de blaasprestatie? […].” 3.
- Op 29 december 2019 geeft Dr. Apr. C., klinisch bio- loog/toxicoloog en gerechtsdeskundige, advies. Het besluit van dit advies luidt: “Besluit: Er is geen evidentie dat gebruik van Lyrica (pregabaline) de afbraaksnelheid van alcohol in het bloed beïnvloedt. Bij een vrouwelijke betrokkene met een standaard gewicht van 70 kg (of meer), kan een alcohol gebruik van 4 standaard consumpties tot uiterlijk 1 uur ‘s nachts geen aanleiding geven tot een positieve blaasprestatie met een resultaat van 0,53 mg/L de volgende ochtend om 10u
- Indien de consumpties groter zouden zijn geweest dan standaard consumpties en/of het lichaamsgewicht van de betrokken persoon (substantieel) lager zou zijn dan 70 kg, dringt zich een herevaluatie op aan de hand van meer gedetailleerde informatie zoals precies drankverbruik (hoeveelheid, type, tijdstip van gebruik) alsook het precies lichaamsgewicht van de betrokken persoon.” 3.
- Op 10 januari 2020 stelt de hogere tuchtoverheid voor om aan verzoekster de zware tuchtstraf van ontslag van ambtswege op te leggen. Tegen dit voorstel dient verzoekster een verzoek tot herover- weging in bij de Tuchtraad. 3.
- Op 30 juni 2020 adviseert de Tuchtraad dat de aan verzoekster tenlastegelegde feiten “zoals omschreven in punt 5.2”, bewezen zijn en aan verzoekster dienen te worden toegerekend, dat de feiten een tuchtinbreuk uitmaken in de zin van artikel 3 van de wet van 13 mei 1999 ‘houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: de tuchtwet) en dat de door de hogere tuchtoverheid voorgestelde zware straf van ontslag van ambtswege voor de bewezen feiten een gepaste straf is. XIV-38.409-5/44 Punt 5.2 van het advies luidt: “Tenlastelegging Op basis van het dossier oordeelt de Tuchtraad dat aan verzoekster door de tucht- overheid het volgende tuchtvergrijp wordt ten laste gelegd: Als lid van de politiezone Schelde-Leie op 18 oktober 2019 de waardigheid van het ambt te hebben geschonden en tekort gekomen zijn aan de beroepsplichten door haar werk te hebben uitgeoefend onder invloed van alcohol, hetgeen bleek uit de ademtest en ademanalyse (met een resultaat van 0,53 mg/L of 1,22 g/L).” 3.
- De hogere tuchtoverheid beslist op 30 juni 2020 aan verzoekster de zware tuchtstraf van het ontslag van ambtswege op te leggen. Die beslissing steunt op de volgende motivering: “[…]
- Uiteenzetting van de feiten, omstandigheden en gevolgen 2.
- Uiteenzetting van de feiten en omstandigheden: Op 18/10/2019 had u een afspraak met uw diensthoofd CP [D.] omdat u nog een aantal elementen […] moest bespreken. Om 09u36 begroette CP [D.] u aan de dienstingang van het hoofdcommissariaat. CP [D.] was van mening dat hij een al- coholgeur kon waarnemen. De meeting vond plaats in het kantoor van CP [D.]. In deze gesloten ruimte kon hij een sterke alcoholgeur waarnemen. De uitleg die u gaf betreffende de nieuwe invulformulieren kwam onsamenhangend over. CP [D.] deelde u toen mee dat hij de indruk had dat u gedronken had. CP [D.] heeft u ge- vraagd of u bereid was een ademtest af te leggen. U stemde toe een ademtest af te leggen maar u gaf onmiddellijk aan niets van alcohol te hebben gedronken. U heeft niet gevraagd om 15 minuten uitstel. Door het collegebesluit van 06 maart 2012 aangesteld als vervanger van de korps- chef, heeft CP [D.] zoals de korpshandleiding het voorschrijft de ademtest afge- nomen. Er werd voldaan aan de wettelijke bepalingen, gezien het opleggen van een ademtest een door de tuchtoverheid gedelegeerde bevoegdheid is en niet behoort tot de algemene bevoegdheid van de korpschef. De korpschef was die dag niet aan- wezig in het hoofdcommissariaat omwille van een vergadering. Om 10u04 gaf de ademtest het resultaat POSITIEF. Dit resultaat werd u onmid- dellijk getoond. U beweerde dat dit niet kon aangezien u de avond voordoen slechts twee wijntjes had gedronken en hierbij gegeten had. U gaf ook aan medicatie te nemen en dat u daarop nooit alcohol zou drinken. CP [D.] gaf aan dat een ademanalyse in dat geval uitsluitsel zou kunnen brengen. Toen men bezig was de apparatuur klaar te zetten voor de ademanalyse heeft u zich afgevraagd of u geen recht had op 15 minuten uitstel. De ademtest was al uitgevoerd en voor de ademtest had u deze vraag niet gesteld. Bovendien werd de ademtest om 10u04 afgenomen dat is ruim 30 minuten later nadat CP [D.] voor de eerste keer een alcoholgeur bij u waarnam. Om 10u16 gaf de ademanalyse het resultaat 0,53 mg/L aan. Er werd u gevraagd of u een tweede blaasprestatie wilde, doch u bent hier niet op ingegaan. Pas na het afdrukken van het resultaat heeft u alsnog gevraagd een tweede blaas- prestatie te mogen voeren. Daar de procedure ten einde was en u eerst negatief had geantwoord op deze vraag was het resultaat definitief. XIV-38.409-6/44 2.
- Uiteenzetting van de gevolgen: De uiteenzetting van de feiten doet vragen rijzen of uw gedrag in overeenstemming was met de deontologie binnen het politiekorps, meer bepaald inzake onderstaande onderwerpen: • Verbod op het aanvatten van de dienst onder invloed van alcohol • Beschikbaarheid voor de dienst • Voorbeeldfunctie van de chef
- Vaststaan, kwalificatie en toerekening van de feiten Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier: 3.
- Meen ik dat de feiten vaststaan doordat: • De ademtest en ademanalyse onweerlegbaar heeft aangetoond dat u op 18/10/2019 uw functie heeft uitgeoefend onder invloed van alcohol. 3.
- Meen ik dat deze feiten een tuchtvergrijp kunnen uitmaken doordat: • Door onder invloed van alcohol uw functie uitte oefenen heeft u gezondigd tegen punt 44 van de deontologische code. ‘Zij waken er bovendien over om zich bij de geplande diensten niet onder invloed van alcohol aan te bieden.... De personeelsleden met dienst die duidelijk tekenen van alcoholintoxicatie vertonen, onderwerpen zich in voorkomend geval aan een ademtest volgens de wettelijke voorschriften...’ (Deontologische code punt 44) • Als verantwoordelijke voor het LIK diende u een aantal elementen te bespreken […]. Uw uitleg was onsamenhangend. Hieruit kunnen we concluderen dat u heeft gezondigd tegen punt 3 van de deonto- logische code. ‘Bezield zijn door en blijk geven van een dienstverlenende ingesteldheid geken- merkt door: de beschikbaarheid’ (Deontologische code punt 3) • Als commissaris van politie heeft u een voorbeeldfunctie naar onze medewerkers toe. De ademtest en -analyse tonen aan dat uw handelen in strijd was met punt
- ‘....De chef vervult in de uitoefening van zijn ambt een voorbeeldfunctie.’ (Deon- tologische code punt 6)
- Advies van de tuchtraad Wat de straf betreft, heeft de tuchtraad op datum van 06/09/2020 voorgesteld: […]. een zware straf op te leggen zoals voorgesteld d.d. 10/01/2020 met name ‘het ont- slag van ambtswege’ […]. Ik schaar mij ten volle achter dat advies van de tuchtraad.
- Beslissing Gelet op de bepalingen van de wet van 13 mei 1999, inzonderheid op de artikelen 2, 3, 5, 24, 38 t.e.m. 38sexies en 55; Gelet op de feitelijke elementen vervat in het dossier; Gelet op de analyse van uw tuchtdossier; Gelet op uw verhoor, op datum van 18/12/2020, Gelet op de argumentatie zoals vermeld in punt 3.2; Gelet op het bijkomend expertiseverslag dat werd opgemaakt door een klinisch bi- oloog/toxicoloog en gerechtsdeskundige verbonden aan het klinisch laboratorium van het AZ Groeninge te Kortrijk dat duidelijk stelt dat: - Er geen evidentie is dat gebruik van Lyrica (pregabaline) de afbraaksnelheid van alcohol in het bloed beïnvloedt; - Het gebruik van Lyrica samen met alcohol kan enkel leiden tot een verergering van een aantal nevenwerkingen, doch niet in die mate dat ze nog werkzaam konden zijn op het moment van de ademtest; Rekening houdend met het tijdsverloop van het laatste glas alcohol, deze waarden op het moment van de ademtest reeds geëlimineerd waren. Immers verklaarde u XIV-38.409-7/44 tijdens uw verhoor van 18/12/2019 dat u tijdens een etentje met vrienden 3 glazen wijn heeft gedronken en om 01u00 één glas Ricard. Uit het verslag van de des- kundige blijkt dat deze inname als er nog geen eliminatie van alcohol is gebeurd bij een persoon van 70 kg een alcoholconcentratie in het bloed geeft van 1g/L. Gelet op het advies van de tuchtraad gegeven op 09/06/2020; Gelet op de hieronder vermelde motivatie : - Ondanks het feit dat u onder invloed was van alcohol wat door de ademtest en -analyse bewezen wordt, heeft u zich bij uw dienst aangeboden. Na de tweede hoorzitting blijkt ook uit een attest van de huisarts dat u niet alleen Lyrica neemt, maar ook nog andere medicatie. Bovendien bleek u niet in staat om op een normale manier te functioneren. U gaf een onsamenhangende uitleg inzake de invulformu- lieren, te gebruiken […]. U kon niet uitleggen wat het concrete probleem was met de nieuwe invulformulieren. Ook in verkeersgerelateerde zaken worden een onte- gensprekelijke alcoholgeur, het onsamenhangend praten en een onfris uiterlijk weerhouden als uiterlijke tekenen van alcoholintoxicatie. Het feit dat u in uw ver- weerschrift aanhaalt dat het om een subjectieve perceptie van CP [D.] gaat is dus irrelevant. Immers verklaarde u zelf dat u de door de gebruikte medicatie sufheid ervaarde. Punt 44 van de deontologische code bepaalt dat de medewerkers erover moeten waken zich niet onder invloed van slaapmiddelen, verdovende middelen, of psychotrope stoffen bij de geplande diensten aan te bieden. Bovendien getuigt het zich aanbieden onder invloed van geen verantwoordelijkheidszin (Punt 3 deonto- logische code) - U verklaart de onsamenhangende uitleg aan het feit dat het om een complexe materie ging en dat uw diensthoofd deze niet zou hebben begrepen. Volgens u diende hij een functioneel beheerder te vragen de vergadering te vervoegen. Dit terwijl uw diensthoofd is zelf gebrevetteerd functioneel beheerder. - Het ontbreken van een recente evaluatieprocedure doet geen afbreuk aan het feit dat u op 18/10/2019 een positieve ademtest met daaropvolgende ademanalyse heeft afgelegd. Bovendien kreeg u al in 2018 een serieuze verwittiging waarbij de tuchtoverheid u nog een kans gaf door de straf te verminderen na de hoorzitting. Hierdoor diende u te weten dat er zwaar getild zou worden aan een nieuw feit inzake alcoholverbruik. Bijgevolg ontbreekt het u aan schuldbesef. Het is duidelijk dat het vertrouwen van de tuchtoverheid in u is geschaad. Wanneer we uw verklaring van alcoholverbruik leggen naast de verklaring van de expert, kan u met het verbruik van de door u benoemde consumpties nooit om 10u16 1,2g/L alcoholconcentratie in uw bloed hebben, zelf niet met een lichaamsgewicht dat beduidend lager is dan 70 kg. - Bovendien heeft u na het uitvoeren van de ademtest verklaard dat het geen positief resultaat kon zijn omdat u amper twee wijntjes had gedronken. Tijdens uw verhoor heeft u dan deze verklaring aangepast door te stellen dat u drie glazen wijn en één glas Ricard had gedronken. Nu uit het verslag van de expert blijkt dat ook deze consumptie onmogelijk om 10u16 een dergelijk resultaat kan geven, staat vast dat u leugenachtige verklaringen heeft afgelegd. Omdat u zo verbouwereerd was dat de ademtest positief was en u dit bleef herhalen, heeft CP [D.] voorgesteld een ademanalyse uit te voeren om meer duidelijkheid te krijgen. U heeft dit niet ge- weigerd! In uw verweerschrift haalt u aan dat deze ademanalyse onwettig zou zijn gezien u er niet om verzocht hebt, doch deze analyse werd u voorgesteld juist omdat u niet kon geloven dat de ademtest positief was gezien u, volgens uw bewering, nooit alcohol zou drinken in combinatie met medicatie. Bovendien was het resultaat van de ademtest positief, wat betekent dat het alcoholgehalte boven de 0,8 promille ligt. U heeft verschillende keren uw uitleg over het drankverbruik gewijzigd. - U haalt uw medische toestand aan als verschoningsgrond voor het tuchtrechtelijk feit. Het bijgevoegde medisch attest van dokter [O.] is onvoldoende. In dit medisch XIV-38.409-8/44 attest wordt in geen geval gepreciseerd dat er een oorzakelijk verband is tussen de inname van het medicijn Lyrica en de mate van alcoholintoxicatie. Bovendien rijst de vraag of een huisarts bevoegd is om een toxicologisch verband tussen beide te leggen. Tijdens de tweede hoorzitting wordt er een tweede attest van de huisarts voorgelegd waar staat vermeld dat er nog andere medicatie wordt genomen. Ner- gens wordt echter aangetoond dat deze medicatie een effect heeft op het metabo- lisme. - Omdat u het gebruik van het geneesmiddel Lyrica wenst aan te wenden als een schulduitsluitingsgrond, heeft de tuchtoverheid de nodige zorgvuldigheid aan de dag gelegd en een expertise gevorderd van een klinisch bioloog/toxicoloog. - Gelet op het bijkomend expertiseverslag dat werd opgemaakt door een klinisch bioloog/toxicoloog en gerechtsdeskundige verbonden aan het klinisch laboratorium van het AZ Groeninge te Kortrijk dat duidelijk stelt dat er geen evidentie is dat gebruik van Lyrica (pregabaline) de afbraaksnelheid van alcohol in het bloed be- ïnvloedt. Als verdediging werd aangehaald dat de tuchtoverheid verplicht is reke- ning te houden met de gezondheidstoestand van de betrokkene, gezien de medische toestand een verschoningsgrond zou zijn, met name het gebruik van Lyrica. Gezien de expert aantoont dat er geen beïnvloeding is van het gebruik van Lyrica op de afbraaksnelheid van alcohol in het bloed, kan er geen oorzakelijk verband worden aangetoond tussen het gebruik van Lyrica en de positieve ademtest. De feiten zijn op geen enkele manier verschoonbaar. -In uw verweerschrift haalt u aan dat de rechten van de verdediging zouden ge- schonden zijn door de aanwezigheid van twee hoofdinspecteurs tijdens de proce- dure ‘alcohol’. De tuchtwetgeving voorziet dat een tuchtoverheid voorafgaand een politieambtenaar kan aanduiden voor het geval een ademtest zich zou opdringen. De aanwijzing dient gekend te zijn in het korps en moet consulteerbaar zijn. In de zit- ting van het politiecollege van 21/10/2004 werd de korpschef of zijn vervanger aangeduid voor het uitvoeren van een ademtest bij officieren. Deze bepaling is ook opgenomen in de korpshandleiding. Op 18/10/2019 was CP [D.] vervangend korpschef door de afwezigheid van de korpschef. De aangeduide politieambtenaar mag zich laten bijstaan, gezien betrokken hoofdinspecteurs ook gebonden zijn door de discretieplicht. Het ging hier enkel om bijstand en geen delegatie. - Als verdediging wordt aangehaald dat er geen voorafgaand onderzoek werd ge- voerd. Het doel van een voorafgaand onderzoek is een volledig overzicht krijgen van de feiten om zo een zicht te krijgen of er al dan niet tuchtrechterlijke inbreuken werden vastgesteld. Hier hebben de ademtest en ademanalyse gezorgd voor de vaststelling dat het om een tuchtrechtelijk feit gaat dat moet worden vervolgd. - Als commissaris van politie heeft u tegenover de politiemedewerkers een voor- beeldfunctie. Deze voorbeeldfunctie is in het gedrang gekomen. Verwijzend naar het advies van de tuchtraad, mogen aan personeelsleden van het operationeel kader hogere integriteitseisen gesteld worden. Voornoemde handelingen maken een tuchtinbreuk uit op de wet van 13/05/1999, in casu artikel 3 ‘door een handeling te stellen die een tekortkoming aan de beroeps- plichten uitmaakt en die van aard is om de waardigheid van het ambt in het gedrang te brengen.’ Bovendien is voormeld gedrag in strijd met de waarden die binnen onze politiezone gelden. -Art.132 van de wet van 7 december 1998 stelt uitdrukkelijk dat het personeelslid elke gedraging moet vermijden die het vervullen van de ambtsplicht in de weg kan staan. Het lijdt geen twijfel dat het uitvoeren van de dienst onder invloed de uitoe- fening van het ambt in de weg staat. -Zich aanbieden op het werk onder invloed van alcohol, het betwisten van de re- sultaten, het veelvuldig wijzigen van de verklaringen over de hoeveelheid genut- XIV-38.409-9/44 tigde alcohol, geen schuldbesef, zijn vaststellingen die geleid hebben tot een ver- trouwensbreuk. Temeer dat binnen het jaar na de vorige zware tuchtstraf, er zich opnieuw een zwaarwichtig feit heeft voorgedaan. In mijn hoedanigheid van hogere tuchtoverheid en het advies van de tuchtraad be- doeld in punt 4 bijtredend; Leg ik u, voor de feiten vervat in punt 2: […] De zware tuchtstraf op van: […] het ontslag van ambtswege op. […].” Dit is de bestreden beslissing. IV. De schorsingsvoorwaarden
- Krachtens artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing van de tenuitvoerlegging slechts worden bevolen onder de dubbele voorwaarde dat de zaak te spoedeisend is voor een behandeling ervan in een beroep tot nietigverklaring en indien minstens één ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de akte of het reglement prima facie kan verantwoorden. V. Ernst van de middelen A. Eerste middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoeker voert in het eerste middel de schending aan van artikel 120 van de wet van 7 december 1998 ’tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus’ (hierna: de wet van 7 december 1998) en van artikel 25 van de tuchtwet. In wat als een eerste middelonderdeel kan worden gelezen, merkt verzoekster onder het kopje “Inzake de bevoegdheidsregels vervat in de WGP” op dat de inspecteur-generaal van de Federale politie en de Lokale politie in XIV-38.409-10/44 het deskundigenverslag terecht stelde dat niet is voldaan aan de vereisten van de artikelen 46 en 120 van de wet van 7 december 1998, maar dat de hogere tuchtoverheid nog steeds stelt dat commissaris van politie D. in 2012 zou zijn aangesteld om als plaatsvervangend korpschef op te treden, waarbij de hogere tuchtoverheid verwijst naar de beslissing van het politiecollege van 6 maart
- Verzoekster betoogt dat, als al zou zijn voldaan aan de vereiste van artikel 46 van de wet van 7 december 1998, deze aanduiding niet van toepassing kan zijn. Volgens haar liggen er geen stukken voor dat het huidige politiecollege, zoals dat optrad in de hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, commissaris van politie D. rechtsgeldig zou hebben aangesteld. Het door de hogere tuchtoverheid bijgebrachte stuk, met name het uittreksel uit het register van de beraadslagingen van het politiecollege van 6 maart 2012, mist volgens verzoekster elke reglementaire grondslag gezien de korpschef niet werd vervangen op de dag van de feiten. Zelfs al zou zijn voldaan aan de vereisten van artikel 46 van de wet van 7 december 1998, dan nog dient de korpschef voor de periode van zijn afwezigheid nominatief aan te duiden aan wie hij de overdracht van zijn bevoegdheden doet conform artikel 120 van de voornoemde wet en waarin, volgens verzoekster, die verplichting zit vervat in artikel 120, derde lid. Verzoekster zet uiteen dat te dezen de korpschef op 18 oktober 2019 zijn functie uitoefende, en dat hij aanwezig was op een vergadering buiten het commissariaat. Artikel 46 van de wet van 7 december 1998 bepaalt echter dat “in geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef [..] het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad, de vervangende korpschef aan[stelt],” waarbij die bepaling slechts van toepassing is “wanneer de betrokken ambtsdrager verhinderd is de totaliteit van zijn bevoegdheden uit te oefenen” en dat die bepaling niet geldt “wanneer het hem in een bepaald geval onmogelijk is om te handelen.” Bijgevolg kan commissaris van politie D. op 18 oktober 2019 per impossibile de functie van vervangend korpschef hebben uitgeoefend, gezien de eerste hoofdcommissaris van politie M. die dag zijn functie als korpschef uitoefende. Het is evenwel commissaris van politie D. die de procedure conform artikel 25, derde lid, van de Tuchtwet op eigen initiatief XIV-38.409-11/44 initieerde en afhandelde. Die was reeds overgegaan tot de uitvoering van een ademtest en -analyse vooraleer de korpschef gecontacteerd werd. Uiteindelijk kon de korpschef telefonisch bereikt worden, na de procedure. Er werden door de korpschef geen richtlijnen verstrekt. Verzoekster besluit - na zich de vraag te hebben gesteld dat, indien commissaris van politie D. dacht gemandateerd te zijn of daarvan uitging, waarom hij dan telefonisch contact op nam met de korpschef - dat het duidelijk is dat korpschef aldus bereikbaar was en in functie was. Verzoekster besluit dat de vraag rijst of er al dan niet in uitvoering van de artikelen 46 en 120 van de wet van 7 december 1998 reglementair een vervanger werd aangeduid voor de uitoefening van alle bevoegdheden die bij de wetten en reglementen aan de korpschef zijn toegekend. Indien dit niet het geval is, dan dient ondubbelzinnig te worden aangetoond dat D. “gemandateerd was door de korpschef, in uitvoering van de bepaling voorzien in artikel 25, derde lid van de Tuchtwet en artikel 14 van het Uitvoeringsbesluit Tucht om bij [verzoekster] een ademtest af te nemen.”
- In wat als een tweede middelonderdeel kan worden gelezen, gaat verzoekster in op de toepassing van artikel 25 van de tuchtwet. In de eerste plaats bekritiseert verzoekster de concrete aanwijzingen om de ademtest op te leggen. Zij betwist de in het informatieverslag van 18 oktober 2019 beschreven redenen die het opleggen van de ademtest zouden rechtvaardigen, evenals “de omfloerste bijwerking die de hogere tuchtoverheid in haar voorstel van zware tuchtstraf daartoe als motivering aanziet.” Volgens haar geeft D. enkel uiting aan zijn persoonlijk perceptie, namelijk het “vermeend opmerken van een ‘alcoholgeur’”. Verzoekster wijst erop dat zij op 18 oktober 2019 met meerdere personen in de politiezone contact had voorafgaand aan haar ontmoeting met D. Op basis van de gevoerde procedure liggen geen bewijzen voor dat één van deze medewerkers de opinie van commissaris D. volgen. In een tweede kritiek gaat verzoekster in op het medische aspect. Vooreerst stelt zij zich op het standpunt dat de conclusie van D. dat de uitleg door XIV-38.409-12/44 verzoekster over de nieuwe invulformulieren, als onsamenhangend overkwam, een puur persoonlijke mening betreft en als subjectief moet worden gekwalificeerd. Zij verwijst naar de eerder bijgebrachte stukken om te wijzen op de versuffende effecten van het medicijn Lyrica. Volgens haar is het mogelijk dat D. op basis van de effecten van het geneesmiddel zich die assumptie eigen maakte, dan wel louter op basis van de moeilijkheidsgraad van de uiteengezette materie tot deze conclusie kwam. Voorts doet verzoekster gelden dat de hogere tuchtoverheid op ontoelaatbare wijze verwijst naar haar medische toestand door te stellen: “Na de tweede hoorzitting blijkt ook uit een attest van de huisarts dat [verzoekster] niet alleen Lyrica neemt, maar ook nog andere medicatie.” Aldus maakt de hogere tuchtoverheid misbruik van haar medische toestand en mag het feit dat zij nog andere medicatie neemt, niet tegen haar worden gebruikt. Zij stelt: “Men laat immers verstaan dat het middelengebruik van [verzoekster] een bewuste keuze zou zijn, hoewel deze medicijnen uiteraard onder strikte medische begelei- ding worden opgevolgd en noodzakelijk zijn voor de gezondheidstoestand van [verzoekster]. Gezien [verzoekster] 60% dienstprestaties verrichtte om medische redenen, wist de overheid voldoende over haar gezondheidstoestand om dat in haar overweging op te nemen. Tijdens de hoorzittingen lichtte [verzoekster] dit nogmaals grondig toe. De tucht- overheid heeft [verzoekster] op geen enkel ogenblik eerder aangesproken over haar vermeende ‘versufte toestand’. Het gebruik van de voorgeschreven medicijnen kan dan ook niet als motiveringsgrond aanvaard worden.” Verzoekster stelt voorts dat haar niet kan worden verweten passief te zijn geweest bij dit gebruik van medicijnen en dient volgens haar bijgevolg “de vraag gesteld te worden of dergelijke inmenging in de privacy verantwoord kan worden door het opleggen van een ademtest.” Ook uit verzoeksters kritiek op de zinsnede uit het “voorstel van straf” waarin is gesteld dat “ook in verkeersgerelateerde zaken […] een ontegensprekelijke alcoholgeur, het onsamenhangend praten en een onfris uiterlijk [worden] weerhouden als uiterlijke tekenen van alcoholintoxicatie.” Het betreft volgens haar een post factum redenering en aldus een ongeoorloofde uitbreiding van de motiveringen in het inleidend verslag, louter om de eigen stelling kracht bij te zetten. Volgens verzoekster zijn er immers geen objectieve uiterlijke kenmerken vastgesteld. Verzoekster bemerkt dat trouwens “bezwaarlijk kan […] aangenomen XIV-38.409-13/44 worden dat commissaris [D.], als lid van het officierenkader, recente en relevante terreinervaring heeft bij de vaststelling van alcohol-gerelateerde feiten”, vandaar dat hij “wellicht” werd bijgestaan door twee hoofdinspecteurs van politie tijdens de toepassing van de alcoholprocedure. Tot slot gaat verzoekster dieper in op het tuchtrechtelijk vervolgen van gedragingen uit het privéleven en betwist zij dat het feit dat zij voordien in privésfeer een etentje gaf, een invloed had op de dienstuitoefening. Een derde kritiek betreft de discretieplicht tijdens de toepassing van artikel 25 van de tuchtwet. Verzoekster stelt dat de aanwezigheid van twee hoofdinspecteurs tijdens de alcoholprocedure haar recht van verdediging heeft geschonden, waarbij zij doet gelden dat de gedelegeerde politieambtenaar zelf in staat moet zijn om de procedure zelfstandig af te handelen met eerbiediging van de rechten van het personeelslid. Deze aanwezigheid is trouwens niet voorzien en “leidt zeker tot een schending van de discretieplicht in hoofde van de degene die gedelegeerd werd”. Ook wordt het openbaar gerucht aangezwengeld. Zulks wordt op geen enkele wijze tegengesproken door de hogere tuchtoverheid. Door in de bestreden beslissing “terloops” te stellen dat het “enkel om bijstand ging en niet om delegatie” levert de hogere tuchtoverheid niet het bewijs van wat zij aanvoert. Een vierde kritiek heeft betrekking op de uitvoering van de procedure. Na artikel 18, eerste lid, van het koninklijk besluit van 26 november 2001 ‘tot uitvoering van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten’ (hierna: het koninklijk besluit van 26 november 2001) te hebben geciteerd, stelt verzoekster dat het zeer duidelijk is dat zij niet zelf heeft verzocht om de ademanalyse. Integendeel, stelt zij, “zij was zo verbouwereerd dat ze nog verzocht heeft om wachttijd. Het is dan ook louter provocatief en doelbewust geweest dat men is overgegaan tot het opleggen van een ademanalyse. Gezien er tevens geen voorafgaand onderzoek uitgevoerd werd in dit tuchtdossier, toont dit aan dat de feiten voor de tuchtoverheid op dat ogenblik al vast stonden, quod non.” XIV-38.409-14/44 Beoordeling Eerste onderdeel “inzake de bevoegdheidsregels vervat in de WGP”
- Verzoeker voert prima facie in essentie aan dat commissaris van politie D. onbevoegd was om de in artikel 25 van de tuchtwet bepaalde alcoholprocedure op te leggen. Het middelonderdeel wordt in deze stand van het geding vanuit dit oogpunt onderzocht.
- De kritiek dat commissaris van politie D. onbevoegd was om de alcoholprocedure op te leggen aan verzoekster is als volgt beantwoord in de bestreden beslissing (zie supra, punt 3.9.): “[…]. De aanwijzing dient gekend te zijn in het korps en moet consulteerbaar zijn. In de zitting van het politiecollege van 21/10/2004 werd de korpschef of zijn ver- vanger aangeduid voor het uitvoeren van een ademtest bij officieren. Deze bepaling is ook opgenomen in de korpshandleiding. Op 18/10/2019 was CP [D.] vervangend korpschef door de afwezigheid van de korpschef. […].” Deze kritiek maakte ook het voorwerp uit van het tegensprekelijk debat voor de Tuchtraad. In zijn advies, waar luidens de bestreden beslissing de hogere tuchtoverheid zich volledig achter schaarde, wordt deze grief als volgt beoordeeld: “Artikel 14 van het uitvoeringsbesluit van 26 november 2001 van de wet van 13 mei 1999 houdende het statuut van de personeelsleden van de politiediensten, stelt: ‘De tuchtoverheid voert de ademtest uit en vermeldt de klaarblijkelijke tekenen van alcoholintoxicatie die de test rechtvaardigen. In voorkomend geval kan zij hiertoe een politieambtenaar bedoeld in artikel 117, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aanwijzen om de ademtest op te leggen.’ Bij besluit van 21 oktober 2004, in uitvoering van voormeld artikel 14 heeft het politiecollege de verdere modaliteiten vastgesteld als volgt: Artikel 1: ‘voor het opleggen van een ademtest aan de officieren en aan het Calogpersoneels- lid niveau A, wordt de korpschef aangesteld of bij diens afwezigheid de aangestelde XIV-38.409-15/44 adjunct.’ Artikel 2: ‘voor het opleggen van een ademtest aan het middenkader, basiskader, hulpkader en het statutair administratief en logistiek personeel wordt de korpschef aangesteld of de dienstdoende officier van bestuurlijke politie.’ Deze aanstelling van een bevoegd persoon voor het opleggen van een ademtest is geen toepassing van artikel 46 WGP zoals de verzoeker ten onrechte voorhoudt. Artikel 46 WGP stelt: ‘In geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef stelt de burgemeester of het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad, de vervangende korpschef aan.’ Bij besluit van het politiecollege zone Schelde-Leie d.d. 6 maart 2012 blijkt dat commissaris [D.] werd aangesteld als vervangend korpschef. Dit artikel komt onrechtstreeks ter sprake omdat de politiezone, ter identificatie van de bevoegde persoon voor het opleggen van een ademtest bij afwezigheid van de korpschef, zoals bepaald in het besluit van het politiecollege d.d. 21 oktober 2004, verwijst naar de hoedanigheid van ‘aangestelde adjunct’. Inzake werd Commissaris [D.] wel aangesteld als vervangend korpschef in tegenstelling met hetgeen de ver- zoeker voorhoudt. Het is niet omdat hij niet in functie was (omdat de korpschef zelf deze niet kon uitoefenen wegens afwezigheid of verhindering) dat de commissaris niet de hoedanigheid van aangestelde adjunct had. Ten onrechte beroept de verzoeker zich op de bepaling en rechtspraak van artikel 46 WGP met betrekking tot de interpretatie van het begrip ‘afwezigheid’ zoal vermeld in het voorgebracht besluit van 21 oktober 2004 van het politiecollege. Het is inderdaad zo dat conform art. 46 WGP een vervangend korpschef pas in die hoedanigheid kan optreden als de korpschef afwezig of verhinderd is in die zin dat hij verhinderd is in de totaliteit van zijn bevoegdheden uit te oefenen bv. door ziekte of vakantie. De aan de korpschef bij het besluit d.d. 21 oktober 2004 toebedeelde bevoegdheid nopens het opleggen van een ademtest behoort niet tot de algemene bevoegdheid van de korpschef in die zin dat hij alleen daartoe bevoegd is. Het betreft inzake een door de tuchtoverheid gedelegeerde bevoegdheid, die wordt toegekend conform voormeld artikel
- De delegatie werd rechtstreeks toegekend op grond van artikel 14 en niet op grond van art. 46 WGP. De Tuchtraad is van oordeel dat met het begrip ‘afwezigheid’, zoals bepaald in het besluit van 21 oktober 2004 niet dezelfde ‘afwezigheid’ bedoeld wordt zoals hier- voor uiteengezet, hetgeen duidelijk blijkt uit de aard van de maatregel van het op- leggen van een ademtest en de noodzaak van de continuïteit van de dienst meer bepaald een maatregel die op een bepaald ogenblik onmiddellijk, dit is zonder ver- traging, dient opgelegd te worden door een aanwezig persoon. Het is aldus uit die noodzaak dat de in het besluit d.d. 21 oktober 2004 de aangestelde adjunct tevens werd aangeduid als bevoegde instantie voor het opleggen van een ademtest. Volgens de Tuchtraad impliceert de in het besluit van 21 oktober 2004 bedoelde ‘afwezigheid’ ook de fysieke afwezigheid van de korpschef van het bureau, zoals in deze het geval was. Beide partijen stelden dat de korpschef op het ogenblik van het opleggen van de ademtest aan verzoekster zich op een vergadering buitenshuis bevond. Indien anders geïnterpreteerd moet worden dan had de opstelling van het besluit van 21 oktober 2004 geen enkele reden van bestaan want dan zou in geval van ‘afwe- zigheid’ van de korpschef - in de zin dan niet uitoefenen van zijn functie - de plaatsvervangende korpschef alleszins bevoegd geweest zijn voor het opleggen van een ademtest.” XIV-38.409-16/44
- Het past voorafgaande de draagwijdte van artikel 46 van de wet van 7 december 1998 nader te bepalen. Artikel 46 van de wet van 7 december 1998 luidt: “Art.
- In geval van afwezigheid of verhindering van de korpschef stelt de bur- gemeester of het politiecollege onder de leden van het politiekorps met de hoogste graad, de vervangende korpschef aan.” Deze bepaling betreft de plaatsvervanging van de korpschef ingeval van zijn afwezigheid of verhindering en niet de delegatie van beschikkingsbevoegdheid. Deze vervanging is algemeen en absoluut en is, zoals reeds in het arrest van de Raad van State nr. 185.277 van 9 juli 2008 (punt 13) werd overwogen, van toepassing wanneer de betrokken korpschef verhinderd is de totaliteit van zijn bevoegdheden uit te oefenen. Uit wat voorafgaat volgt dat er, op het eerste gezicht, bij een kortstondige, toevallige afwezigheid geen sprake kan zijn van een afwezigheid die aanleiding geeft tot plaatsvervanging in de zin van artikel 46 van de wet van 7 december
- De ademtest en -analyse is te dezen opgelegd op grond van artikel 25, derde lid van de tuchtwet dat luidt: “[…]. Elk personeelslid belast met dienst, die duidelijk tekenen van alcoholintoxicatie vertoont, onderwerpt zich, in voorkomend geval, aan een ademtest. De Koning bepaalt de nadere regels van de uitvoering van de ademtest.” Artikel 25 maakt deel uit van de gemeenschappelijke procedurele bepalingen die van toepassing zijn voor de procedures voor gelijk welke tuchtoverheid (Parl. St. Kamer 1998-99, nr. 49 1965/1, 13). Die bepaling beoogt aldus een werkzame procedure. Het legt de verplichting op aan elk personeelslid belast met dienst dat duidelijk tekenen van alcoholintoxicatie vertoont, zich te onderwerpen, in voorkomend geval, aan een ademtest waarvan de nadere uitvoeringsregels worden bepaald door de Koning. Dit is gebeurd in de XIV-38.409-17/44 artikelen 13 tot en met 18 van het koninklijk besluit van 26 november
- Te dezen is artikel 14 van dat besluit van belang. Het luidt: “Art.
- De tuchtoverheid voert de ademtest uit en vermeldt de klaarblijkelijke tekenen van alcoholintoxicatie die de test rechtvaardigen. In voorkomend geval kan zij hiertoe een politieambtenaar bedoeld in artikel 117, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, aanwijzen om de ademtest op te leggen.” Uit die bepaling volgt dat de (hogere) tuchtoverheid de ademtest zelf kan uitvoeren, maar dat zij ook bepaalde politieambtenaren kan aanwijzen om de ademtest op te leggen. Dit aanwijzen betreft op het eerste gezicht een door de (hogere) tuchtoverheid gedelegeerde bevoegdheid, die wordt toegekend conform voormeld artikel 14 en geen aangelegenheid die behoort tot de algemene be- voegdheid van de korpschef die krachtens artikel 44 van de wet van 7 december 1998 de leiding heeft over het korps. Het betreft derhalve een delegatie die recht- streeks wordt toegekend op grond van het aangehaalde artikel 14 en niet op grond van de algemene regel inzake de vervanging van de korpschef bepaald in artikel 46 van de wet van 7 december
- Uit de gegevens van de zaak blijkt dat het politiecollege bij beslissing van 21 oktober 2004 heeft bepaald dat “voor het opleggen van een ademtest aan de officieren en aan het Calog-personeelslid niveau A, […] de korpschef [wordt] aangesteld of bij diens afwezigheid de aangestelde adjunct,” alsook dat deze beslissing werd opgenomen in de korpshandleiding. Ter identifi- catie van de “aangestelde adjunct” die bij afwezigheid van de korpschef bevoegd is om de ademtest op te leggen, verwijst de hogere tuchtoverheid in de bestreden beslissing naar haar beslissing van 6 maart 2012 waarbij commissaris van politie D. vanaf 1 april 2012 is aangesteld als vervanger van de korpschef. Het lijkt der- halve op het eerste gezicht aannemelijk te stellen dat de vervanger van de korps- chef de hoedanigheid heeft van “aangestelde adjunct” (van de korpschef) bedoeld in de voornoemde beslissing van 21 oktober
- Te dezen blijkt niet dat op het ogenblik van het opleggen van de ademtest de commissaris van politie D. niet meer was aangesteld als vervanger van de korpschef, zodat in deze stand van het geding XIV-38.409-18/44 wordt aangenomen dat die op dat ogenblik de hoedanigheid had van “aangestelde adjunct”. In de mate dat verzoekster aanvoert dat er geen stukken voor- liggen “dat het huidige politiecollege, zoals zij optrad in de hoedanigheid van hogere tuchtoverheid, CP [D.] rechtsgeldig zou aangesteld hebben”, is deze kritiek prima facie niet ernstig. Deze kritiek begrepen in de zin dat de voornoemde col- legebeslissingen van 21 oktober 2004 en 6 maart 2012 niet zijn genomen door het “huidige” politiecollege, optredend als hogere tuchtoverheid, lijkt irrelevant: verzoekster verliest immers uit het oog dat deze beslissingen op het eerste gezicht hun rechtskracht behouden tot wanneer aan hun juridisch bestaan een einde wordt gesteld. Te dezen blijkt niet dat het “huidige” politiecollege deze beslissingen heeft vervangen, gewijzigd of opgeheven zodat in deze stand van het geding wordt aangenomen dat ze nog steeds rechtsgeldig zijn. In de mate dat verzoekster aanvoert dat de beslissing van 6 maart 2012 elke reglementaire grondslag mist “gezien [de] korpschef […] immers niet vervangen werd op de dag van de feiten”, gaat verzoeker op het eerste gezicht uit van een verkeerde lezing van die beslissing van 6 maart
- Deze beslissing beperkt zich tot het (organiek) aanstellen van commissaris van politie D. als ver- vangend korpschef vanaf 1 april 2012 zonder dat ze uitspraak doet over de vraag wanneer D. die hoedanigheid mag uitoefenen. Uit die beslissing volgt enkel dat commissaris van politie D. vanaf die datum de hoedanigheid van plaatsvervanger van korpschef (en derhalve ook van “aangestelde adjunct”) heeft. In de mate dat verzoekster aanvoert dat commissaris van politie D. “per impossibile” de functie van plaatsvervangend korpschef heeft kunnen uitoefenen omdat de korpschef die dag zijn functie uitoefende en slechts (tijdelijk) afwezig was wegens het bijwonen van een vergadering buiten het commissariaat, stelt verzoekster zich op het standpunt dat de commissaris van politie D. enkel bevoegd is om de ademtest te bevelen indien de korpschef verhinderd is in de zin van artikel 46 van de tuchtwet, met name indien de korpschef is verhinderd de XIV-38.409-19/44 totaliteit van zijn bevoegdheden uit te oefenen. Dit standpunt wordt in deze stand van het geding niet bijgevallen. Het politiecollege delegeerde met haar beslissing van 21 oktober 2004 immers de bevoegdheid tot het opleggen van een ademtest aan officieren “bij afwezigheid van de korpschef” aan de “aangestelde adjunct”, waarvan hiervoor is vastgesteld dat dit commissaris van politie D. betreft. Deze delegatie door de tuchtoverheid steunt prima facie rechtstreeks op artikel 14 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 en niet op artikel 46 van de wet van 7 december
- Hieruit volgt dat de beperkende draagwijdte van die laatste bepaling op deze delegatie niet toepasselijk is, nu de gedelegeerde bevoegdheid geen bevoegdheid betreft die tot de algemene bevoegdheid van de korpschef be- hoort, maar wel een bevoegdheid die (uitsluitend) tot die van de (hogere) tucht- overheid behoort. Het politiecollege kan immers op grond van het voornoemde artikel 14 elke politieambtenaar bedoeld in artikel 117, tweede lid, van de wet van 7 december 1998 aanwijzen om de ademtest op te leggen. Voorts blijkt uit geen enkel overgelegd stuk, noch maakt verzoekster op het eerste gezicht aannemelijk, dat met het begrip “afwezigheid” in de beslissing van 21 oktober 2004 (uitsluitend) het geval van afwezigheid in de zin van artikel 49 van de wet van 7 december 1998 wordt bedoeld. Aldus kan in deze stand van het geding de Tuchtraad worden bij- gevallen inzake zijn standpunt dat met afwezigheid in de beslissing van 21 oktober 2004 ook de fysieke afwezigheid van de korpschef van het bureau of het com- missariaat wordt bedoeld. Uit de aard van de dringendheid van de te bevelen on- derzoeksmaatregel en de noodzaak om die maatregel wegens zijn aard onmiddel- lijk, zonder enige vertraging op te leggen, kan immers op het eerste gezicht worden aangenomen dat - ook wanneer de in hoofdorde aangewezen persoon kortstondig of toevallig afwezig is - deze onderzoeksmaatregel moet kunnen worden bevolen door, te dezen, de eveneens aangewezen aangestelde adjunct. Anders geïnterpre- teerd zou overigens, zoals de Tuchtraad ook bemerkt, die delegatie aan de aange- stelde adjunct op het eerste gezicht zinledig zijn. Immers, in de hypothese die verzoekster voorstaat en waarbij de aangestelde adjunct - die te dezen de plaats- vervangende korpschef is - enkel zou bevoegd zijn als de korpschef afwezig of verhinderd is in de zin van artikel 46 van de wet van 7 december 1998, dan zou op grond van die bepaling de korpschef vervangen zijn geweest en zou dus de XIV-38.409-20/44 plaatsvervangende korpschef alleszins bevoegd zijn geweest voor het opleggen van een ademtest, zodat het voorzien van de specifieke hypothese van “afwezig- heid” in de beslissing van 21 oktober 2004 dan zinledig zou zijn. Het middelon- derdeel is derhalve in die mate niet ernstig. In de mate tot slot dat verzoekster de schending van artikel 120 van de wet van 7 december 1998 aanvoert, blijkt uit het middel dat zij die schen- ding ziet in het kader van artikel 46 van dezelfde wet, waarvan hiervoor is vast- gesteld dat te dezen deze bepaling geen toepassing vindt. Het middel is in die mate niet ernstig.
- Uit wat voorafgaat volgt dat het eerste middelonderdeel niet ernstig is. Tweede middelonderdeel: “inzake artikel 25 Tuchtwet”
- Een eerste grief heeft betrekking op de “duidelijke tekenen van alcoholintoxicatie” die verzoekster vertoonde opdat op grond van artikel 25 van de tuchtwet de ademtest kan worden opgelegd. Verzoekster betwist de in het infor- matieverslag beschreven tekenen en meent dat commissaris van politie D. die de ademtest heeft bevolen, enkel uiting geeft aan een persoonlijke perceptie. Artikel 25, derde lid, van de tuchtwet is hiervoor aangehaald (zie supra, punt 10.). Er wordt naar verwezen. Uit die bepaling blijkt dat enkel tot een ademtest kan worden besloten wanneer er concrete aanwijzingen - tijdens de dienst - zijn dat het per- soneelslid onder invloed is (GwH 25 januari 2001, nr. 4/200, punt B.11.2). Luidens artikel 14 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 moeten die “klaar- blijkelijke tekenen van alcoholintoxicatie die de test rechtvaardigen” worden vermeld. XIV-38.409-21/44 Het komt de tuchtoverheid of de door haar op grond van arti- kel 14 van het koninklijk besluit van 26 november 2001 aangewezen politieamb- tenaar toe te bepalen welke die “duidelijke tekenen van alcoholintoxicatie” zijn en om te beoordelen of die er zijn, waarbij haar discretionaire bevoegdheid de rede- lijkheid als grens heeft. Het komt aan de Raad van State binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht niet toe om ter zake zelf een beoordeling te maken. De Raad van State is enkel bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid of de door haar aangewezen politieambtenaar is uitgegaan van de juiste feitelijke ge- gevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan binnen de perken van de redelijkheid tot haar besluit is gekomen. Het informatierapport van 18 oktober 2019 waarin volgens de hogere tuchtoverheid de duidelijke tekenen van alcoholintoxicatie zijn vermeld, is hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.2.). Er wordt naar verwezen. De Tucht- raad vat die duidelijke tekenen als volgt samen in zijn advies: “
- bij aankomst zag verzoekster er niet fris uit;
- wanneer hij met verzoekster naar binnen ging nam hij een alcoholgeur waar;
- tijdens de vergadering met verzoekster zelf nam hij opnieuw een sterke alco- holgeur waar;
- ook bij de aanduiding op het computerscherm nam hij telkens een sterke alco- holgeur waar;
- de uitleg van verzoekster over de nieuwe invulformulieren kwam onsamenhan- gend over.” Het enkele standpunt van verzoekster dat het waarnemen door de commissaris van politie D. van een alcoholgeur diens “persoonlijke perceptie” vormt, houdt op zich niet in dat die waarnemingen van een “sterke alcoholgeur” geen duidelijke tekenen van alcoholintoxicatie in de zin van artikel 25, derde lid, van de tuchtwet kunnen zijn. Bij gebreke aan bijzondere bewijsregeling mag het bewijs daarvan immers worden geleverd met alle middelen, waaronder eigen zintuiglijke waarnemingen en vaststellingen. De enkele bewering dat verzoekster voorafgaand aan haar ontmoeting met commissaris van politie D. met meerdere personen contact had en dat er geen bewijzen voorliggen dat één ervan de “opinie” van commissaris van politie D. volgt, tast op zich de betrouwbaarheid niet aan van XIV-38.409-22/44 de waarnemingen gedaan door de voornoemde commissaris van politie, noch maakt verzoekster hiermee prima facie aannemelijk dat de bevoegde overheid tot het opleggen van de ademtest, in haar beoordeling van de tekenen, tot een con- clusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. Eenzelfde besluit geldt wat verzoeksters kritiek betreft dat de waarneming door de voornoemde commissaris van politie van het feit dat haar uitleg onsa- menhangend overkwam, een puur persoonlijke mening betreft en als subjectief moet worden gekwalificeerd. In de mate dat verzoekster stelt dat de commissaris van politie D. de alcoholgeur direct in verband brengt met het onsamenhangend overkomen van haar uitleg, moet op het eerste gezicht worden bemerkt dat verzoekster niet betwist dat haar uitleg onsamenhangend was, noch dat dit een “duidelijk teken van alco- holintoxicatie” kan zijn in de zin van artikel 25, derde lid van de tuchtwet. De mogelijkheid dat haar uitleg, zoals verzoekster stelt, om andere redenen dan al- coholgebruik onsamenhangend kan zijn, is een eigen standpunt, maar dat impli- ceert niet dat de overheid bevoegd om de ademtest op te leggen, door dit als een van de tekens van alcoholintoxicatie aan te nemen, tot een conclusie is gekomen die de grens van haar beoordelingsbevoegdheid te buiten zou gaan. Voorts bemerkt de Raad van State dat de tekenen van alcoho- lintoxicatie waarvan verzoekster thans stelt dat zij subjectief zijn, in elk geval zijn geobjectiveerd door de resultaten van minstens de ademtest, waaruit blijkt dat zij zich op 18 oktober 2019 heeft aangeboden op het werk onder invloed van alcohol en aldus onder invloed van alcohol haar functie heeft uitgeoefend.
- In een tweede grief betoogt verzoekster dat de bestreden beslis- sing onterecht en/of verkeerdelijk de medische impact van de door haar genomen medicatie in aanmerking neemt. Deze kritiek, onder het kopje “B. m.b.t. de me- dische impact”, houdt evenwel op het eerste gezicht geen verband met het in het middel geschonden geachte artikel 25, derde lid, van de tuchtwet. In die mate is in deze stand van het geding die kritiek niet ernstig. XIV-38.409-23/44 In de mate dat verzoekster zich ook de vraag stelt “of dergelijke inmenging in de privacy verantwoord kan worden door het opleggen van een ademtest,” blijkt in deze stand van het geding dat tot de ademtest is besloten nadat er concrete aanwijzingen, tijdens de dienst, waren - waarvan hiervoor op het eerste gezicht is vastgesteld dat verzoekster de onwettigheid ervan niet aantoont - dat verzoekster zich op 18 oktober 2019 heeft aangeboden op het werk onder invloed van alcohol en aldus onder invloed van alcohol haar functie heeft uitge- oefend. Aldus beschouwd, lijkt verzoekster niet aannemelijk te maken dat die maatregel een onverantwoorde inmenging uitmaakt in het privéleven (Cfr. GwH 25 januari 2001, nr. 4/200, punt B.11.2) en zulks los van de vaststelling dat ver- zoekster zich in deze grief beperkt tot het zich stellen van een vraag, zonder evenwel in het verzoekschrift uiteen te zetten op welke wijze de ademtest te dezen een onverantwoorde inmenging in het privé-leven uitmaakt.
- Een derde grief betreft de “discretieplicht tijdens de toepassing van artikel 25 tuchtwet” en met name de aanwezigheid van twee hoofdinspecteurs van politie tijdens de procedure “alcohol”. In de mate dat verzoekster daarin een schending van het recht op verdediging ziet, rust op haar een stelplicht. Het komt haar toe aan te tonen dat in concreto de gelaakte handeling van de ter zake bevoegde overheid - te weten het hebben afgenomen in aanwezigheid van twee hoofdinspecteurs van de ademtest en de ademanalyse - haar recht van verdediging heeft miskend. Verzoekster levert dit bewijs niet. De enkele opwerping dat twee andere politieambtenaren bij de ademtest aanwezig waren, zonder in concreto aan te geven waarom dit haar recht van verdediging schendt, voldoet immers op het eerste gezicht niet aan de voor- melde stelplicht. De grief is in die mate niet ernstig. Voorts bevat de regelgeving inzake het afnemen van de ademtest - die zich overigens situeert vóór de aanvang van de tuchtprocedure - geen verbod met betrekking tot de aanwezigheid van andere politieambtenaren bij het afnemen XIV-38.409-24/44 van de ademtest. Dat zulks volgens verzoekster zou getuigen van een op zijn minst onprofessionele houding volstaat prima facie niet. In de mate dat verzoekster in die aanwezigheid een niet-correcte toepassing ziet van de procedure, is die grief der- halve in die mate niet ernstig. In de mate dat verzoekster in de gewraakte aanwezigheid een schending ziet van de discretieplicht in hoofde van de afnemer van de ademtest, dient zij aan te tonen hoe zij door een gebeurlijke schending ervan in haar belangen is geraakt. Verzoekster doet dit niet, zodat deze grief in die mate niet ernstig is. In de mate dat verzoekster lijkt te betogen dat door deze aan- wezigheid “het openbaar gerucht [wordt] aangezwengeld” en de hogere tucht- overheid “zich allicht verplicht [ziet] om een (zware) tuchtsanctie op te leggen voor feiten waartegen het personeelslid zich ook bij de publieke opinie dient te verdedigen”, betreft dit een niet-bewezen bewering nu zelfs geen begin van bewijs wordt aangevoerd dat verzoeksters zaak door dit toedoen in de publiciteit is ge- raakt en zulks los van het feit dat verzoekster niet aantoont dat hierdoor de (on- partijdige) besluitvorming door de hogere tuchtoverheid in het gedrang zou zijn gebracht.
- Een vierde grief heeft het kopje “uitvoering van de procedure” en betreft op het gezicht het niet zelf hebben verzocht om de ademanalyse, terwijl artikel 18, eerste lid van het koninklijk besluit van 26 november 2001 zulks uit- drukkelijk bepaalt. Verzoeksters kritiek betreft derhalve de onregelmatigheid van de ademanalyse in die zin dat zij er niet zelf om heeft verzocht. Op grond van artikel 25, derde lid, van de tuchtwet is het per- soneelslid belast met dienst dat duidelijk tekenen van alcoholintoxicatie vertoont, verplicht zich te onderwerpen aan een ademtest. Het afnemen van een navolgende ademanalyse na een positief resultaat van de afgelegde ademtest is niet verplicht. Het komt verzoekster toe om, op grond van artikel 18, § 1, van het koninklijk besluit van 26 november 2001, desgevallend en op haar verzoek, de (positieve) XIV-38.409-25/44 ademtest te laten volgen door een ademanalyse die erin bestaat te blazen in een toestel dat de alcoholconcentratie in de uitgeademde alveolaire lucht meet, waarbij die ademanalyse gebeurt op kosten van verzoekster wanneer deze een alcohol- concentratie van ten minste 0,22 milligram per liter in de uitgeademde alveolaire lucht aangeeft. De mogelijkheid om op verzoek een (op de verplichte ademtest volgende) ademanalyse te laten uitvoeren, strekt er derhalve toe aan verzoekster de mogelijkheid te bieden de eventuele onbetrouwbaarheid van de afname van de ademtest en het resultaat ervan te doen blijken aan de hand van een ademanalyse, waarvoor alleen de ademanalysetoestellen die overeenkomstig artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’, gehomo- logeerd zijn, mogen worden gebruikt en waarbij het gebruik, het onderhoud en het justeren van deze toestellen gebeurt in overeenstemming met de gebruiksmodali- teiten zoals vastgesteld in uitvoering van artikel 59, § 4, van de wet van 16 maart 1968 ‘betreffende de politie over het wegverkeer’ (artikel 18, § 2 van het ko- ninklijk besluit van 26 november 2011). De tuchtregeling schrijft geen bijzondere bewijswaardering voor inzake het aan verzoekster ten laste gelegde tuchtvergrijp. De hogere tuchtoverheid mag derhalve het bewezen zijn van dit tuchtfeit afleiden uit het resultaat van de ademtest en, indien om een ademanalyse is verzocht, op die ademanalyse. De tuchtoverheid mag evenwel in haar besluitvorming niet op onwettige of onregel- matig verkregen bewijzen steunen die uit de bewijsvoering moeten worden uitge- sloten. Verzoekster maakt evenwel niet aannemelijk dat haar kritiek dat zijzelf niet zou hebben verzocht om het uitvoeren van de ademanalyse, tot gevolg kan hebben dat (de gebeurlijke vaststellingen gedaan bij) die ademanalyse, de wettigheid van de bestreden beslissing kan vitiëren. Te dezen blijkt immers uit de feiten dat verzoekster op 18 oktober 2019 om 10u04 een positieve ademtest af- legde. De navolgende ademanalyse om 10u16 gaf eveneens een positief resultaat aan van 0,53mg/l. Hieruit volgt, ook in de veronderstelling dat de ademanalyse procedureel niet “correct” zou zijn gebeurd omdat die niet op haar verzoek is XIV-38.409-26/44 gebeurd - waarbij de Raad van State overigens bemerkt dat, nu verzoekster betoogt de ademanalyse niet te hebben gevraagd, zij nog steeds de keuze had de adem- analyse niet te laten doorgaan - , de hogere tuchtoverheid inzake het bewijs van het tuchtvergrijp op rechtmatige wijze kon steunen op het resultaat van de ademtest vermits de ademanalyse zich beperkt tot het bevestigen van het positieve resultaat van de ademtest. De Raad van State stelt voorts vast dat verzoekster de vaststel- lingen in het informatieverslag van 18 oktober 2019 (zie supra, punt 3.2.) niet betwist waarin is gesteld dat commissaris van politie D., voor het einde van de procedure, haar na de eerste ademanalyse vroeg of ze nog een tweede blaaspres- tatie ter analyse wou, maar dat verzoekster zei dat zij dat niet wilde. Aldus blijkt dat verzoekster, ook onmiddellijk na het afnemen van de eerste ademanalyse, alle mogelijkheden heeft gehad om op eigen verzoek een tweede ademanalyse af te leggen en om derwijze op nuttige wijze tegenspraak te voeren ten aanzien van het op grond van de ademtest verkregen bewijs. Aanzien op het eerste gezicht niet blijkt dat de aangevoerde onregelmatigheid de wettigheid van de bestreden beslissing kan vitiëren, lijkt verzoekster geen belang bij deze grief te hebben. Het middel is derhalve in die mate niet ernstig.
- Verzoekster voert tot slot aan dat geen voorafgaand onderzoek is gevoerd, doch zij verliest hierbij uit het oog dat dit niet verplicht is. Het enkele feit dat dit te dezen niet is gevoerd, houdt derhalve geen onwettigheid in en kan der- halve niet de wettigheid van de bestreden beslissing vitiëren. Conclusie
- Het eerste middel is niet ernstig. XIV-38.409-27/44 B. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het tweede middel de schending aan van de motiveringsplicht. Vooreerst werpt verzoekster op dat op geen enkele wijze reke- ning werd gehouden met de verzachtende omstandigheden die zij tijdens haar verweer had opgeworpen. Onder het kopje “procedurele voorgaanden” doet verzoekster voorts gelden dat de Tuchtraad niet afdoende motiveert waarom hij het advies van de algemene inspectie van de Federale en de Lokale politie optredend als des- kundige volledig tegenspreekt. Voorts maakt de Tuchtraad zich volgens verzoek- ster schuldig aan het maken van een eigen invulling die tegen het wet- en regel- gevend kader inzake de geïntegreerde politie ingaat en ziet zij niets dat die inter- pretatie enigszins zou kunnen staven. Onder het kopje “beschikbaarheid voor de dienst en voor- beeldfunctie” doet verzoekster voorts gelden dat het ontoelaatbaar is om zonder meer als waarheid aan te nemen dat zij dronken zou zijn geweest, dat deze toestand “nog maar een invloed zou kunnen gehad hebben op haar functioneren en dat het gebruik van alcohol tijdens de dienst zou plaatsgevonden hebben”. Daar liggen geen bewijzen van voor. Voorts wijst zij erop dat commissaris van politie D. geen maatregelen nam en de vergadering plaatsvond, hetgeen volgens verzoekster be- wijst dat zij niet “zichtbaar dronken” kan zijn geweest. Ook wenst zij aan te voeren dat de hogere tuchtoverheid niet concreet toelichtte waarom het vertrouwen dat de tuchtoverheid in haar kan stellen ernstig is geschaad. Zij is op geen enkel ogenblik geschorst: integendeel, zij bleef haar verantwoordelijkheden en taken probleem- loos uitvoeren naar tevredenheid van de leidinggevenden. Onder het kopje “alcoholgebruik op basis van punt 44 van de deontologische code” doet verzoekster gelden dat het wegens de complexiteit van XIV-38.409-28/44 de materie, het verklaarbaar is dat zij binnen het korte tijdsbestek van de vergade- ring niet begreep wat haar werd uitgelegd. De motieven die de overheid hanteert om de uiterlijke kenmerken van dronkenschap bij haar te verantwoorden falen naar recht zodat enkel de vermeende “alcoholgeur” nog rest. De hogere tuchtoverheid maakt immers niet aannemelijk dat haar functioneringsvermogen in die mate was aangetast dat zij niet meer normaal functioneerde. Gelet op haar medisch voor- geschreven medicijngebruik is er geen schuldig gedrag vast te stellen in haar hoofde. De algemene verwijzing naar een vermeende schending van het voor- noemde punt 44 is bijgevolg een inbreuk die niet op haar rekening kan worden geschreven. Daarenboven heeft zij haar geplande dienst aangevat en was er geen sprake van onbeschikbaarheid voor de dienst. Onder het kopje “het door de overheid aangevraagde toxicolo- gisch verslag” bekritiseert verzoekster het toxicologisch verslag van het AZ Groeninge en stelt zij dat de tuchtoverheid niet alleen de verkeerde standaardvraag heeft gesteld, maar ook dat deze allerminst voldoende rekening hield met de noodzakelijke variabelen in haar geval. Zij wijst op het door haar overgelegde attest van de huisarts die attesteert dat zij 59kg weegt en waarin die vraagt om een herevaluatie van de bevindingen in het toxicologisch verslag, doch waarbij de overheid die pertinente vraag naast zich neerlegt. Zij verwijst ook naar de tweede hoorzitting waaruit bleek dat zij nog andere medicijnen nam en waaruit blijkt dat haar lichaamsgewicht substantieel lager is dan 70 kg, alsook naar haar eigen be- rekening van het bloedalcoholgehalte, om te besluiten dat er bijzonder weinig waarde kan worden gehecht aan het toxicologisch verslag waaraan de tuchtover- heid vasthoudt. Verzoekster is van mening dat het medisch attest van haar huisarts blijft gelden. Beoordeling
- In de mate dat verzoekster een schending aanvoert van de arti- kelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991’ betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen’ (hierna: de wet van 29 juli 1991) en van “de begin- XIV-38.409-29/44 selen van behoorlijk bestuur” doordat de bestreden beslissing op geen enkele wijze rekening houdt met de verzachtende omstandigheden die verzoekster tijdens haar verweer heeft opgeworpen, verzuimt zij uiteen te zetten welke verzachtende om- standigheden die zij zou hebben opgeworpen, de hogere tuchtoverheid niet zou hebben betrokken bij haar beoordeling. Het middel is derhalve in die mate niet ernstig.
- In de mate dat verzoekster aanvoert dat de Tuchtraad niet af- doende motiveert waarom hij het advies van de afgevaardigde van de inspec- teur-generaal in zijn hoedanigheid van deskundige niet heeft gevolgd, vormt het advies van de Tuchtraad in het geheel van de tuchtprocedure een voorbereidende handeling van de definitieve tuchtbeslissing, zonder dat het rechtsgevolgen heeft of beoogt te hebben voor verzoekster. Het valt derhalve niet binnen het toepas- singsgebied van de geschonden geachte bepalingen, noch bestaat een wettelijke bepaling s.l. die de Tuchtraad de plicht oplegt te motiveren waarom hij het des- kundigenadvies niet volgt. Het middel is derhalve in die mate niet ernstig. In de mate dat verzoekster voorts aanvoert dat de Tuchtraad zich “schuldig maakt aan een eigen invulling die tegen het wet- en regelgevend kader inzake de geïntegreerde politie ingaat”, betreft het kritiek op de inhoud van het advies en inzonderheid - te dezen - op de interpretatie door de Tuchtraad van de draagwijdte van de hiervoor reeds aangehaalde beslissing van het politiecollege van 21 oktober
- Los van de vraag of deze kritiek de wettigheid van de be- streden beslissing kan vitiëren, volstaat te dezen te verwijzen naar de beoordeling van het eerste middel (zie supra, punt 11) waaruit blijkt dat dat de Raad van State de interpretatie door de Tuchtraad van die collegebeslissing ter zake bijvalt. Het middel is derhalve in die mate niet ernstig.
- In de mate dat verzoekster onder het kopje “beschikbaarheid voor de dienst en voorbeeldfunctie” doet gelden dat onterecht voor waarheid is genomen dat zij dronken zou zijn geweest, gaat zij verkeerdelijk uit van de hy- pothese dat haar “dronkenschap” ten laste is gelegd. Hetzelfde geldt wat haar XIV-38.409-30/44 niet-bewezen standpunt betreft dat de “beschreven dronkenschap” geen invloed heeft gehad op haar functioneren, noch dat het gebruik van alcohol tijdens de dienst plaatsvond. Te dezen stelt de Raad van State overigens vast dat uit de feiten en inzonderheid uit het informatieverslag (zie supra, punt 3.2.) blijkt dat ver- zoekster naar aanleiding van de vaststelling van het resultaat van de alcoholpro- cedure, niet meer kon worden ingezet op de dienst en dat zij door een collega naar huis werd gevoerd. Verzoekster verzuimt in haar kritiek dat geen (onmiddellijke) maatregelen werden genomen omwille van haar niet-functioneren, dit feitelijk gegeven te betrekken. De omstandigheid dat naar aanleiding van de feiten ver- zoekster in afwachting van het resultaat van de tuchtprocedure, niet voorlopig werd geschorst en verder mocht blijven werken, doet op zich evenmin blijken dat de hogere tuchtoverheid niet kon concluderen dat het vertrouwen in haar ernstig is geschaad. De voorlopige schorsing staat los van de eigenlijke tuchtprocedure en ze vormt geen onderdeel van een complexe administratieve rechtshandeling waarvan de tuchtstraf het eindpunt is. Evenmin vormt de voorafgaande voorlopige schor- sing een voorwaarde die vervuld moet zijn opdat verzoekster bij tuchtmaatregel definitief uit de dienst zou worden verwijderd. Het niet gebruikmaken van de mogelijkheid om een personeelslid preventief uit de dienst te verwijderen omdat haar aanwezigheid tijdens het tuchtonderzoek niet kan worden geduld, belet de (hogere) tuchtoverheid niet om toch te besluiten dat verzoekster niet langer kan functioneren binnen de politiediensten. Uit wat voorafgaat, volgt dat het middel in die mate niet ernstig is.
- Wat de kritiek betreft inzake punt 44 van de deontologische code van de politiediensten, zoals die is vastgesteld bij koninklijk besluit van 10 mei 2006, bepaalt het tweede lid ervan dat “[de personeelsleden] […] er bovendien over [waken] om zich bij de geplande diensten niet onder invloed van alcohol aan te bieden.” Het aan verzoekster ten laste gelegde tuchtvergrijp kan op het eerste gezicht worden ingepast in de voornoemde deontologische plicht. Het “in het juiste perspectief” plaatsen van de betrokken vergadering en de deducties die verzoekster XIV-38.409-31/44 daaruit afleidt, noch het standpunt dat zij de geplande dienst heeft aangevat en dat zij niet onbeschikbaar voor de dienst was, zijn prima facie relevant bij de beoor- deling van de inbreuk op de in artikel 44 van de deontologische code bepaalde deontologische plicht, zodat derhalve die beweringen, mochten ze al bewezen lijken, prima facie niet tot een andere conclusie leiden. Wat haar enkele bewering betreft dat er “geen schuldig gedrag” is vast te stellen “gelet op haar medisch voorgeschreven medicijngebruik,” verzuimt verzoekster, op wie een stelplicht ter zake rust, evenwel uiteen te zetten waarom dit “medisch voorgeschreven medi- cijngebruik” van die aard is dat de schending van punt 44 van de deontologische code haar niet kan worden toegerekend. Uit wat voorgaand volgt dat het middel in die mate niet ernstig is.
- Verzoekster bekritiseert ook “het door de hogere tuchtoverheid aangevraagde toxicologisch verslag”, in essentie omdat volgens haar niet vol- doende rekening is gehouden “met alle noodzakelijke variabelen” inzake ver- zoekster en met de attesten van de huisarts, zodat er “bijzonder weinig waarde” kan worden gehecht aan dat toxicologisch verslag. Het voorwerp van de aanvraag tot expertise van 19 december 2019 en de conclusies van die expertise zijn hiervoor weergegeven (zie supra, punt 3.5.). Er wordt naar verwezen. Verzoeksters (zelfde) kritiek maakte ook het voorwerp uit van het tegensprekelijk debat voor de Tuchtraad. In zijn advies, waar luidens de bestreden beslissing de hogere tuchtoverheid zich volledig achter schaarde, wordt deze grief als volgt beoordeeld: “[…]. Uit het verslag van de expertise kan besloten worden dat: - het gebruik van alcohol samen met Lyrica kan leiden tot een verergering van een aantal nevenwerkingen zoals bijvoorbeeld duizeligheid, slaperigheid en concentra- tievermindering; XIV-38.409-32/44 - er geen evidentie is dat het gebruik van Lyrica de afbraaksnelheid van alcohol in het bloed beïnvloedt; - bij een vrouwelijke betrokkene met een standaardgewicht van 70 kg (of meer) een alcoholgebruik van 4 standaard consumpties tot uiterlijk 1 uur ‘s nachts geen aan- leiding kan geven tot een positieve blaasprestatie met een resultaat van 0,53mg/L de volgende ochtend om 10u
- De verzoekster poneerde vervolgens dat dit besluit niet toepasselijk was op haar vermits zij minder dan 70 kg woog, meer bepaald 59 kg. Daarop maakte de verzoekster een verslag over van de door haar geraadpleegde deskundige [X.] d.d. 19 februari 2020 waaruit tevens dient besloten te worden dat: - uitgaande van de veronderstelling dat verzoekster 59kg woog hij tot en resultaat komt van 0,47 g/L hetgeen hij bestempelde als niet ver zijnde van 0,53 g/L; - er in de literatuur geen bevestiging kan gevonden worden dat het geneesmiddel Lyrica de afbraaksnelheid van ethanol kan beïnvloeden. Hierbij dient toch gewezen te worden op het gegeven dat deze deskundige spreekt over 0,47 g/L en 0,53 g/L (alsof dit het resultaat van de meting van de ademanalyse bij de verzoekster was) daar waar het resultaat van de analyse : 0,53 mg/L of 1,22 g/L betrof. Blijkbaar is deze deskundige vertrokken van een verkeerde premisse nl. dat er slechts een resultaat van 0,53 g/L bij verzoekster werd aangetroffen, hetgeen niet correct is. De Tuchtraad is dan ook van oordeel dat deze laatste expertise wat de cijfers betreft buiten beschouwing dient gelaten te worden. Dit neemt niet weg dat ook deze deskundige tot de conclusie kwam dat er geen bevestiging kon gevonden worden dat het door verzoekster ingenomen geneesmiddel Lyrica de afbraaksnelheid van ethanol kan beïnvloeden. De twee attesten uitgaande van dokter [XX.] doen aan al het voorgaande geen af- breuk. Uit dit alles blijkt dat de hogere tuchtoverheid wel degelijk verzoekers beweringen inzake haar gezondheidstoestand met de nodige zorgvuldigheid heeft onderzocht, maar dat zij oordeelde dat de door verzoekster ingeroepen schulduitsluitingsgrond, waardoor zij niet verantwoordelijk zou kunnen zijn voor haar daden, niet aange- toond was. De hogere tuchtoverheid heeft aldus verzoekers gezondheidstoestand op het ogen- blik van het plegen van de tuchtfeiten, in de loop van de procedure met de nodige zorgvuldigheid onderzocht. In het licht van die vaststellingen lijkt het niet onredelijk of onzorgvuldig dat de tuchtoverheid in de bestreden beslissing oordeelt ‘dat er geen oorzakelijk verband kan worden aangetoond tussen het gebruik van Lyrica en de positieve ademtest. De feiten zijn op geen enkele manier verschoonbaar.’ […].” Uit de bestreden beslissing blijkt dat de hogere tuchtoverheid bij haar beoordeling van de verschoonbaarheid van de feiten, zich heeft aangesloten bij de vaststelling in het expertiserapport dat er geen evidentie is dat het gebruik van Lyrica (pregabaline) de afbraaksnelheid van alcohol in het bloed beïnvloedt, zodat er geen oorzakelijk verband kan worden aangetoond tussen het gebruik van Lyrica en de positieve ademtest, waardoor de feiten op geen enkele manier ver- schoonbaar zijn. XIV-38.409-33/44 De kritiek van verzoekster betreft enkel de conclusie in (en het geen rekening houden met het erin gemaakte voorbehoud van) het betwiste des- kundigenverslag inzake de criteria en het tijdsverloop betreffende de eliminatie van alcohol uit het menselijk lichaam, in relatie tot verzoeksters lichaamsgewicht en voorafgaande alcoholconsumptie. Uit de bestreden beslissing blijkt evenwel dat de hogere tuchtoverheid het bewijs van de aan verzoekster tenlastegelegde feiten niet steunt op de conclusie in het deskundigenverslag inzake (theoretische) af- braaksnelheid van alcohol in het menselijke lichaam, maar wel op het feit dat de ademtest en ademanalyse hebben aangetoond dat verzoekster zich op 18 oktober 2019 heeft aangeboden op het werk onder invloed van alcohol en aldus onder invloed van alcohol haar functie heeft uitgeoefend. Los van de vaststelling dat verzoekster met haar kritiek betreffende de (theoretische) eliminatie van alcohol voorbijgaat aan de niet-betwiste, door geijkte toestellen gedane technische vast- stellingen waaruit het bewijs van de feiten blijkt, richt verzoeksters kritiek zich derhalve tot een conclusie uit het deskundigenverslag waarvan verzoekster niet aannemelijk maakt dat die, minstens determinerend, werd betrokken bij het bewijs van de feiten of bij de toerekening ervan aan verzoekster. Hieruit volgt dat ver- zoekster op het eerste gezicht met haar kritiek niet aannemelijk maakt dat de ho- gere tuchtoverheid onvoldoende rekening hield met “alle noodzakelijke variabe- len” in het algemeen en met haar lichaamsgewicht als variabele in het bijzondere. In de mate dat verzoekster ook stelt dat de hogere tuchtoverheid “geen oren had” naar het feit dat zij ook andere medicijnen nam, doet zij niet blijken dat die medicijnen de afbraaksnelheid van alcohol in het bloed beïnvloedt waardoor er een oorzakelijk verband zou worden aangetoond tussen het gebruik ervan en de positieve ademtest. Voorts maakt verzoekster niet aannemelijk dat, door meer gezag te verlenen aan het deskundigenverslag wat het verband betreft tussen het gebruik van Lyrica (pregabaline) en de positieve ademtest dan aan het gezag van het (eerste) attest van haar huisarts, de hogere tuchtoverheid haar be- oordelingsruimte ter zake te buiten gaat, te meer dat verzoekster de bevinding van de Tuchtraad niet betwist dat ook de door haar later geraadpleegde deskundige tot de conclusie kwam dat er geen wetenschappelijke bevestiging kon worden ge- XIV-38.409-34/44 vonden dat het door verzoekster ingenomen geneesmiddel Lyrica de afbraak- snelheid van ethanol kan beïnvloeden. Uit wat voorafgaat volgt dat het middel in die mate niet ernstig is. Conclusie
- Het tweede middel is niet ernstig. C. Derde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het derde middel de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Volgens haar stemt de opgelegde straf niet overeen met het ten laste gelegde tuchtvergrijp, “zeker niet nu aangetoond werd dat de procedure essentiële vormfouten vertoont er een medische verschoningsgrond in aanmerking dient genomen te worden.” Zij wijst op de grote financiële weerslag en haar per- soonlijke toestand. Zij wijst erop dat de tuchtstraf gevolgen ressorteert “buiten de perken bedoeld door de wetgever” en in het bijzonder effecten heeft op het pen- sioen en op het aanspraak maken op een werkloosheidsuitkering. Voorts wijst zij erop dat zij nooit eerder mocht vernemen wat precies een onherstelbare vertrou- wensbreuk uitmaakte en stelt zij dat de overheid het haar kwalijk neemt dat zij haar rechten van verweer heeft uitgeoefend en dat zij daar nu op wordt afgerekend. Beoordeling
- Het komt aan de (hogere) tuchtoverheid toe te oordelen met welke tuchtsanctie een bepaald tuchtvergrijp moet worden gesanctioneerd. Het komt aan de Raad van State, binnen het raam van zijn wettigheidstoezicht, niet toe om zelf een beoordeling te maken van de strafmaat. De Raad van State is enkel XIV-38.409-35/44 bevoegd om desgevraagd na te gaan of de tuchtoverheid bij de keuze van de strafmaat, al dan niet het redelijkheidsbeginsel schendt. Een schending van dat algemeen beginsel van behoorlijk be- stuur, veronderstelt dat de tuchtoverheid bij het nemen van de beslissing onredelijk heeft gehandeld, met andere woorden dat zij haar beleidsvrijheid onjuist heeft gebruikt. Het redelijkheidsbeginsel kan derhalve slechts geschonden zijn indien de tuchtoverheid een beslissing neemt die dermate afwijkt van het normale beslis- singspatroon, dat het niet denkbaar is dat een andere zorgvuldig handelende tuchtoverheid in dezelfde omstandigheden tot deze besluitvorming zou komen. De Raad van State gaat bij de beoordeling van de redelijkheid van de bestreden beslissing uit van de feiten zoals ze blijken uit de bestreden be- slissing en waarvan verzoekster de onwettigheid niet heeft aangetoond, getoetst aan de door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten die volgens ver- zoekster doen blijken dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel mis- kent.
- Verzoekster is een politieambtenaar, bekleed met de graad van commissaris van politie en derhalve deel uitmakend van het officierskader. Zij heeft aldus een interne en een externe voorbeeldfunctie. Dit betekent dat kan worden aangenomen dat de tuchtoverheid principieel hoge integriteitseisen mag stellen en principieel een strenge houding mag aannemen in hoofde van die leidend politieambtenaar ten aanzien van tuchtvergrijpen gepleegd door verzoekster. De door verzoekster in het middel aangevoerde argumenten doen op het eerste gezicht niet blijken dat de hogere tuchtoverheid, inzake haar oordeel dat voor het aan verzoekster ten laste gelegde tuchtvergrijp de zware straf van het ontslag van ambtswege moet worden opgelegd, de grenzen van een rede- lijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat is te buiten gegaan. Vooreerst betreft het argument dat de procedure essentiële vormfouten vertoont in aanmerking dient te worden genomen, niet de redelijkheid XIV-38.409-36/44 van de bestreden beslissing die immers enkel betrekking heeft op het correct aanwenden van de beleidsvrijheid. Dat de aangevoerde medische verschonings- grond niet in aanmerking is genomen bij de bepaling van de strafmaat maakt evenmin de straf onredelijk vermits het bestaan van een dergelijke grond niet blijkt. Het argument voorts dat de tuchtstraf voor verzoekster een ernstige finan- ciële weerslag heeft die ook doorwerkt naar haar pensioenbedrag maakt op zich de keuze voor de straf niet onredelijk. De financiële impact en doorwerking naar het pensioenbedrag van de tuchtstraf betreft het aan de opgelegde tuchtstraf eigen zijnde bestraffende karakter. Deze pecuniaire gevolgen doen, gelet op de door de hogere tuchtoverheid beoordeelde ernst van de feiten en haar appreciatiebe- voegdheid inzake de daarvoor op te leggen tuchtstraf, op zich niet besluiten dat het veroorzaakte pecuniaire leed van die aard is dat de hogere tuchtoverheid hierdoor de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. Hetzelfde geldt wat de weerslag van de bestreden beslissing betreft op het gerechtigd zijn op werkloosheidsuitkeringen. Tot slot betreft het eigen niet-bewezen standpunt dat zij nooit eerder mocht ver- nemen wat precies een onherstelbare vertrouwensbreuk uitmaakte en dat de tuchtoverheid het haar kwalijk neemt dat zij haar rechten van verweer heeft uit- geoefend en zij daarop wordt afgerekend, evenmin de redelijkheid van de be- streden beslissing. Uit wat voorafgaat volgt dat de argumenten die verzoekster heeft aangevoerd, in de concrete omstandigheden van de zaak niet aannemelijk maken dat de hogere tuchtoverheid de grenzen van een redelijke uitoefening van haar beoordelingsvrijheid inzake de keuze van de strafmaat te buiten is gegaan. De omstandigheid dat verzoekster een andere mening is toegedaan, maakt op het eerste gezicht evenmin de keuze van de straf onredelijk.
- Het derde middel is niet ernstig. XIV-38.409-37/44 D. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
- Verzoekster voert in het vierde middel de schending aan van de zorgvuldigheidsplicht. In een eerste kritiek stelt zij dat het volgens haar gepast voorkwam over te gaan tot het administratief verhoor van de gevraagde getuigen, zodat zij de kans kreeg haar beweringen bijkomend te staven. Aangezien de pro- cedure was geïnitieerd op grond van artikel 25 van de tuchtwet op basis van as- sumpties van commissaris van politie D, zou die afdoende door collega’s kunnen worden tegengesproken, hetgeen zij detailleert in het middel. Een tweede kritiek heeft betrekking op het feit dat zij niet werd geëvalueerd “en dus geen negatieve evaluatie gekregen heeft.” Na de regelgeving inzake de evaluatie(cycli) te hebben gedetailleerd, doet verzoekster gelden dat het dossier doet uitschijnen dat er zich in het verleden reeds soortgelijke problemen met haar hebben voorgedaan, maar dat die niet hebben geleid tot een negatieve eindbeoordeling. Volgens verzoekster zijn de objectieve toetsingscriteria niet voorhanden om haar op het einde van de reguliere cyclus te evalueren, hetgeen kan leiden tot willekeur en, meer nog, door het niet houden van de vereiste evaluaties, heeft de hogere tuchtoverheid geen richting gegeven aan het desgevallend officieel bijsturen of aanpassen van de van haar verwachte competenties. Eigenaardig ge- noeg wijst de hogere tuchtoverheid er wel op dat er zich binnen het jaar “opnieuw een zwaarwichtig feit heeft voorgedaan” en verzoekster stelt zich hierbij de vraag waarom de overheid niet heeft voorzien in de nodige begeleiding indien die vond dat er zich bij haar een probleem voordeed. Verzoekster besluit dat de Tuchtraad niet met enige redelijkheid zomaar kon aannemen dat zij ter zake niet diligent zou zijn geweest, nu duidelijk blijkt dat de overheid manifest onwillig was om de vereiste evaluaties te houden. Een derde kritiek heeft betrekking op haar functioneren. Ver- zoekster wijst erop dat zij in 2016 nog een goede beoordeling kreeg maar dat de XIV-38.409-38/44 tuchtoverheid dit niet in rekening bracht bij haar overwegingen inzake de straf- maat. Voorts meent zij probleemloos te kunnen stellen dat er geen eenduidig ne- gatief beeld van haar kan worden opgehangen. Het staat vast dat de korpsleiding de vereiste evaluaties niet toepast, terwijl de evaluatieprocedure een grote houvast biedt voor zowel de evaluator als geëvalueerde, waarbij verzoekster betreurt dat de tweejaarlijkse evaluatiecyclus sinds 2016 werd onderbroken. Zij is van mening dat zij zich hierdoor niet ten volle heeft kunnen verdedigen tegen de negatieve per- ceptie die in hoofde van haar leidinggevenden mogelijks over haar persoon heerste. Zij begrijpt niet hoe de Tuchtraad de stelling van de hogere tuchtoverheid inzake “problemen die het gevolg waren van alcoholmisbruik van verzoekster” in de periode 2005-2006 kon aannemen. Tot slot was het voor haar een kaakslag dat de korpschef bij de kennisgeving van het voorstel van straf en van de bestreden be- slissing opperde dat zij een beroep zou kunnen doen op een uitkering. Beoordeling
- Verzoekster voert de schending aan van het zorgvuldig- heidsbeginsel. Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op zorgvuldige wijze moet voorbereiden. Dit impliceert dat de beslissing dient te steunen op werkelijk bestaande en concrete feiten die met de vereiste zorgvuldigheid werden vastgesteld. De overheid is onder meer verplicht om zorgvuldig te werk te gaan bij de voorbereiding van de beslissing en de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk te onderzoeken, zodat zij met kennis van zaken kan beslissen. Het komt aan verzoekster toe om met concrete gegevens aan- nemelijk te maken dat de handelwijze van de hogere tuchtoverheid niet doet blij- ken van het vereiste zorgvuldig handelen. Het formuleren door verzoekster van eigen aannames, veronderstellingen en kritieken zonder enig begin van bewijs, XIV-38.409-39/44 volstaan niet om aannemelijk te maken dat de bestreden beslissing op een on- zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.
- Wat de grief betreft dat het niet houden van de gevraagde ge- tuigenverhoren het zorgvuldigheidsbeginsel schendt, blijkt uit de stukken van het dossier dat verzoekster voor de Tuchtraad het verhoor van twee collega’s heeft gevraagd omdat hun verhoor, luidens de verweernota van verzoekster voor de Tuchtraad, zou staven dat verzoekster “geen uiterlijke tekenen van dronkenschap” vertoonde en aldus noodzakelijk blijft voor de waarheidsvinding. De Tuchtraad gaat op dit verzoek niet in, overwegend wat volgt: “[…]. De verzoekster vraagt de Tuchtraad een getuigenverhoor te houden van twee ge- tuigen waaruit dan zou moeten blijken dat zij ‘geen uiterlijke tekenen van dron- kenschap’ vertoonde. Hier dient een correctie gemaakt worden meer bepaald dat de wet niet spreekt over dronkenschap maar wel alcoholintoxicatie. Het waarnemen van tekenen van alcoholintoxicatie zal steeds een subjectief ele- ment inhouden nu een ‘waarneming’ steeds een persoonlijke perceptie behelst. De Tuchtraad is van oordeel, zoals de tuchtoverheid, dat dit getuigenverhoor (voor de eerste maal gevraagd in deze procedure) geen meerwaarde aan de waarheids- vinding in deze zaak zou toevoegen nu de vaststellingen door [commissaris van politie D.] wel degelijk geobjectiveerd werden door de resultaten van zowel de ademtest als de ademanalyse.” Het verzoek tot getuigenverhoor strekt er, luidens de door ver- zoekster voor de Tuchtraad neergelegde extra verweernota, toe te staven dat ver- zoekster “geen uiterlijke tekenen van dronkenschap” vertoonde. In de mate dat de gevraagde getuigenverhoren ertoe strekken aan te tonen dat verzoekster geen ui- terlijke tekenen van “dronkenschap” vertoonde voorafgaand aan het opleggen van de ademtest, moet, zoals de Tuchtraad terecht overweegt, bij het beoordelen of een ademtest kan worden opgelegd, niet blijken dat er uiterlijke tekenen zijn van dronkenschap. Aldus is het, prima facie, niet onredelijk te oordelen dat die getui- genverhoren niet bijdragen tot de feitenvinding. In de mate dat die getuigenver- klaringen ertoe strekken aan te tonen dat verzoekster op de dienst geen uiterlijke tekenen van dronkenschap vertoonde, verliest verzoekster uit het oog dat zij niet is gestraft voor dronkenschap, maar wel voor het zich bij de geplande diensten onder XIV-38.409-40/44 invloed van alcohol aan te bieden - dat, zoals hiervoor reeds is vastgesteld, is be- wezen door de materiële vaststellingen gedaan bij de ademtest - en aldus onder invloed van alcohol haar functie te hebben uitgeoefend. Vanuit dat oogpunt maakt verzoekster niet aannemelijk in welke mate de gevraagde getuigenverhoren kun- nen bijdragen tot (een andere) feitenvinding. Overigens is hiervoor reeds vastge- steld (zie supra, punt 22) dat, inzake het onder invloed van alcohol uitoefenen van de functie, aan verzoekster werd gevraagd de dienst te verlaten en dat zij door een collega naar huis werd gevoerd en lijkt voorts het standpunt van de Tuchtraad niet onredelijk dat verzoekster, gelet op het gemeten resultaat van het alcoholgehalte -1,22g/L of 0,53mg/L er mee rekening houden dat, om zich met een wagen in het verkeer te mogen begeven, de bestuurder onder 0,5g/L of 0,22mg/L) moet blijven -, niet in staat was haar werk op een ernstige wijze uit te oefenen zoals het behoort. Ook zelfs wanneer die getuigenverklaringen ertoe zouden strekken de “subjec- tieve” vaststellingen te betwisten van de commissaris van politie D. dat er duide- lijke tekenen van alcoholintoxicatie waren ten einde op die grond over te gaan tot de verplichte ademtest, wordt vastgesteld dat verzoekster verzuimt het antwoord van de Tuchtraad op haar verzoek te betrekken in haar grief hoewel die besluit dat de gevraagde getuigenverklaringen geen meerwaarde aan de waarheidsvinding zouden toevoegen “nu de vaststelling door [D.] wel degelijk geobjectiveerd wer- den door de resultaten van zowel de ademtest als de ademanalyse”. In die context volstaat verzoeksters kritiek niet om aannemelijk te maken dat de Tuchtraad, door niet in te gaan op het verzoek tot getuigenverhoor, op onzorgvuldige wijze tot zijn appreciatie van dat verzoek is gekomen. Voorts is het niet omdat de hogere tuchtoverheid geen rekening houdt met elementen die volgens verzoeker a décharge zouden gelden, dat de beslissing het zorgvuldigheidsbeginsel zou schenden. Het middel is in die mate niet ernstig.
- In de mate dat verzoekster opwerpt dat door haar (al dan niet moedwillig) niet te evalueren sinds 2016, er geen “objectieve toetsingscriteria” XIV-38.409-41/44 voorhanden zijn om haar te evalueren op het einde van elke reguliere cyclus - hetgeen volgens haar aanleiding kan geven tot willekeur en waardoor de overheid geen richting heeft gegeven aan het desgevallend officieel bijsturen van de ver- wachte competenties van verzoekster - stelt de bestreden beslissing dat “het ontbreken van een recente evaluatieprocedure [...] geen afbreuk doet aan het feit dat [verzoekster] op 18/10/2019 een positieve ademtest met daaropvolgende ademanalyse heeft afgelegd.” Dit standpunt kan op het eerste gezicht worden bijgevallen. Los van het gegeven dat tucht en evaluatie in principe losstaan van elkaar en niets belet dat de tuchtoverheid feiten als een ernstig tuchtvergrijp kan beschouwen ook wanneer de evaluatieprocedure niet (correct) is gevolgd, bemerkt de Raad van State dat verzoekster wordt ten laste gelegd, niet dat zij niet functio- neert binnen het bestuur, maar wel dat zij zich op 18 oktober 2019 heeft aange- boden op het werk onder invloed van alcohol en aldus onder invloed van alcohol haar functie te hebben uitgeoefend. Op het eerste gezicht maakt verzoekster niet aannemelijk hoe het “bijsturen” of “aanpassen” van haar competenties bij wijze van een evaluatie een invloed had kunnen hebben op het plegen van het haar ten- lastegelegde feit. Er lijkt immers redelijkerwijs te mogen worden aangenomen dat een lid van het operationeel kader in het algemeen en van het officierskader in het bijzonder, ook zonder dat “bijsturen” wist of moest weten dat het zich aanbieden op het werk onder invloed van alcohol en aldus onder invloed van alcohol zijn of haar functie uit te oefenen, strijdt met de deontologische voorschriften ter zake. Dit geldt op het eerste gezicht met des te meer klem indien, zoals te dezen uit de be- streden beslissing blijkt, verzoekster “al in 2018 een serieuze verwittiging [kreeg] waarbij de tuchtoverheid [verzoekster] nog een kans gaf door de straf te vermin- deren na de hoorzitting” en dat “hierdoor [verzoekster] diende […] te weten dat er zwaar getild zou worden aan een nieuw feit inzake alcoholverbruik.” In deze context volstaat verzoeksters kritiek niet om aannemelijk te maken dat de hogere tuchtoverheid op onzorgvuldige wijze tot haar besluit is gekomen. Hetzelfde geldt wat verzoeksters bewering betreft dat zij, bij gebreke aan voltooide evaluatiecy- clus, zich nooit ten volle heeft kunnen verdedigen tegenover de perceptie die bij haar leidinggevenden heerste en zulks los van de vaststelling dat verzoekster geen XIV-38.409-42/44 begin van bewijs overlegt dat haar bewering ondersteunt noch dat zij aannemelijk maakt dat die perceptie bestond in hoofde van de hogere tuchtoverheid. Voorts getuigt, wat verzoekers kritiek betreft inzake de beoor- deling van haar functioneren, te dezen het enkele feit dat de hogere tuchtoverheid haar goede beoordeling die zij kreeg in 2016, niet in rekening nam bij haar over- wegingen van de straf, niet van een onzorgvuldig beoordelen door de hogere tuchtoverheid. Evenmin volstaat ter zake het verwijzen naar de impact die de feiten volgens verzoekster op haar hebben of nog steeds hebben. Voorts steunt verzoeksters kritiek dat de Tuchtraad de stelling van de hogere tuchtoverheid inzake “problemen die het gevolg waren van alco- holmisbruik van verzoekster” in de periode 2005-2006 “voor waar aanneemt”, op een verkeerde lezing van het advies. De Tuchtraad stelt enkel dat het standpunt van de hogere tuchtoverheid dat de bestreden beslissing daar niet op is gesteund, “correct is nu in het voorstel van zware straf daar niet naar verwezen werd.” Verzoekster betrekt dit niet bij haar kritiek zodat die niet op zijn merites kan worden onderzocht. Overigens bemerkt de Raad van State dat evenmin uit de bestreden beslissing blijkt dat die op de feiten uit de periode 2005-2006 steunt. De kritiek van verzoekster is derhalve niet ernstig. Wat tot slot verzoeksters bedenkingen betreft inzake de reactie van de korpschef bij de kennisgeving van zowel het voorstel als van de bestreden beslissing, zet zij niet uiteen op welke wijze dit doet blijken van het door haar in het middel geschonden geachte zorgvuldigheidsbeginsel en zulks los van de vast- stelling dat verzoekster deze kritiek uit zonder enig begin van bewijs.
- Het vierde middel is niet ernstig. XIV-38.409-43/44 VI. Conclusie
- Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die cumulatief vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. VII. Rechtsplegingsvergoeding
- Wat de respectieve vraag van de partijen tot toekenning van een rechtsplegingsvergoeding betreft, wordt de bijdrage in de betaling van de kosten bepaald in het arrest waarin uitspraak wordt gedaan over het beroep tot nietigver- klaring. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt de vordering.
- Bij de publicatie van dit arrest door de Raad van State wordt de identiteit van verzoekster weggelaten. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van vijftien januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, XIVe kamer, samengesteld uit: Geert Debersaques, kamervoorzitter, bijgestaan door Joris Casneuf, griffier. De griffier De voorzitter Joris Casneuf Geert Debersaques XIV-38.409-44/44 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.498 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.248.044 gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.256.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.