← België

Arrest 249538 - Personeel van het onderwijs - Aanwerving en loopbaan - 20/01/2021

Obsah (4)§ 1§7§2§ 5

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 20 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:202

, § 8, van het ZAP-reglement, omdat de decaan de vergadering van 10 november 2017 van de universitaire ZAP-commissie slechts heeft verlaten ná de beraadslaging over en de afwijzende beslissing van zijn vraag om te worden gehoord. De decaan heeft dus deelgenomen aan de beraadslaging over zijn dos- sier. Deze inbreuk is relevant omdat deze commissie heeft beslist het door verzoeker gevraagde horen te weigeren.

  1. In zijn memorie van wederantwoord laat verzoeker gelden dat het “hoorrecht” een specifiek discussiepunt was in zijn concrete dossier en dat niet blijkt dat dit hoorrecht ook een punt vormde in de andere door de universitai- re ZAP-commissie behandelde dossiers.
  2. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat het aannemelijk is dat in afwezigheid van de decaan van de betrokken faculteit rechtsgeleerdheid, de universitaire ZAP-commissie hem zou hebben toegestaan om gehoord te worden. Hij wijst erop dat hij de enige was die de commissie verzocht had om gehoord te worden. Het motief om dit verzoek af te wijzen is duidelijk afkomstig vanwege het juridisch geschoold lid van de universitaire ZAP-commissie, namelijk de de- caan van de faculteit rechtsgeleerdheid. IX-9249-9/35 De reglementering heeft een georganiseerd administratief be- roep ingesteld en die reglementering heeft die dubbele aanleg beoogd te waarbor- gen door te verbieden dat de deelnemer aan de beroepen beslissing ook deelneemt aan de beraadslaging in beroep. Dit verbod waarborgt de onpartijdigheid en onaf- hankelijkheid van dit beroepsorgaan. De onregelmatigheid, bestaande in de over- treding van dit verbod, vormt een substantieel vormvoorschrift, waarvan de over- treding leidt tot nietigheid. Zo niet, aldus verzoeker, wordt de ingestelde be- roepsmogelijkheid van elke inhoud ontdaan. Beoordeling
  3. Tenzij anders vermeld, wordt in dit arrest het ZAP-reglement steeds geciteerd in de versie zoals het van toepassing was op het ogenblik van de bestreden beslissing.
  4. Artikel

, § 8, van het ZAP-reglement luidt: “De universitaire ZAP-commissie heeft een faculteitsoverschrijdende werking. De universitaire ZAP-commissie bewaakt de processen met be- trekking tot het vastleggen en de toetsing op basis van de gepersonaliseer- de doelstellingen en waakt er over dat de faculteiten het kader, zoals be- doeld in artikel

§ 1

vierde lid, consequent en consistent toepassen, zowel binnen de eigen faculteit als in vergelijking met de andere facultei- ten. De academische overheid kan aan bedoelde commissie de opdracht geven om de (universiteitsbrede) praxis inzake het vastleggen en toetsen van de gepersonaliseerde doelstellingen door te lichten. De universitaire ZAP-commissie treedt tevens op bij betwisting van de gepersonaliseerde doelstellingen, zoals vastgelegd door de faculteitsraad, conform artikel 16 §§ 1 en 2; en bij betwisting van het advies van de faculteitsraad inzake de toetsing van het behalen van de gepersonaliseerde doelstellingen, zoals in de vorige paragraaf beschreven. De universitaire ZAP-commissie is samengesteld uit: . voorzitter: de academisch beheerder; . secretaris, aangeduid door de voorzitter; . stemgerechtigde leden: - de decaan van elke faculteit; - de directeur van de directie Onderwijsaangelegenheden; - de directeur van de directie Onderzoeksaangelegenheden De decaan en/of directeur verlaat de vergadering wanneer agendapunten met betrekking tot de eigen faculteit worden behandeld. IX-9249-10/35 De universitaire ZAP-commissie stelt een huishoudelijk reglement op.”

  1. De universitaire ZAP-commissie stelt in haar advies van 17 oktober 2017 het volgende: “De voorzitter geeft aan dat prof. Bernauw de expliciete vraag heeft ge- steld om door de commissie gehoord te worden. En prof. (…) geeft in zijn bezwaarschrift aan bereid te zijn om gehoord te worden door de commis- sie. Spreker stelt thans de vraag of de commissie hen wenst op te roepen en te horen. Conform de reglementaire bepalingen is een hoorzitting geen afdwingbaar recht. De commissie is dus niet verplicht om op het verzoek in te gaan. Anderzijds kan de commissie overeenkomstig artikel 6 § 2 van het werkingsreglement iedere persoon oproepen en horen die kan bijdra- gen tot de verduidelijking van één of meerdere agendapunten. De commissie oordeelt unaniem dat de ingediende bezwaarschriften in globo voldoende uitgewerkt en gedocumenteerd zijn en dat bijgevolg een hoorzitting niet nodig is. Meer algemeen is de commissie van mening dat het in het kader van het gelijkheidsbeginsel aangewezen is om ofwel alle 4 professoren uit te nodigen voor een hoorzitting ofwel niemand. Ook bij de betwistingen in 2015-2016 werden de betrokken ZAP-leden niet ge- hoord. Evenmin bij de beroepsaantekeningen tegen de gepersonaliseerde doelstellingen.” In het verslag van deze vergadering wordt tevens vermeld dat “[c]onform de reglementaire bepalingen [T.] als decaan van faculteit Recht en Criminologie, de vergadering voor de eerste 2 dossiers uit de faculteit Recht en Criminologie [verlaat]”. 14.
  2. De decaan van de rechtsfaculteit heeft de vergadering van 17 oktober 2017 verlaten op het ogenblik dat verzoekers individuele dossier is besproken. Weliswaar is op die vergadering de vraag naar het in persoon horen van de bezwaarindieners gerezen naar aanleiding van de specifieke vraag van verzoeker, maar uit het aangehaalde verslag blijkt niet dat de commissie op die vraag een geïndividualiseerd antwoord heeft gegeven. Zij heeft integendeel een beslissing genomen over “de ingediende bezwaarschriften in globo” en dit gemotiveerd op grond van het gelijkheidsbeginsel en de precedenten bij vorige betwistingen. IX-9249-11/35 De commissie doet bijgevolg uitspraak over het in persoon ho- ren van de bezwaarindieners zonder hierbij in te gaan op de concrete vraag van verzoeker en zonder een onderscheid te maken tussen de verschillende facultei- ten. Elke algemene kwestie die de commissie moet regelen, heeft noodzakelijk een weerslag op de individuele dossiers. Artikel

, § 8, van het ZAP-reglement moet niet zo worden gelezen dat alle decanen of directeurs die behoren tot de betrokken faculteiten het beraad moeten verlaten wanneer de commissie zich over de algemene aanpak van de dossiers uitspreekt. 14.

  1. Voorts heeft de universitaire ZAP-commissie op 10 november 2017 het dossier van verzoeker herbesproken, mede in het licht van bijkomende informatie van verzoeker, en dit in afwezigheid van de decaan. Zij heeft zich op dat ogenblik andermaal in staat geacht – impliciet maar zeker – om zich te kun- nen uitspreken over het bezwaar van verzoeker zonder hem alsnog in persoon te moeten horen. 14.
  2. Zoals de universitaire ZAP-commissie terecht opmerkt, ten slotte, heeft een personeelslid niet het recht om in persoon gehoord te worden over de toetsing van het behalen van de gepersonaliseerde doelstellingen en ge- schiedt een beoordeling van een bezwaar in beginsel op stukken, tenzij de com- missie zelf reden ziet om de betrokkene of een derde te horen. 14.
  3. Verzoeker maakt niet aannemelijk dat hem het in persoon ho- ren is geweigerd door de universitaire ZAP-commissie ingevolge de deelname van de decaan van de betrokken faculteit aan de bespreking van kwesties die de individuele dossiers overstijgen. Gelet op de gevolgde werkwijze en het ingeroe- pen motief om zich te houden aan de precedenten, is het evenmin aannemelijk dat de commissie anders zou hebben geoordeeld, mocht de decaan zich bij de beraad- slaging over dit punt van deelname onthouden hebben. IX-9249-12/35
  4. Het middel is ongegrond, zonder dat moet worden onderzocht of verzoeker er nog een actueel belang bij heeft. C. Tweede middel Uiteenzetting van het middel
  5. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het “algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bestaande in het toestaan van het hoorrecht”. Verzoeker betoogt dat hij herhaaldelijk heeft gevraagd om te worden gehoord, zowel door de universitaire ZAP-commissie als door het be- stuurscollege. Er werd hem geantwoord dat dit niet nodig was aangezien zijn schrijven aan het bestuurscollege voldoende gemotiveerd en gedocumenteerd was. Hij mocht er dus van uitgaan dat het besluit voor hem gunstig zou zijn. Dit hoorrecht was onder meer van belang om de inmiddels goedgekeurde wijziging van de verdeelsleutel onderwijs-onderzoek in de taakom- schrijving van verzoeker voor de volgende reguliere evaluatie aan het bestuurs- college te kunnen meedelen. Via dit hoorrecht had verzoeker de verwerende partij het nodige inzicht kunnen bijbrengen. Beoordeling
  6. De op de overheid rustende verplichting om de belanghebbende vooraf de gelegenheid te geven om voor zijn belangen op te komen, vindt – be- houdens een bepaling in andersluidende zin – in beginsel geen toepassing binnen het raam van benoemings- of bevorderingsprocedures, zelfs niet ten opzichte van kandidaten die worden afgewezen. IX-9249-13/35 De hoorplicht vindt als algemeen beginsel van behoorlijk be- stuur daarenboven evenmin toepassing wanneer de betrokken regelgeving de rechten van de bestuurde expliciet regelt.
  7. Welnu, het recht om in het kader van de toetsing van het beha- len van de gepersonaliseerde doelstellingen nuttig voor zijn standpunt op te ko- men, wordt in het ZAP-reglement uitdrukkelijk geregeld, en wel middels een georganiseerd administratief beroep. Het ZAP-reglement organiseert immers de mogelijkheid voor het betrokken personeelslid om tegen het advies van de facul- teitsraad bezwaar aan te tekenen bij de universitaire ZAP-commissie. In een bijkomend beroep bij het bestuurscollege is niet voor- zien: het bestuurscollege neemt enkel de eindbeslissing, op advies van de univer- sitaire ZAP-commissie. In de mate waarin verzoeker stelt dat hij nog bijkomend moest worden “gehoord” door het bestuurscollege, faalt het middel naar recht.
  8. Het ZAP-reglement regelt niet uitdrukkelijk hoe het betrokken personeelslid zijn recht op bezwaar voor de universitaire ZAP-commissie moet of mag uitoefenen. Daargelaten in welke mate dan de hoorplicht aanvullend geldt als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, vereist dit beginsel hoe dan ook niet dat verzoeker in persoon moet kunnen verschijnen. De vraag of eraan is vol- daan moet in concreto worden beantwoord. Aangenomen wordt dat ook aan het hoorrecht voldaan wordt, indien de belanghebbende dit op schriftelijke wijze kan uitoefenen. In de voorliggende zaak blijkt dat verzoeker een schriftelijk bezwaar heeft ingediend bij de commissie, zodat hij de mogelijkheid had om zijn middelen van verdediging aan de commissie voor te leggen, dat de commissie IX-9249-14/35 verzoeker heeft gevraagd om bijkomende informatie en dat de commissie oor- deelde dat de bezwaarschriften voldoende duidelijk waren om de betrokkenen niet meer in persoon te moeten horen, waartoe zij zoals gezien niet verplicht was. Ook in die mate is “het hoorrecht”, voor zover het als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur aanvullend van toepassing is, niet geschonden.
  9. Het middel is niet gegrond en wordt verworpen, zonder dat onderzocht moet worden of verzoeker nog een actueel belang heeft bij het mid- del. D. Derde middel Uiteenzetting van het middel
  10. Het derde middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 „betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen‟. Volgens verzoeker geeft het bestuurscollege in de bestreden beslissing niet aan welke stemming betrekking heeft op een toetsing van zijn ge- personaliseerde doelstellingen en bevat die beslissing zelf geen enkele overwe- ging, maar verwijst ze louter naar het advies van de universitaire ZAP- commissie. Het advies van de universitaire ZAP-commissie heeft geen eigen be- oordeling en sluit zich aan bij de bevindingen van de faculteit, die zich op haar beurt aansluit bij de bevindingen van de facultaire ZAP-commissie – die dan weer “de bevooroordeelde visie” van slechts één persoon, de voorzitter van de facultaire ZAP-commissie, weergeeft. Het advies van de universitaire ZAP-commissie bestaat uit nietszeggende termen als „onkies‟, „logisch interpreteren‟, maar geeft geen ant- woord op de concrete argumenten van verzoeker dat het reglement nergens een IX-9249-15/35 limietdatum tijdens de cyclus bepaalt voor de aanvraag tot correctie van de doel- stellingen, dat een correctie van de doelstellingen steeds terugwerkt over de gehe- le evaluatieperiode en dat de prestaties van de gehele cyclus bij de toetsing in aanmerking genomen moeten worden. Voorts wordt geen antwoord gegeven op zijn zeven concrete argumenten omtrent het niet op competitieve wijze binnenha- len van de financiering van zijn onderzoeksproject rond micro-insurance. Beoordeling
  11. Verzoeker kon in het auditoraatsverslag de volgende bespre- king lezen van dit middel: “De verwerende partij stelt in de bestreden beslissing kennis te hebben genomen van het gemotiveerd advies van de universitaire ZAP-commissie en beslist dat de gepersonaliseerde doelstellingen niet werden behaald, voor een eerste betrokken ZAP-lid bij unanimiteit en bij een tweede be- trokken ZAP-lid bij meerderheid. De verwerende partij heeft zich bijgevolg aangesloten bij de overwegin- gen van het advies van de universitaire ZAP-commissie. Verzoeker ver- duidelijkt niet welk belang hij er bij heeft te weten of dit gebeurde bij unanimiteit of bij meerderheid aangezien voor de twee ZAP-leden is be- slist dat zij de gepersonaliseerde doelstellingen niet behalen. De verwijzing in de motivering naar een advies kan een afdoende motive- ring zijn. Hiertoe moet wel aan een aantal voorwaarden voldaan zijn. De inhoud van het advies moet aan de bestuurde ter kennis zijn gebracht, het advies moet zelf afdoende gemotiveerd zijn, het moet gevolgd worden en er mogen geen tegenstrijdige adviezen zijn. Het feit dat de universitaire ZAP-commissie op haar beurt verwijst naar het advies van de faculteitsraad en deze op zijn beurt naar het advies van de facultaire ZAP-evaluatiecommissie, houdt op zich geen schending in van de formelemotiveringsplicht. Door de ongestaafde bewering van ver- zoeker dat het advies van de facultaire ZAP-evaluatiecommissie de be- vooroordeelde visie van slechts één persoon is, toont verzoeker niet aan dat dit laatste advies niet afdoende gemotiveerd is. In zoverre verzoeker betoogt dat het advies van de universitaire ZAP- commissie niet antwoordt op zijn concrete argumenten, dient vastgesteld dat de formelemotiveringsplicht in houdt dat in de beslissing zelf op een afdoende wijze de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen. Ze houdt niet in dat het bestuur in zijn beslissing een antwoord moet geven op álle argumen- ten die een personeelslid als bezwaar zijn aangevoerd. Wel dient te blijken dat het bestuur de wezenlijke aspecten van het verweer van het betrokken personeelslid bij zijn beoordeling heeft betrokken. IX-9249-16/35 In casu is dit wel degelijk het geval. Zo blijkt uit het advies van [17 okto- ber] 2017 dat de commissie het bezwaar in verband met de aanpassing van de gepersonaliseerde doelstellingen, het al dan niet op competitieve basis binnenhalen van de verworven financiering voor het onderzoekspro- ject rond micro-insurance en de scoring van de publicatieoutput heeft be- antwoord. De omstandigheid dat verzoeker het niet eens is met de antwoorden van de verwerende partij, doet hieraan geen afbreuk. Het derde middel is ongegrond.”
  12. In zijn laatste memorie brengt verzoeker hiertegen niets in, hij laat het derde middel zelfs geheel onbesproken.
  13. De Raad van State kan van zijn kant de niet weersproken be- oordeling van het auditoraat volkomen bijvallen en besluit na eigen onderzoek insgelijks, om de aangehaalde redenen, dat het middel ongegrond is en verworpen wordt, zonder dat moet worden nagegaan of verzoeker nog een actueel belang heeft bij dit middel. E. Vierde middel Uiteenzetting van het middel
  14. In een vierde middel voert verzoeker de schending aan van ar- tikel 4 van de wet van 11 april 1994 „betreffende de openbaarheid van bestuur‟. Verzoeker heeft vóór het bestuurscollege van 15 december 2017 mededeling gevraagd van het advies van de universitaire ZAP-commissie via de dienst Personeel en Organisatie maar hierop werd niet ingegaan. Verzoeker kon dus niet nuttig gegevens aanvoeren bij het bestuurscollege doordat hij geen kennis had van de concrete gronden die tot het bestreden besluit zouden leiden. Bij gebrek aan een (volledig) dossier op papieren drager dat fysisch (versta: fysiek) toegankelijk is, hangt hij volledig af van de mededeling van elektronische bestanden door de verwerende partij. IX-9249-17/35
  15. In de memorie van wederantwoord merkt verzoeker op dat hij het door hem gevraagde advies weliswaar in handen kreeg, maar pas nádat de bestreden beslissing genomen werd. Dit heet, nu, een schending te zijn van arti- kel 7 van het decreet van 26 maart 2004 „betreffende de openbaarheid van be- stuur‟.
  16. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de secretaris van het bestuurscollege “voor het eerst de motieven van de bestreden beslissing aan ver- zoeker [heeft] overgemaakt op vrijdagavond 23 februari 2018, dus bij het ver- strijken van de termijn voor annulatieberoep en nadat verzoeker zijn verzoek- schrift tot annulatieberoep reeds had ingediend en zijn middelen daarin reeds had geformuleerd”. Beoordeling
  17. De Raad laat in het midden of de federale wet openbaarheid van bestuur van toepassing is op het geviseerde bestuursdocument van de verwe- rende partij en of nog ontvankelijk in de memorie van wederantwoord de schen- ding van het Vlaams openbaarheidsdecreet aangevoerd mag worden. Het volstaat eraan te herinneren dat hiervóór reeds is overwo- gen dat verzoeker zich vergist als hij beweert in het kader van het georganiseerd beroep nog het recht te hebben om zijn grieven andermaal voor het bestuurscolle- ge te mogen doen gelden en inzonderheid nog een reactie te mogen geven op het advies dat de universitaire ZAP-commissie verleent aan het bestuurscollege. Die vaststelling laat toe te besluiten dat verzoeker geen belang heeft bij het middel, zodat het – ab initio – onontvankelijk is.
  18. In zijn laatste memorie geeft verzoeker een gans nieuwe grond- slag aan het middel. Dat is laattijdig en eveneens onontvankelijk. Wat verzoeker daar schrijft, mist ook feitelijke grondslag, in zoverre dat de inhoud van de ver- IX-9249-18/35 slagen van de universitaire ZAP-commissie en het verslag van de vergadering van het bestuurscollege te lezen is in de bijlagen 1 en 16 van het inleidend ver- zoekschrift. F. Vijfde middel, zevende middel en elfde middel Vooraf
  19. Het vijfde, het zevende en het elfde middel hebben betrekking op de toetsing van de gepersonaliseerde doelstelling inzake de externe onder- zoeksfinanciering. Het auditoraat acht het passend om deze middelen, gelet op hun samenhang, samen te behandelen in het auditoraatsverslag. In zijn laatste memorie verzet verzoeker zich hiertegen niet. Ook de Raad valt deze benadering bij. Uiteenzetting van de middelen
  20. Het vijfde middel luidt „bevoegdheidsoverschrijding‟ en wordt door verzoeker zeer kort toegelicht als volgt: “Met de willekeurige invulling van het begrip „competitief‟ dat enkel in zijn normale betekenis mag aangewend te worden en dat in het Facultair referentiekader […] is gedefinieerd als „o.g.v. inhoudelijke criteria‟, als vereisend een openbare oproep, een reglement, een jury, effectieve con- currentie, enz. (zie verslag Faculteitsraad, […]), heeft de verwerende par- tij haar bevoegdheden overschreden. Aldus heeft de verwerende partij zichzelf een deliberatiemarge geschapen in strijd met de uitdrukkelijke bepaling van art.

§7

Reglement […].” Wat verzoeker bedoelt met deze toelichting valt slechts te be- grijpen aan de hand van de volgende passus uit het feitenrelaas: IX-9249-19/35 “Verzoekende partij bekwam in de 5-jarige evaluatiecyclus naast andere onderzoeksfinanciering (in totaal +/- EURO 850.000), ook het engage- ment van de „Fondation Européenne des Fondations‟ tot tenlasteneming van de loonkost van een doctoraatsbursaal verhoogd met de universitaire overhead van 17% en dit gedurende 6 jaar (6 x EURO 65.000 x 1,17 = EURO 456.300). Met de geldelijke omvang van deze verworven externe onderzoeksfinanciering voldoet verzoekende partij aan de in zijn geperso- naliseerde doelstellingen opgelegde minimum score qua bedrag (2 x EU- RO 100.000) […]. Alleen erkende de Facultaire ZAP-evaluatiecommissie bij de toetsing het „competitief‟ karakter van deze onderzoeksfinanciering niet op grond van de argumenten dat geen openbare oproep werd gelanceerd en er geen con- currentie met andere kandidaten is geweest. Het competitief karakter wordt aldus door de commissie ingevuld vanuit het perspectief van de zogenaamde „tweede geldstroom‟ ter financiering van wetenschappelijk onderzoek (FWO e.d.) als wanneer het in het Facul- tair referentiekader en in de persoonlijke doelstellingen duidelijk een an- der type van onderzoeksfinanciering betreft, zodat het FWO scenario pre- cies niet geldt. Er bestaat een duidelijk verschil tussen de onderscheiden zogenaamde „geldstromen‟ ter financiering van wetenschappelijk onderzoek. Nochtans blijkt onder meer uit haar publiekelijk toegankelijke statuten (gepubliceerd in het staatsblad) dat het maatschappelijk doel van deze stichting louter bestaat in de financie[ri]ng van wetenschappelijk onder- zoek voor gegadigden. Nochtans is de financieringsmogelijkheid van deze stichting in het be- trokken vakgebied (verzekeringsrecht) alom bekend. Nochtans is er een oproep via een webstek van de dochterstichting „Fondation Jean Bastin‟ geweest. Nochtans heeft een panel (met onder andere collega Prof. Dr. […] – hoogleraar VUB) het onderzoeksfinancieringsvoorstel bij de stich- ting beoordeeld. Nochtans werd de financieringsaanvraag voor dit project op inhoudelijke criteria beoordeeld: Relevantie, actualiteit, aansluiting bij het maatschap- pelijk oogmerk van de stichting, expertise van de promotor, haalbaarheid, butgettering, enz. Dat zoals achteraf zou blijken, in deze periode, enkel de onderzoeksfinan- cieringsaanvraag door verzoekende partij werd ingediend bij de stichting, kan bezwaarlijk gelden als argument dat de procedure niet competitief zou zij[n]. Immers de mogelijkheid stond voor alle gegadigden open en de fi- nancierende instelling heeft steeds de mogelijkheid een voorstel niet te honoreren indien het niet aan de kwaliteitseisen voldoet. Het begrip „competitief‟ wordt in het facultair referentiekader […] uitge- legd als „o.g.v. inhoudelijke criteria‟. In het document „Towards a european framework for research careers‟ waarnaar het Universitaire referentiekader […] in art. 3.1. verwijst, is ner- gens sprake van „competitief‟. De invulling door de verwerende partij nu van het begrip „competitief‟ is een arbitraire wijziging van de opgelegde objectieven en die wijkt af van IX-9249-20/35 de normale betekenis van de term en bedriegt de normale verwachtingen. De invulling van het begrip door de commissie verwart ook de potentiële concurrentie in de financieringsvoorstellen (zoals vereist) met effectieve concurrentie, die zij meent te lezen in de omschrijving van de persoonlijke doelstellingen. Via dergelijke interpretaties schept de commissie zichzelf een delibera- tiemarge, die er overeenkomstig de reglementering niet is. Het Reglement […] schrijft in art.

§1

in fine voor dat: „De gepersonaliseerde doelstellingen dienen voldoende concreet en meet- baar te worden opgesteld‟. Zij mogen bijgevolg geen vage, dubbelzinnige of voor interpretatie vatbare termen bevatten.” 32. Het zevende middel luidt „schending vertrouwensbeginsel: rechtszekerheid en gewekte verwachtingen‟, wat verzoeker toelicht als volgt: “In de mate dat de term „competitief‟ voor andere interpretatie vatbaar zou zijn, heeft de verwerende partij het voorschrift van art.

§2

van haar eigen Reglement […] overtreden, dat bepaalt dat de gepersonaliseer- de doelstellingen dienen „voldoende concreet en meetbaar‟ te worden op- gesteld. Een bestuurlijke overheid zoals de Faculteit Rechtsgeleerdheid moet haar reglementen […] in ieder geval zó formuleren dat het personeelslid pre- cies weet waar hij aan toe is of wat deze overheid van hem verlangt. De bestuurlijke overheid begaat een fout wanneer zij haar reglementering zo vaag uitwerkt dat deze nadien voor diverse interpretatie vatbaar zou zijn. Aldus kan deze overheid de termen en bepalingen die voorkomen in de reglementering naderhand niet naar believen op discretionaire en arbitrai- re wijze invullen. Meer bepaald kan via interpretatie geen betekenis aan termen en bepalin- gen uit de reglementering worden gegeven, die verschillen van de norma- le betekenis en aldus het personeelslid in zijn rechtmatige verwachting naderhand verrassen. Deze regel is van belang met betrekking tot de bete- kenis van het begrip „competitief‟. De bestempeling van een verworven onderzoeksfinanciering als niet com- petitief op grond van criteria (openbare oproep, reglement, ...) die niet wa- ren geëxpliciteerd bij de bepaling van de persoonlijke doelstellingen, schendt de normaal gewekte verwachtingen en bijgevolg het vertrou- wensbeginsel. De administratieve overheid kan aan het eind van de rit geen bijkomende voorwaarden stellen, die niet waren uitgedrukt in de opgelegde doelstel- lingen. Uit het feit dat in het facultair referentiekader […] naast het FWO type van onderzoeksfinanciering, ook een andere categorie van competitieve onderzoeksfinanciering is voorzien, blijkt dat deze precies niet de ken- merken van de FWO financieringstypes (op het vlak van periodiciteit, op- roep, reglement, jury enz.) dienen te vertonen.” IX-9249-21/35 33. Het elfde middel luidt „schending van het begrip „competitief‟, zoals opgenomen in het Facultair Referentiekader en in de gepersonaliseerde doelstellingen verzoekende partij‟ en krijgt de volgende toelichting: “Duidelijke reglementsbepalingen kunnen niet geïnterpreteerd worden. Het begrip competitief kan enkel begrepen worden in de zin van „poten- tiële‟ mededinging van andere gegadigden en niet „effectieve‟ concurren- tie, zoals voorgehouden door verwerende partij. In zijn normale betekenis is competitie de mededinging of concurrentie, de strijd tussen verschillende partijen om schaarse bronnen. De misvatting van de bestreden beslissing bestaat erin competitie als ef- fectieve concurrentie te begrijpen, terwijl dit begrip slechts de draagwijdte heeft van potentiële concurrentie. Dit houdt in: de mogelijkheid van andere partijen om mee te dingen naar de schaarse bron, die de onderzoeksfinanciering in casu uitmaakt. Dat andere gegadigden die mogelijkheid hadden, wordt in casu aange- toond door de openbaar gepubliceerde statuten van de stichting, door het feit dat het enig maatschappelijk doel van de stichting bestaat in de finan- ciering van wetenschappelijk onderzoek, door de bekendheid van de stich- ting in het vakgebied, enz. De laureaat heeft nooit enige impact op het bestaan van effectieve concur- rentie: dit hangt niet van hem af en het feit dat er in een concreet geval geen effectieve mededinger is geweest, kan de laureaat niet ten kwade worden gebruikt. Dat er in een concreet geval geen effectieve tegenkandidaten zijn geweest, neemt niet weg dat de instelling die de financiering verleent, een kwali- teitsbeoordeling maakt en de toekenning zou weigeren indien het onder- zoeksproject niet aan die criteria voldoet. De financierende instelling is nooit gehouden om het voorgestelde project met financiering te honore- ren.” 34. In de memorie van wederantwoord komt verzoeker niet terug op het vijfde, noch op het elfde middel. Met betrekking tot het zevende middel merkt hij op dat in de categorie „andere projecten en mandaten op competitieve basis‟ voor wat het rechtsdomein betreft geen toepassingen te vinden zijn die voldoen aan de door de verwerende partij bijkomend gestelde voorwaarden, namelijk „publieke project- oproep met kenbare (inhoudelijke) criteria‟. IX-9249-22/35 35. In zijn laatste memorie stelt verzoeker over de drie middelen samen nog het volgende: “(

  1. i)De kenmerken van de financieringsbron (Fondation Européenne des Fondations) waarvan verzoekende partij laureaat was voor het onder- zoeksproject „Micro Insurance‟, beantwoorden aan het gevergde competi- tief karakter om diverse redenen. Onder meer vormen volgende kenmer- ken van de financieringsbron factoren die de mogelijke competitie waar- borgen: (
  2. ii)de permanente oproep aan gegadigden via de publieke bekendmaking door de publicatie van de statuten van de financierende stichting (iii) de algemene bekendheid onder gegadigden uit de sector van deze fi- nancieringsbron (
  3. iv)de kwaliteitsbeoordeling van de ingediende projecten door een jury. Trouwens antwoordt verwerende partij niet op de vraag van verzoeker om een concreet voorbeeld te geven van een project of mandaat in het vakge- bied van verzoeker dat zou voldoen aan de competitie vereiste, zoals door haar ingevuld: nl. „publieke projectoproep met kenbare (inhoudelijke) cri- teria‟ […]. Schrijnend en blijk gevend van haar willekeur is dat verwerende partij in haar beslissing van 28 september 2018 […] ditzelfde onderzoeksproject wel heeft aanvaard als voldoend aan de financieringsscore ten behoeve van de bevordering van verzoeker.” Beoordeling 36. Het “Functioneel loopbaanmodel ZAP, Referentiekader Geper- sonaliseerde doelstellingen Faculteit Rechtsgeleerdheid” (“facultair referentieka- der”) bepaalt dat voor de berekening van de score voor de deelopdracht onder- zoek onder „projecten‟ gebruikgemaakt wordt van het onderstaande telschema: Categorie Gewicht Hoofdpartner GOA, SBO, IUAP, ERC of grote internatio- 9 nale projecten (meer dan € 750.000 budget personele mid- delen voor het ganse project) Andere partner (met door het project toegewezen perso- 4,5 neelsmiddelen) GOA, SBO, IUAP, ERC of grote inter- nationale projecten FWO, nationaal niveau, zowel projecten als mandaten 3 BOF, zowel projecten als mandaten 2 Andere projecten en mandaten, op competitieve basis 1-3 (o.g.v. inhoudelijke criteria) verworven en waarvan het ei- gen aandeel in de verworven middelen min. € 100.000 be- IX-9249-23/35 draagt: gewicht = 1 per schijf van € 100.000; maximum = 3 Andere projecten met een minimumduur van 6 maanden 0,25 37. Uit het facultair referentiekader blijkt niet dat de term „compe- titief‟ synoniem is voor een beoordeling “op grond van inhoudelijke criteria”. De verwijzing naar inhoudelijke criteria is een voorwaarde die het competitief karak- ter preciseert, maar niet bepaalt. De inhoudelijke criteria zijn de criteria die ge- bruikt worden om een project al dan niet te aanvaarden. Een competitief project wordt op grond van inhoudelijke criteria beoordeeld. Zoals de verwerende partij stelt, gaat het bij dit criterium niet om het al dan niet binnenbrengen van financiering op zich, maar vormt dit crite- rium een graadmeter “om die kwalitatieve component nog sterker te benadruk- ken, en te vermijden dat de beoordeling op bijv. louter financiële criteria zou slaan”: “De gepersonaliseerde doelstellingen zijn kwaliteitsmeters. De bedoeling van de ingeschreven competitieve basis, is dat er een oproep is, waarbij een expertenpanel oordeelt over de kwaliteit van de ingediende project- voorstellen. Dit criterium gaat dus géénszins om het al dan niet binnen- brengen van financiering op zich, maar vormt wel een valide parameter om te beoordelen of het ZAP-lid op kwaliteitsvolle wijze wetenschappe- lijke projecten uitwerkt en binnenhaalt. Het binnenhalen van financiering voor een project, na openbare oproep en beoordeling door experten, toont aan dat het om een kwaliteitsvol project gaat (cf. beoordeling van project- voorstellen bij overheidsopdrachten). De inhoudelijke criteria, waarvan sprake, zijn de criteria die gebruikt worden om een project al dan niet te aanvaarden. Het is een bijkomende voorwaarde aan de vereiste van „com- petitie‟ en geen synoniem ervan, zoals verzoekende partij verkeerdelijk aangeeft.” 38. Zoals verzoeker zelf in zijn zevende middel aangeeft, is „com- petitief‟ in zijn normale betekenis “mededinging of concurrentie of de strijd tus- sen verschillende partijen om schaarse goederen”. De verwerende partij die stelt dat competitiviteit als enig doel heeft ervoor te zorgen dat verschillende kandida- ten met elkaar kunnen wedijveren, begrijpt dit begrip op dezelfde wijze zodat niet kan worden aangenomen dat deze term voor verschillende interpretaties vatbaar is en zodanig het rechtszekerheidsbeginsel zou schenden. IX-9249-24/35 Verzoeker mag vragen hebben bij dit telschema, maar dat is opportuniteitskritiek die niet aantoont dat het de beleidsvrijheid van de verweren- de partij te buiten gaat om de kwaliteit van de onderzoeksfinanciering aldus te berekenen. 39. Het feit dat er maar één kandidaat zich zou inschrijven, vormt geen weigeringsgrond zoals verzoeker verkeerdelijk beweert. Potentiële competi- tie volstaat dus wel degelijk en het is niet vereist dat verschillende partijen effec- tief concurreren, zij moeten hiertoe enkel de mogelijkheid hebben. Bovendien is het niet onredelijk om, zoals de verwerende partij aanneemt, een publicatie van de statuten van de stichting, het doel en de bekendheid van de stichting niet gelijk te stellen met het vereiste in competitie stellen. 40. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de verwerende partij op 28 september 2018 het in geding zijnde onderzoeksproject “wel heeft aan- vaard als voldoend aan de financieringsscore” en hij verwijst naar een nieuw stuk 28. Dit stuk is een overzicht van de beslissingen van het bestuurscollege van 28 september 2018 en leert enkel dat dit college beslist dat verzoeker de geperso- naliseerde doelstellingen behaalt. Er kan niet uit worden afgeleid welke motive- ring daaraan ten grondslag ligt en al helemaal niet of inderdaad nu anders is ge- oordeeld over het project dan wat daarover is aangenomen in de bestreden beslis- sing. 41. De drie besproken middelen zijn ongegrond, daargelaten of verzoeker er actueel nog belang bij heeft. G. Zesde middel Uiteenzetting van het middel 42. In het zesde middel voert verzoeker een verboden delegatie van beslissingsmacht aan, omdat het bestuurscollege “door te beslissen zonder een IX-9249-25/35 eigen beoordeling en beraadslaging en door eenvoudigweg te verwijzen naar het advies van de universitaire ZAP-commissie, zijn beslissingsmacht heeft overge- dragen”. Beoordeling 43. Verzoeker betwist alvast niet dat de bestreden beslissing for- meel uitgaat van het bestuurscollege. Niets staat voorts het bestuurscollege eraan in de weg, indien het na een eigen onderzoek van de zaak tot de bevinding komt dat het zich vol- komen kan vinden in de adviezen die hem zijn verleend, om zich “door eenvou- digweg te verwijzen” daarbij aan te sluiten. Van een bevoegdheidsdelegatie is hierbij geen sprake. 44. Het middel dat van het tegendeel uitgaat, faalt naar recht. Die vaststelling volstaat om het middel te verwerpen, ongeacht of verzoeker nog ac- tueel belang erbij heeft. H. Achtste middel Uiteenzetting van het middel 45. Als achtste middel voert verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel doordat artikel 16 van het ZAP-reglement enkel een be- roepsmogelijkheid organiseert tegen de vaststelling van de gepersonaliseerde doelstellingen bij de aanvang van de evaluatiecyclus, maar niet tegen de aanpas- sing van de gepersonaliseerde doelstellingen in de loop van de evaluatiecyclus. 46. In de memorie van wederantwoord stelt verzoeker vast dat het personeelslid dat niet akkoord kan gaan met de door de faculteitsraad bij het be- gin van de cyclus bepaalde doelstellingen, een beroepsmogelijkheid geniet. Het IX-9249-26/35 personeelslid dat niet akkoord kan gaan met de door de faculteitsraad in de loop van de cyclus bepaalde doelstellingen via aanpassing geniet geen beroepsmoge- lijkheid. Aldus wordt volgens verzoeker een ongelijkheid geschapen die door geen enkel relevant motief wordt verantwoord. Verzoeker ziet geen relevant ver- schil “tussen enerzijds de initiële bepaling van de doelstellingen en anderzijds de aanpassing van de doelstellingen lopende de cyclus dat verantwoordt om in het ene geval wel een beroepsmogelijkheid te voorzien en niet in het andere geval”. Beoordeling 47. Verzoeker kon in het auditoraatsverslag lezen dat hij geen be- lang heeft bij dit middel, omdat hij voor het aangeklaagde verschil in behandeling uitgaat van een situatie waarin hij zich niet bevindt, namelijk die waarbij de fa- culteitsraad na advies van de facultaire ZAP-commissie de gepersonaliseerde doelstellingen aangepast heeft. Verzoeker weerspreekt dit niet in zijn laatste memorie. Hij komt integendeel in het geheel niet terug op dit middel. Aldus overtuigt verzoe- ker ook de Raad niet van het belang dat hij heeft bij een nietigverklaring op grond van dit middel. 48. Het middel is niet ontvankelijk. I. Negende middel Uiteenzetting van het middel 49. In een negende middel voert verzoeker een schending aan van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Het verzuim van de faculteit rechtsgeleerdheid om ter gelegen- heid van de wijziging in zijn onderwijsopdracht ook de aanpassing van de ver- IX-9249-27/35 deelsleutel onderwijs-onderzoek te initiëren vormt een tekortkoming aan de zorg- vuldigheidsplicht. De gepersonaliseerde doelstellingen kunnen tijdens de functio- nele loopbaan worden aangepast op gemotiveerd verzoek van ofwel de faculteit, ofwel het betrokken ZAP-lid. In het facultair referentiekader wordt steunend op de regel rebus sic stantibus gesteld dat ingeval van “veranderde omstandigheden” de gepersonaliseerde doelstellingen dienen te worden bijgesteld en als één van die omstandigheden wordt uitdrukkelijk melding gemaakt van de “wijziging in de aanstelling van de lesgevers”. Het facultair referentiekader stelt dat belangrijke wijzigingen in de onderwijsopdracht tijdens de duur waarvoor de gepersonali- seerde doelstellingen worden opgesteld, overeenkomstig artikel

, § 5, van het ZAP-reglement aanleiding “zullen” geven tot bijstelling van de doelstellingen in de loop van de cyclus – met andere woorden, dat er sprake is van een automa- tisme. Deze regel is van belang met betrekking tot de herziening en bijstelling van de verdeelsleutel van de deelopdrachten onderwijs-onderzoek, toen zijn onderwijsopdracht met 20% werd verhoogd. Beoordeling 50. In het auditoraatsverslag kon verzoeker de volgende beoorde- ling lezen van het middel: “Alhoewel de gepersonaliseerde doelstellingen op gemotiveerd advies van de faculteit kunnen worden aangepast, kan samen met de verwerende par- tij worden aangenomen dat er uit artikel

§ 5

van het ZAP-reglement geen verplichting voor de faculteit kan worden afgeleid om uit eigen be- weging tot de aanpassing van de gepersonaliseerde doelstellingen over te gaan. […] De omstandigheid dat het facultair referentiekader voorziet dat belangrij- ke wijzigingen in de onderwijsopdracht aanleiding zullen geven tot de bij- stelling van de gepersonaliseerde doelstellingen, houdt niet in dat het ver- zoek hiertoe dient uit te gaan van de faculteit.” IX-9249-28/35 51. Verzoeker weerspreekt die analyse niet in zijn laatste memorie. 52. De Raad ziet evenmin enige reden om artikel

, § 5, van het ZAP-reglement anders te lezen en enig schuldig verzuim bij de faculteit vast te stellen. Het middel is ongegrond, zodat niet moet worden onderzocht of ver- zoeker nog actueel belang heeft bij een nietigverklaring op deze grond. J. Tiende middel Uiteenzetting van het middel

  1. In een tiende middel „impliciete weigeringsbeslissing (art. 14§3 Wet Raad van State‟ wijst verzoeker andermaal op het feit dat hij meermaals een gemotiveerd verzoek heeft ingediend tot aanpassing van zijn gepersonaliseerde doelstellingen. Aldus “werd verwerende partij herhaaldelijk aangemaand tot be- slissing en heeft de Faculteit Rechtsgeleerdheid als delegataris van deze be- voegdheid […] sedert meer dan 4 maanden nagelaten om hierover een beslissing te nemen”. Overeenkomstig artikel 14, § 3, RvS-Wet “wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn, waartegen beroep kan wor- den ingesteld”. Beoordeling
  2. Daargelaten de juistheid van de stelling die verzoeker ontwik- kelt omtrent de stilzwijgende (en niet: impliciete) weigeringsbeslissing als be- doeld in artikel 14, § 3, RvS-Wet, valt niet in te zien hoe in die uiteenzetting een middel gelezen kan worden dat een onwettigheid van de bestreden beslissing be- oogt aan te tonen.
  3. Het “middel” is onontvankelijk, ab initio. IX-9249-29/35 K. Twaalfde middel Standpunt van de partijen
  4. In een twaalfde middel voert verzoeker de schending aan van artikel

, § 5, van het ZAP-reglement: “Door te beslissen dat een herziening van de gepersonaliseerde doelstel- lingen niet meer mogelijk zou zijn eens de toetsingsprocedure gestart is (zie advies universitaire ZAP-Commissie, […] vergadering van 17 okto- ber 2017), schendt de bestreden beslissing de bepaling van art.

§5

van het Reglement […] krachtens hetwelk de aanpassing van de geperso- naliseerde doelstellingen mogelijk is gedurende de gehele evaluatieperio- de.” 57. In haar memorie van antwoord werpt de verwerende partij op dat, gelet op artikel

, § 7, van het ZAP-reglement dat geen deliberatie toe- laat, verzoeker “maar belang heeft bij zijn betoog, indien hij kan aantonen dat hij wel degelijk voldoet aan het criterium voor de publicatie-output én het criterium voor de „te verwerven financiële middelen voor onderzoek aan de UGent‟”. 58. Reeds in zijn inleidend verzoekschrift geeft ook verzoeker aan: “[…] dat de reglementering bepaalt dat: - geen deliberatie mogelijk is (art.

§7

Reglement).” Op de exceptie repliceert hij evenwel niet in de memorie van wederantwoord. In zijn laatste memorie argumenteert verzoeker dat hij belang heeft “bij de middelen, op grond waarvan het auditoraat de vernietiging voorstelt” – dat zijn het twaalfde en het dertiende middel. Dit belang adstrueert verzoeker als volgt: “- De door verzoekende partij aangevraagde bijstelling van de verdeel- sleutel van zijn gepersonaliseerde doelstellingen op grond van zijn belas- ting met een bijkomende lesopdracht, had ook weerslag kunnen hebben IX-9249-30/35 op de voor bevordering vereiste onderzoeksprestatie op het vlak van de andere bestanddelen van het wetenschappelijk onderzoek, namelijk on- derzoeksfinanciering en niet alleen publicatie-output. De aanpassing van de gepersonaliseerde doelstellingen heeft betrekking op de verdeelsleutel onderwijs, onderzoek en dienstverlening. Onder de rubriek onderzoek vallen zowel de publicatie-output als de ver- werving van onderzoeksfinanciering. Een herziening van de persoonlijke doelstellingen, kan dus ook betrekking hebben op de omvang en aard van de te verwerven onderzoeksfinancie- ring. - Zoals de universitaire ZAP-commissie zelf aangaf, had verzoekende par- tij belang bij de naleving van het reglement op het vlak van de berekening van zijn score publicatie-output, voor de toekomst. Dit belang is zeker van materiële aard voor verzoekende partij, al was het maar om te weten op welk vlak van de hem als voorwaarde voor bevordering opgelegde objec- tieven en in welke mate hij verdere inspanningen dient te leveren, maar minstens is het van morele aard. - Verzoekende partij heeft belang bij de middelen vermits deze ook de mogelijkheid van een willig beroep schragen: verzoek tot heroverweging en intrekking van de bestreden beslissing over de beoordeling van de competitieve aard der onderzoeksfinanciering. Vermits de kwestieuze be- vordering niet gecontingenteerd was (dus geen andere kandi- daat/kandidaten gegadigd was/waren), behoorde dit tot de plausibele mo- gelijkheden. - De grote verdeeldheid (stemming van meerderheid tegen minderheid) en de sterk genuanceerde motieven van het beslissingsorgaan bij het nemen van de bestreden beslissing […] maken ook aannemelijk dat bij een an- dersluidend besluit inzake de toetsing van 1 van de 2 subluiken der per- soonlijke doelstellingen, ook beoordelingsmarge bestond strekkend tot een voor verzoekende partij gunstige beslissing nopens de toetsing van het andere subluik der persoonlijke doelstellingen, nl. de al dan niet competi- tieve aard van de verworven onderzoeksfinanciering. Het beste bewijs daarvoor bestaat erin dat naderhand verwerende partij deze verworven fi- nanciering voor het onderzoeksproject „Micro Insurance‟ door de geld- schieter Fondation européenne des fondations wel heeft aanvaard in de toetsing van de persoonlijke doelstellingen van verzoekende partij […].” Beoordeling 59. Artikel

, § 7, derde lid, van het ZAP-reglement luidt: “Een toetsing van de prestaties in functie van de gepersonaliseerde doel- stellingen van een docent of hoofddocent kan als eindresultaat „gunstig‟ of „ongunstig‟ hebben. Een toetsing is „gunstig‟ wanneer kan worden aange- toond dat de gepersonaliseerde doelstellingen zijn bereikt. Er is geen deli- beratiemarge: de toetsing toont aan ofwel dat de vastgelegde doelstellin- IX-9249-31/35 gen zijn behaald ofwel dat de vastgelegde doelstellingen niet zijn be- haald.” Dit wordt nader toegelicht in het facultair referentiekader: “De gepersonaliseerde doelstellingen moeten in kaart brengen welke onderwijs-, onderzoeks- en dienstverleningsprestaties een docent/hoofd- docent minimaal moet verwezenlijken om in aanmerking te komen voor bevordering tot hoofddocent, c.q. hoogleraar. Dit impliceert dat het niet behalen van het minimum van een bepaalde deelcomponent in één van de luiken principieel tot gevolg heeft dat de doelstellingen niet behaald zijn, met het eraan verbonden „vertragingsmechanisme‟ voor het betrokken ZAP-lid.” Tussen partijen bestaat geen betwisting hierover: de organen van de verwerende partij mogen over het resultaat van de toetsing niet delibere- ren. Het facultair referentiekader legt de berekeningswijze voor elke doelstelling vast. Indien een personeelslid één van de gepersonaliseerde doelstellingen niet behaalt, is zijn eindbeoordeling „ongunstig‟, ongeacht zijn prestaties op de andere domeinen. Met andere woorden, een eindresultaat „gunstig‟ is enkel mogelijk voor het personeelslid dat voor alle gepersonaliseerde doelstellingen de vastge- stelde minimumnorm behaalt.

  1. Met dit middel streeft verzoeker een aanpassing na van de ver- houding onderwijs-onderzoek in zijn gepersonaliseerde doelstellingen. “De rele- vantie van deze correctie”, zo schrijft verzoeker in het inleidend verzoekschrift, “ligt in het feit dat op grond van de aangepaste verdeelsleutel de publicatie-output van verzoekende partij de opgelegde score wel degelijk behaalt”: “Indien in de verdeelsleutel tussen onderwijs en onderzoek het aandeel onderwijs stijgt, dan daalt het aandeel onderzoek verhoudingsgewijs zodat ook de overeenkomstige vereiste score aan publicatie-output als te beha- len gepersonaliseerde doelstelling daalt op het vlak van het sub-luik pu- blicatie-output. De publicatie-output score van verzoekende partij werd in zijn gepersona- liseerde doelstellingen vastgelegd op 31,5 op basis van een verdeelsleutel onderwijs-onderzoek van respectievelijk 30% en 60% […]. Met een verlaging van het percentage onderzoek tot 55% daalt de vereiste score publicatie-output tot […] 28,875.” IX-9249-32/35 De inwilliging van dit middel laat met andere woorden geheel onverlet dat verzoeker niet de minimumscore behaalt voor projectfinanciering. In zijn laatste memorie oppert verzoeker weliswaar dat een aanpassing van de ver- houding onderzoek-onderwijs “ook weerslag [had] kunnen hebben op de voor bevordering vereiste onderzoeksprestatie op het vlak van de andere bestanddelen van het wetenschappelijk onderzoek, namelijk onderzoeksfinanciering en niet alleen publicatie-output” en “dus ook betrekking [kan] hebben op de omvang en aard van de te verwerven onderzoeksfinanciering”. Dat is echter niets meer dan een niet concreet uitgewerkte bewering, waarvoor de Raad in de stukken van het administratief dossier – meer bepaald in de universitaire en de facultaire referen- tiekaders – geen enkele steun vindt. Verzoeker maakt hoe dan ook geenszins aan- nemelijk dat de door hem behaalde score voor externe onderzoeksfinanciering (0,50) zou volstaan om te voldoen aan deze doelstelling, zelfs na een bijstelling ervan na aanpassing van zijn onderzoeksopdracht van 60% naar 55%, zoals hij vroeg. Dit betekent, zelfs al ware het middel gegrond, dat verzoeker mogelijk een hogere score en zelfs het vereiste minimum behaalt voor „publica- tie-output‟, maar dat hij nog steeds niet het eindresultaat „gunstig‟ zal behalen. Immers bepaalt het ZAP-reglement uitdrukkelijk dat geen deliberatie mogelijk is. Om die reden, overigens, heeft de universitaire ZAP-commissie reeds op 17 ok- tober 2017 wat haar betreft definitief geconcludeerd dat verzoeker de doelstellin- gen niet behaalt, ook al wou zij één van die doelstellingen – de publicatieoutput – met het oog op toekomstige transparantie wel nog nader onderzoeken. Dat verzoeker, hetzij met het oog op een willig beroep, hetzij voor de toekomst, graag het antwoord kent op de rechtsvraag die hij in zijn mid- del oppert, is niet het rechtens vereiste rechtstreekse belang bij de gevraagde nie- tigverklaring. Zijn uiteenzetting gaat ten slotte eraan voorbij dat een deliberatie nu eenmaal onmogelijk is en dat hij, voor de toekomst, verkregen heeft wat hij beoogde. IX-9249-33/35
  2. Wat dan weer tot de vaststelling leidt dat het middel ab initio niet ontvankelijk is, bij gebrek aan belang. L. Dertiende middel Standpunt van de partijen
  3. In een dertiende middel voert verzoeker de schending aan van artikel

, §§ 1 en 7, van het ZAP-reglement waaruit blijkt dat alle prestaties gedurende de gehele vijfjarige cyclus in aanmerking dienen te worden genomen, dus tot 30 september

  1. De bestreden beslissing heeft dit voorschrift overtreden door de publicatie The Insurance of Driverless Vehicles, Pilotless Aircraft and Unmanned Vessels in VABB erkend tijdschrift European Transport Law niet meer in aan- merking te nemen voor de telling van de publicatieoutputscore.
  2. De verwerende partij antwoordt in haar laatste memorie dat verzoeker geen belang heeft bij zijn betoog, want “zelfs al zou [hij] voldoen aan de publicatievereiste, ten zeerste quod non, dan nog voldoet hij geenszins aan zijn gepersonaliseerde doelstellingen omwille van de „te verwerven financiële midde- len voor onderzoek aan de UGent‟. Nochtans bepaalt het ZAP-reglement uitdruk- kelijk in artikel

§ 7

dat géén deliberatie mogelijk is, hetgeen per definitie betekent dat aan alle criteria voldaan moet zijn”. Beoordeling

  1. Om dezelfde redenen als uiteengezet bij het twaalfde middel, is de exceptie gegrond.
  2. Het middel is ab initio niet ontvankelijk. IX-9249-34/35 M. Conclusie
  3. De conclusie was reeds aangekondigd sub 5 hiervóór: zonder dat onderzocht moet worden of verzoeker nog een actueel belang heeft bij zijn beroep na zijn bevordering tot hoogleraar, volgt uit de bespreking van de midde- len dat het beroep hoe dan ook moet worden verworpen. BESLISSING
  4. De Raad van State verwerpt het beroep.
  5. De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro en een rechtsple- gingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van twintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, IXe kamer, samengesteld uit: Geert Van Haegendoren, kamervoorzitter, Bert Thys, staatsraad, Kaat Leus, staatsraad, bijgestaan door Tiny Temmerman, griffier. De griffier De voorzitter Tiny Temmerman Geert Van Haegendoren IX-9249-35/35 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.538 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.