id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 januari 2021 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.542 Rolnummer: A. 225132/VII-40263 Zaak: Arrest 249542 - Milieuvergunningen - 21/01/2021 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2021-01-28 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-20 00:28 Fiche Arrest nr 249.542 van 21 januari 2021 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK VIIe KAMER nr. 249.542 van 21 januari 2021 in de zaak A. 225.132/VII-40.263 In zake : de NV HELI SERVICE BELGIUM bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaat Peter Flamey kantoor houdend te 2018 Antwerpen Jan Van Rijswijcklaan 16 bij wie woonplaats wordt gekozen tegen : het VLAAMSE GEWEST bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Bram Van den Berghe en Jürgen Vanpraet kantoor houdend te 8820 Torhout Oostendestraat 306 bij wie woonplaats wordt gekozen Tussenkomende partij : Bruno DRIESKENS bijgestaan en vertegenwoordigd door advocaten Filip De Preter en Kurt Stas kantoor houdend te 1000 Brussel Keizerslaan 3 bij wie woonplaats wordt gekozen -------------------------------------------------------------------------------------------------- I. Voorwerp van het beroep
- Het beroep, ingesteld op 4 mei 2018, strekt tot de nietigverklaring van het besluit van het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving van 7 maart 2018 waarbij het beroep van de tussenkomende partij ingesteld tegen de beslissing van de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 5 februari 2018 om geen bestuurlijke maatregelen op te leggen ten aanzien van de helihaven, gelegen te Sint-Pieters-Leeuw, Pepingensesteenweg 250, ontvankelijk wordt verklaard. VII-40.263-1/14 II. Verloop van de rechtspleging
- De verwerende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de verzoekende partij heeft een memorie van wederantwoord ingediend. Bruno Drieskens heeft een verzoekschrift tot tussenkomst ingediend. De tussenkomst is toegestaan bij beschikking van 2 juli
- De tussenkomende partij heeft een memorie ingediend. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een verslag opgesteld. De verzoekende partij heeft een verzoek tot voortzetting van het geding en een laatste memorie ingediend. De verwerende partij en de tussenkomende partij hebben een laatste memorie ingediend. De partijen zijn opgeroepen voor de terechtzitting, die heeft plaatsgevonden op 12 november
- Staatsraad Peter Sourbron heeft verslag uitgebracht. Advocaat Glenn Declercq, die loco advocaat Peter Flamey verschijnt voor de verzoekende partij en advocaat Jürgen Vanpraet, die verschijnt voor de verwerende partij, zijn gehoord. Eerste auditeur Ronny Vercruyssen heeft een met dit arrest eensluidend advies gegeven. Er is toepassing gemaakt van de bepalingen op het gebruik der talen, vervat in titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari
- VII-40.263-2/14 III. Feiten 3.
- De verzoekende partij exploiteert te Sint-Pieters-Leeuw een helihaven. 3.
- Bij arrest nr. 241.145 van 29 maart 2018 vernietigt de Raad van State het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 19 november 2015 waarbij het bestuurlijk beroep ingesteld tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 15 juni 2015, houdende het verlenen van de milieuvergunning aan de nv Heli Service Belgium voor het verder exploiteren van een helihaven, niet wordt ingewilligd. 3.
- In het kader van de heroverweging na dit arrest verklaart de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant op 12 juli 2018 het bestuurlijk beroep ingesteld tegen voornoemde beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw zonder voorwerp. Tegen deze beslissing heeft de verzoekende partij bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring ingediend (zaak A. 225.926/VII-40.361). 3.
- Op 2 november 2016 heeft de tussenkomende partij aan de afdeling Milieu-inspectie een verzoek gericht om ten aanzien van de betrokken inrichting bestuurlijke maatregelen op te leggen. De afdeling Milieu-inspectie stuurt het verzoek door naar de gemeentelijke toezichthouder. Vervolgens beslist de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw op 21 december 2016 om het verzoek niet in te willigen. 3.
- Tegen voormelde beslissing stelt de tussenkomende partij op 6 januari 2017 beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
- Met een besluit van 10 maart 2017 verklaart de Vlaamse minister van Omgeving, Natuur en Landbouw het bestuurlijk beroep gegrond. Overeenkomstig artikel 67 van het besluit van de Vlaamse regering van 12 december 2008 ‘tot uitvoering van titel XVI van het decreet van 5 april 1995 VII-40.263-3/14 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid’ wordt het dossier terug gestuurd naar de in eerste aanleg bevoegde instantie teneinde het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen opnieuw te behandelen. 3.
- Op 19 juni 2017 neemt de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw een nieuwe beslissing waarbij het verzoek andermaal ongegrond wordt verklaard en geen bestuurlijke maatregelen worden opgelegd. 3.
- Ook tegen deze beslissing stelt de tussenkomende partij beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister. 3.
- Met het thans bestreden besluit van 7 maart 2018 wordt dit beroep door het afdelingshoofd van de afdeling Handhaving ontvankelijk verklaard. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Excepties nopens het voorwerp van en het belang bij het beroep
- De verwerende partij werpt op dat de bestreden beslissing geen definitieve administratieve rechtshandeling vormt en anderzijds dat die beslissing de verzoekende partij niet rechtstreeks en zeker benadeelt.
- De tussenkomende partij van haar kant stelt dat de verzoekende partij niet over het in rechte vereiste belang beschikt aangezien voor de exploitatie van de inrichting geen uitvoerbare milieuvergunning voorhanden is. Tegelijk wijst zij op de verslagen van het auditoraat in de zaken A. 219.900/VII-39.738, A. 221.080/VII-39.872 en A. 222.184/VII-39.984, waarbij wordt geadviseerd de beroepen af te wijzen omdat een ongeoorloofd belang zou worden nagestreefd.
- In haar memorie van wederantwoord zet de verzoekende partij over de opgeworpen excepties het volgende uiteen: “[…] Vooreerst dient vastgesteld te worden dat het zeer opmerkelijk is dat de VII-40.263-4/14 verwerende partij in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid van het beroep betwist, terwijl zij zelf in de bestreden beslissing aangeeft dat een beroep tot schorsing en/of nietigverklaring bij Uw Raad kan worden ingesteld tegen de ontvankelijkheidsbeslissing. De verwerende partij doet in haar memorie van antwoord uitschijnen dat de vermelding van de beroepsmogelijkheden geen enkele juridische waarde zou hebben. Deze stelling klopt geenszins, nu conform de openbaarheid van bestuur, de eventuele beroepsmogelijkheden moeten vermeld worden in de administratieve beslissing. De sanctie voor het niet meedelen van de beroepsmogelijkheden heeft tot gevolg dat de beroepstermijn niet begint te lopen, en alleszins krachtens art. 19, tweede lid RvS-wet pas begint te lopen na vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de beslissing. De verplichting van het vermelden van de beroepsmogelijkheden raakt de openbare orde […]. Een verkeerde vermelding van de beroepsmogelijkheden kan volgens de rechtspraak van Uw Raad en rechtsleer worden gelijkgesteld met het ontbreken van de vereiste vermeldingen. Bovendien kan de overheid in dit geval worden veroordeeld tot de kosten van het nutteloze beroep […]. […] Het correct meedelen van de beroepsmogelijkheden wordt bijgevolg gekaderd in de verplichting tot openbaarheid van bestuur. Het bestuur dient de beroepsmogelijkheden te vermelden in de beslissing op een correcte manier. Verwerende partij gaat in haar memorie van antwoord hier volledig aan voorbij en houdt op geen enkele wijze rekening met het feit dat het de verplichting is van het bestuur om de beroepsmogelijkheden correct te vermelden. Nu gaan beweren dat de ontvankelijkheidsbeslissing niet vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring, omdat het hier geen definitieve beslissing zou betreffen en dat geen wijziging zou worden aangebracht in de rechtspositie van verzoekende partij, is verkeerd en in strijd met de verplichtingen van actief openbaar bestuur. […] Bovendien kan de verwerende partij niet gevolgd worden in haar bewering dat de bestreden beslissing een voorbereidende handeling zou zijn en bijgevolg geen rechtshandeling zou zijn. De verwerende partij gaat er tevens verkeerdelijk vanuit dat de rechtstoestand van de verzoekende partij niet gewijzigd zou worden en dat de bestreden beslissing een voor vernietiging vatbare rechtshandeling is in de zin van art. 14 RvS-wet. In tegenstelling tot wat de verwerende partij aanvoert, kunnen voorbereidende handelingen wel degelijk reeds onmiddellijke rechtsgevolgen hebben en spreekt men over voorbeslissingen. Voorbeslissingen kunnen voor de Raad van State afzonderlijk worden bestreden wanneer zij voor de verzoekende partij grievend zijn. De voorbeslissing is immer uitsluitend en noodzakelijk voorbereidend op een latere beslissing […]. […] De bestreden beslissing van 7 mei 2018 is wel degelijk grievend voor verzoekende partij en houdt een wijziging in van haar rechtstoestand. De bestreden beslissing oordeelt immers dat het beroep van de tussenkomende partij ontvankelijk zou zijn, zodat ten gronde een advies zal worden gegeven aan de Minister en de Minister over de gegrondheid van het beroep een uitspraak zal doen en de zaak eventueel zal terugsturen naar het bevoegde bestuursorgaan conform de artikelen 66 en 67 Milieuhandhavingsbesluit. VII-40.263-5/14 […] Aangezien de bestreden beslissing het beroep ten onrechte ontvankelijk heeft verklaard, werd de zaak ook ten onrechte voorgelegd aan de minister om het beroep ten gronde te beoordelen. Indien de afdeling Handhaving van het departement Omgeving de ontvankelijkheid van het beroep correct had onderzocht, zou het beroep onontvankelijk zijn verklaard en zou het beroep nooit ten gronde zijn beoordeeld geweest door de Minister. Het verzoek tot het opleggen van een bestuurlijke maatregel zou bijgevolg afgehandeld zijn geweest na de ontvankelijkheidverklaring van het beroep van de tussenkomende partij. Echter dient de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw nu opnieuw het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen te behandelen. De bestreden beslissing is in dat opzicht derhalve grievend voor verzoekende partij nu het verzoek tot opleggen van een bestuurlijke maatregel ten onrechte opnieuw moet onderzocht worden. […] Daarenboven dient er op gewezen te worden dat de ontvankelijkheidsbeslissing van de afdeling handhaving wel degelijk een definitieve beslissing inhoudt over de ontvankelijkheid van het ingestelde beroep door de tussenkomende partij. Het Ministerieel Besluit van 27 april 2018 doet enkel uitspraak over de gegrondheid van het beroep. Het besluit luidt immers dat ‘het beroep om geen bestuurlijke maatregel op te leggen, gegrond wordt verklaard’. Bijgevolg doet de Minister op geen enkele wijze uitspraak over de ontvankelijkheid van het beroep. In het Ministerieel Besluit wordt inzake de ontvankelijkheid zelfs verwezen naar de bestreden beslissing van 7 maart 2018 […]. […] Uit artikel 66 Milieuhandhavingsbesluit dient tevens afgeleid te worden dat enkel de Afdeling Handhaving uitspraak doet over de ontvankelijkheid, aangezien voormeld artikel bepaalt: ‘1° als het beroep onontvankelijk wordt bevonden, dan brengt het hoofd van de afdeling bevoegd voor bestuurlijke handhaving, of zijn gemachtigde, de beroepsindiener, alsook de persoon die de bestreden beslissing heeft genomen en degene die het voorwerp uitmaakt van het verzoek tot het opleggen van bestuurlijke maatregelen, daarvan met een aangetekende brief op de hoogte. Dit gebeurt binnen veertien dagen na de ontvangst van het beroep. De procedure voor het niet ontvankelijk bevonden beroep is daarmee beëindigd. […]’ Bovenvermeld artikel bepaalt m.a.w. dat indien het beroep onontvankelijk zou zijn bevonden, de procedure met het besluit van de afdeling Handhaving beëindigd zou zijn geweest. In die zin is de ontvankelijkheidsbeslissing wel degelijk een eindbeslissing dat de rechtstoestand van de verzoekende partij kan wijzigen. Wanneer het beroep ontvankelijk wordt bevonden door de afdeling Handhaving dan zal enkel in dat geval nog een beslissing door de Minister moeten worden genomen. Bijgevolg is de ontvankelijkheidsverklaring door de afdeling Handhaving een voorbeslissing dat uitsluitend en noodzakelijk is opdat de Minister op grond van artikel 66, 2° Handhavingsbesluit zou kunnen overgaan tot het beoordelen van het beroep tegen de beslissing van het bestuur in eerste administratieve aanleg om geen bestuurlijke maatregelen op te leggen. De beslissing van het hoofd van de afdeling VII-40.263-6/14 Handhaving is met andere woorden allesbepalend. […] De verwerende partij betwist verder dat verzoekende partij niet over het vereiste belang zou beschikken conform artikel 19, eerste lid RvS-wet en dat verzoekster geen rechtstreeks nadeel zou leiden ingevolge de bestreden beslissing. Voormelde bewering van de verwerende partij is volstrekt foutief. Indien de afdeling Handhaving het beroep van de tussenkomende partij onontvankelijk zou verklaard hebben, zou er nooit een Ministerieel Besluit ten gronde geweest zijn, zodat de beslissing van de burgemeester van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw wel degelijk definitief was geworden. Aangezien in eerste administratieve aanleg de burgemeester het verzoek als ongegrond heeft afgewezen heeft verzoekster wel degelijk een belang bij de ontvankelijkheidsverklaring door de afdeling Handhaving, aangezien dan het beroep behandeld wordt en de Minister de bevoegdheid heeft krachtens art. 67 Milieuhandhavingsbesluit om het verzoek opnieuw te verzenden naar de burgemeester. […] Bovendien moet nog worden opgemerkt dat de Minister nooit een Ministerieel Besluit op 27 april 2018 had kunnen nemen, indien het beroep als onontvankelijk zou zijn afgewezen. De beroepsprocedure neemt immers een einde indien een beroep als onontvankelijk wordt afgewezen. De vernietiging van de ontvankelijkheidsbeslissing van de Afdeling Handhaving heeft tot gevolg dat de Ministeriële Beslissing van 27 april 2018 onwettig is. Voor de volledigheid dient opgemerkt te worden dat verzoekster ook tegen de Ministeriële beslissing van 27 april 2018 een verzoek tot nietigverklaring heeft ingediend bij Uw Raad op 17 mei 2018 (G/A 225.242/VII-40.271). […] De door verwerende partij opgeworpen excepties zijn dan ook ongegrond. […] De tussenkomende partij van zijn kant meent dat verzoekster niet zou beschikken over het rechtens vereist belang bij de huidige procedure aangezien het zogezegd zou vaststaan dat verzoekster over geen milieuvergunning beschikt. De tussenkomende partij verwijst o.a. naar rechtspraak van Uw Raad alwaar het al dan niet vervallen zijn van een milieuvergunning in het kader van het belang onderzocht zou zijn geweest. Tevens verwijst de tussenkomende partij naar de reeds tussengekomen auditoraatsverslagen van 2 augustus 2018, gekend in de zaken met rolnummers G/A 219.900/VII-39.738, G/A 221.080/VII-39.872 en G/A 222.184/VII-39.984, alwaar het Auditoraat zou adviseren om de ingestelde beroepen te verwerpen wegens het nastreven van een ongeoorloofd belang. Verzoekster kan zich, omwille van de hiernavolgende redenen, in het geheel niet vinden in deze vermeende vaststelling van de tussenkomende partij. […] Er dient immers vastgesteld te worden dat verzoekende partij bij wijze van laatste memorie reeds heeft gerepliceerd op de onterechte bewering van de Eerste Auditeur dat het beroep onontvankelijk zou zijn wegens ongeoorloofd belang. Verzoekster verwijst hiervoor in de eerste plaats naar haar laatste memories in de zaken bij Uw Raad gekend onder de rolnummers G/A 219.900/VII-39.738, G/A 221.080/VII-39.872 en G/A 222.184/VII-39.984 […]. Verzoekster stelt evenwel vast dat tussenkomende partij in onderhavig VII-40.263-7/14 dossier de beweringen van het Auditoraat klakkeloos overneemt, ofschoon zij ontegensprekelijk reeds in kennis werd gesteld van de laatste memories van de verzoekende partij. Verzoekster herneemt dan ook haar repliek op de auditoraatsverslagen ter weerlegging van het standpunt van de tussenkomende partij in onderhavige procedure: ‘Overwegende dat de Eerste Auditeur zich in het auditoraatsverslag beperkt tot een beoordeling inzake de ontvankelijkheid van het annulatieberoep; dat de Eerste Auditeur van oordeel is dat verzoekende partij geen belang meer zou hebben bij haar beroep en dat het beroep tot nietigverklaring bijgevolg zou moeten worden verworpen; dat de Eerste Auditeur zich hiervoor steunt op het feit dat met het arrest van Uw Raad dd. 29 maart 2018 (nr. 241.145) de milieuvergunning dd. 19 november 2015 werd vernietigd die zou gelden tot en met 7 mei 2018; dat de Eerste Auditeur vaststelt dat deze vergunningstermijn inmiddels is verstreken; dat de Eerste Auditeur vervolgens verwijst naar het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw dd. 2 juli 2018 waarin de aanvraag van verzoekster om een nieuwe omgevingsvergunning voor de betrokken inrichting werd geweigerd; Dat de Eerste Auditeur hieruit meent af te leiden dat verzoekende partij sedert 8 mei 2018 niet langer over een vergunning voor de betrokken inrichting beschikt, zodat verzoekster zogezegd niet langer zou beschikken over het rechtens vereiste belang bij onderhavig beroep; Dat het beroep tot nietigverklaring, volgens het Auditoraat, als onontvankelijk dient te worden beschouwd wegens een zogezegd nagestreefd ongeoorloofd belang, aangezien het erop gericht zou zijn om een toestand toe te laten waarvoor verzoekster met zekerheid niet langer over de vereiste vergunning beschikt; Overwegende dat verzoekster zich geenszins kan vinden in voormeld standpunt van de Eerste Auditeur; dat de Eerste Auditeur evenwel geen rekening houdt met het feit dat beroepster over de mogelijkheid beschikt om administratief beroep aan te tekenen tegen de weigeringsbeslissing van het schepencollege van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw dd. 2 juli 2018 tegen de nieuwe omgevingsvergunningsaanvraag; Dat verzoekster formeel beroep aantekent tegen de voormelde weigeringsbeslissing van het schepencollege van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw bij de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant […]; dat ingevolge het principe van de devolutieve werking van het administratief beroep de deputatie zich dient uit te spreken over de omgevingsvergunningsaanvraag van verzoekster zonder evenwel gebonden te zijn aan het oordeel van het schepencollege van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw; dat het derhalve aan de deputatie toekomt om de aanvraag op zijn legaliteit en opportuniteit te beoordelen; Dat het bijgevolg voorbarig is thans te beweren dat verzoekende partij niet langer over het vereiste belang zou beschikken; Dat de door de Eerste Auditeur aangehaalde rechtspraak dan ook geenszins dienend is voor onderhavige zaak, omdat het op dit ogenblik voorbarig is een uitspraak te doen over de vergunningsstatus van het bedrijf, precies rekening houdend met de behandeling van het administratief beroep dat wordt ingediend bij de Deputatie op grond van het Omgevingsvergunningsdecreet; VII-40.263-8/14 Dat verzoekster er uitdrukkelijk op wijst op Uw Raad de eerder verleende milieuvergunning in graad van beroep enkel heeft vernietigd op grond van de door het bestuur verrichte beoordeling inzake de planologische verenigbaarheid ten opzichte van het gewestplan, maar dat Uw Raad de toepassing van de afwijkingsregeling niet heeft uitgesloten en om die redenen een verzoek tot substitutie en dito weigering in de plaats van het bestuur precies heeft afgewezen […]; Dat de Deputatie in het kader van de heroverweging na vernietiging van voormelde milieuvergunning dd. 19 november 2015 niet tot de beoordeling van de uitdrukkelijk ingeroepen afwijkingsregeling is kunnen komen omwille van het zonder voorwerp verklaren van het beroep van de heer Drieskens [...]; dat de termijn om deze beslissing aan te vechten voor de Raad van State nog niet verstreken is, zodat al evenmin definitieve rechtsgevolgen kunnen verbonden worden aan deze zonder voorwerp verklaring […]; Dat bijgevolg andermaal uitdrukkelijk de afwijkingsregeling werd ingeroepen en aangetoond in het administratief beroep in het kader van het Omgevingsvergunningsdecreet […]; Dat er dan ook nog geen sprake is van een definitieve uitspraak over het behoud van het rechtens vereist belang bij een beroep tot nietigverklaring tegen een bestuurlijke uitspraak over bestuurlijke maatregelen, aangezien er op voorbarige wijze in het auditoraatsverslag wordt vooruit gelopen op de besluitvorming in het kader van de Omgevingsvergunningsaanvraag die zijn beslag nog moet krijgen naar aanleiding van het administratief beroep; Dat de situatie dus helemaal niet vergelijkbaar is met de in het Auditoraatsverslag niet dienstig ingeroepen rechtspraak van Uw Raad omdat er nog geen uitspraak terzake kan gedaan worden; Dat deze situatie dus geheel anders is dan bijvoorbeeld aan de orde in de hierna volgende rechtspraak: RvS 14 september 2017, nrs. 239.076 en 239.077, alwaar Uw Raad eveneens naar aanleiding van een helihaven enkel het rechtens vereiste belang heeft ontzegd wanneer definitief komt vast te staan dat de verzoekende partij niet over een milieuvergunning beschikt voor de exploitatie van de helihaven (zie voormeld arrest nummer 239.076), wat enkel het geval is wanneer Uw Raad een beroep tot nietigverklaring tegen de weigering van een vergunningsaanvraag verwerpt (zie voormeld arrest nr. 239.076) […]; Dat onderhavige situatie dan ook in geen geval te vergelijken is met voormelde rechtspraak van Uw Raad, waarin de ontstentenis van rechtens vereist belang want niet geoorloofd enkel wordt verbonden aan de definitieve uitspraak van Uw Raad nopens de wettigheid van de weigering van de vergunningsaanvraag; Dat er bijgevolg reden is om de debatten te laten heropenen teneinde het Auditoraat ertoe uit te nodigen om onderzoek van het beroep verder te zetten.’ Hieruit volgt dat de vermeende exceptie van de tussenkomende partij, die niets meer is dan een loutere herneming van de auditoraatsverslagen in de procedures bij Uw Raad gekend onder de rolnummers G/A 219.900/VII-39.738, G/A 221.080/VII-39.872 en G/A 222.184/VII-39.984, ongegrond zijn en derhalve dienen verworpen te worden. […] Daarenboven merkt verzoekster op dat zij inmiddels, op 16 augustus VII-40.263-9/14 2018, een beroep tot nietigverklaring heeft ingediend bij Uw Raad tegen het besluit van de deputatie van de provincie Vlaams-Brabant dd. 12 juli 2018, waarbij het beroep namens dhr. Bruno Drieskens, Brabantsebaan 172 te 1600 Sint-Pieters-Leeuw, tegen het verlenen van de milieuvergunning door het college van burgemeester en schepenen van Sint-Pieters-Leeuw van 15 juni 2015 aan Bernard Slegten handelend in naam van Heli Service Belgium nv, Gaasbeeksesteenweg 140 te 1500 Halle voor het verder uitbaten van de helihaven gelegen Brabantsebaan 140 te 1600 Sint-Pieters-Leeuw zonder voorwerp wordt verklaard […]. Het staat dan ook onomstotelijk vast dat er geen thans nog geen definitief rechtsgevolg kan verbonden worden aan deze zonder voorwerp verklaring. Het besluit dd. 12 juli 2018 inzake de zonder voorwerp verklaring […] is dan ook bijzonder precair, gelet op de ingestelde vordering tot vernietiging namens verzoekster. Zodoende staat eens te meer vast dat tussenkomende partij ten onrechte vooruit loopt op de zaken. […] Er kan bijgevolg niet getwijfeld worden aan de geoorloofdheid van het belang, mede in het licht van artikel 6 EVRM, op grond waarvan verzoekster moet kunnen beschikken tot de toegang tot de rechter, in deze de administratieve rechter, wanneer zij geconfronteerd wordt met onrechtmatig overheidsoptreden, waaronder een overheidsoptreden in het kader van een bestuurlijke maatregel. […] De loutere omstandigheid dat de regelgeving, zoals reglementair uitgewerkt, geen toonbeeld is van transparantie en het systeem van de administratieve lus ronduit contraproductief is, mag geen afbreuk doen aan het recht op daadwerkelijke rechtsbescherming. Ook verzoekende partij heeft recht op dergelijke bescherming, want die is gewaarborgd als grondrecht in het EVRM. Het recht op toegang tot de rechter impliceert eveneens dat er geen onevenredig zware procedurele beperkingen mogen worden verbonden aan die toegang en dat geldt dus eveneens voor de beoordeling van het rechtens vereist belang. […] De excepties van de verwerende en de tussenkomende partijen, die in koor ingaan tegen deze rechtsbescherming, dienen dan ook volledig afgewezen te worden”.
- In haar laatste memorie repliceert de verzoekende partij op de in het auditoraatsverslag opgeworpen exceptie als zou zij niet langer over een geoorloofd belang beschikken omdat zij sedert 8 mei 2018 niet langer over een vergunning voor de betrokken inrichting beschikt, dat zij “in het vizier” wordt genomen door de verwerende partij omdat de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant bij herhaling “onwettige” beslissingen heeft genomen over aanvragen tot het verder exploiteren van de inrichting, dat zij “het slachtoffer is van bestuursdwang, teneinde […] haar activiteiten stop te zetten”, dat ingevolge het besluit van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 2 mei 2019 voor het uitvoeren van elke helikopterbeweging een dwangsom van 250 euro VII-40.263-10/14 wordt opgelegd en dat zij “deze stopzettingsmaatregel met bestuurlijke dwangsom, met toepassing van artikel 159 Grondwet, [verzoekt] buiten toepassing te verklaren, aangezien het handhavend bestuur krachtens […] grondwettelijke en internationaalrechtelijke beginselen geen bestuurlijke dwangsom -gedwongen tenuitvoerlegging- kan opleggen”. In dit verband zet zij uiteen dat een dwangsom enkel kan worden opgelegd door “een gerechtelijke instantie conform de Benelux-Overeenkomst van 26 november 1973 houdende de Eenvormige Wet betreffende de dwangsom”, dat de “dwangsommenbevoegdheid voor het bestuur” in strijd is met “het beginsel van de scheiding der machten en de bevoegdheidsverdeling tussen de federale en regionale overheden” en dat de onwettigheid van de deputatiebeslissing van 2 mei 2019 de openbare orde raakt. Voorts laat zij gelden dat niet aanvaard kan worden dat het beweerd niet beschikken over een “vereiste voorafgaande schriftelijke overheidsmachtiging” (lees: vergunning) er niet toe kan leiden dat de bestreden beslissing aan het wettigheidstoezicht van de Raad van State zou ontsnappen, dat een formalistische benadering van de belangvereiste de waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden ontneemt om een overheidsbeslissing ten gronde voor te leggen aan de bestuursrechter, dat zoals blijkt uit arrest nr. 33.427 van de Raad van State van 21 november 1989 het ongeoorloofd belang moet worden genuanceerd wanneer de “onwettige situatie slechts tijdelijk is en de voortzetting van de exploitatie de te regulariseren toestand zou kunnen vergemakkelijken” en dat in dit geval niet betwist kan worden dat de “onvergunde exploitatie tijdelijk […] is, gelet op de lopende procedures” bij de Raad van State en de Raad voor Vergunningsbetwistingen. Tot slot verwijst de verzoekende partij naar de arresten nrs. 241.865 en 241.866 van de algemene vergadering van de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 juni 2018 waarbij geoordeeld werd dat “de belangvereiste niet te strikt mag worden opgevat” om het recht op toegang tot de rechter te vrijwaren. Beoordeling
- De milieuvergunning die de deputatie van de provincieraad van VII-40.263-11/14 Vlaams-Brabant op 19 november 2015 aan de verzoekende partij heeft verleend voor “het verder exploiteren van een helihaven”, was slechts geldig tot 7 mei 2018 (datum waarop de vergunning voor de herstellingswerkplaats vervalt). Het annulatieberoep dat de verzoekende partij heeft ingesteld tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 12 juli 2018, genomen na heroverweging ingevolge arrest nr. 241.145 van 29 maart 2018 waarbij het besluit van de deputatie van 19 november 2015 werd vernietigd, is heden verworpen bij arrest nr. 249.
- Bijgevolg staat definitief vast dat de verzoekende partij sedert 8 mei 2018 niet meer beschikt over een milieuvergunning voor de exploitatie van de inrichting. De omstandigheid dat de verzoekende partij een bestuurlijk beroep bij de deputatie heeft ingediend tegen de weigeringsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Sint-Pieters-Leeuw van 2 juli 2018 om een omgevingsvergunning te verlenen en later een beroep tot nietigverklaring met vordering tot schorsing heeft ingesteld bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen tegen het besluit van de deputatie van 20 december 2018 waarbij het bestuurlijk beroep niet wordt ingewilligd, doet geen afbreuk aan voormelde vaststelling aangezien het mogelijks beschikken over een omgevingsvergunning enkel kan gelden voor de toekomst.
- Het beroep waarmee wordt beoogd bestuurlijke maatregelen af te wenden ten aanzien van een inrichting waarvan vaststaat dat ze niet vergund is, strekt in werkelijkheid tot de instandhouding van een onwettige toestand. De verzoekende partij beschikt bijgevolg niet over het wettig vereiste belang bij haar vordering. Het afwijzen door de rechter van een voor hem gebrachte zaak die enkel een ongeoorloofd belang kan dienen, doet allerminst blijken van een formalistische of te strikte opvatting van de belangvereiste die op onevenredige wijze afbreuk zou doen aan het recht op toegang tot de rechter.
- Tot slot wordt niet ingegaan op de in de laatste memorie geformuleerde vraag van de verzoekende partij om het voorwerp van het voorliggende beroep tot nietigverklaring uit te breiden tot het besluit van de Omgevingsinspectie Vlaams-Brabant van 2 mei 2019 waarbij als bestuurlijke VII-40.263-12/14 maatregel de stopzetting van de exploitatie wordt bevolen, onder verbeurte van een dwangsom van 250 euro per vluchtbeweging die in strijd met de stopzettingsmaatregel wordt uitgevoerd. Om in te gaan op een dergelijke vraag tot uitbreiding is onder meer vereist dat de Raad van State vaststelt dat het bestuur de oorspronkelijk bestreden beslissing door een nieuwe heeft vervangen en die vervangende beslissing inhoudelijk niet wezenlijk van de eerste verschilt, waardoor het materieel voorwerp van het beroep ongewijzigd is gebleven. In dit geval wordt vastgesteld dat het besluit van de Omgevingsinspectie Vlaams-Brabant van 2 mei 2019 wezenlijk verschilt van de oorspronkelijk bestreden beslissing van de afdeling Handhaving van 7 maart
- Het beroep is niet ontvankelijk. BESLISSING
- De Raad van State verwerpt het beroep.
- De verzoekende partij wordt verwezen in de kosten van het beroep tot nietigverklaring, begroot op een rolrecht van 200 euro, een bijdrage van 20 euro en een rechtsplegingsvergoeding van 700 euro, die verschuldigd is aan de verwerende partij. De tussenkomende partij wordt verwezen in de kosten van de tussenkomst, begroot op 150 euro. VII-40.263-13/14 Dit arrest is uitgesproken te Brussel, in openbare terechtzitting van eenentwintig januari tweeduizend eenentwintig, door de Raad van State, VIIe kamer, samengesteld uit: Eric Brewaeys, kamervoorzitter, Pierre Lefranc, staatsraad, Peter Sourbron, staatsraad, bijgestaan door Elisabeth Impens, griffier. De griffier De voorzitter Elisabeth Impens Eric Brewaeys VII-40.263-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2021:ARR.249.542 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div